Ga naar de inhoud

202. Volkswijsheid bij onze Palmprocessie

Het driemaal slaan op de gesloten kerkpoort.

In de middeleeuwen houden veel grote steden een palmprocessie. Naar analogie met het gebeuren in Jeruzalem begint die buiten de stad, liefst op een heuvel die herinnert aan de Olijfberg. De palmtakken worden er gewijd en terwijl de gelovigen hymnen zingen, begeleiden ze de celebrant – meestal een bisschop die Christus voorstelt – naar de stad. De processie blijft voor de stadspoorten staan, waar de hymne ‘Gloria, laus et honor’ van Theodulfus van Orléans (achtste eeuw) wordt gezongen. Met de schacht van het processiekruis slaat de drager van dat kruis driemaal op de gesloten stadspoorten die daarop worden opengedaan. Ze symboliseren de poorten van de hemel die door Christus’ kruis ontsloten worden. Terwijl men de antifoon Ingrediente Domino’ zingt, trekt de processie naar de hoofdkerk in het centrum van de stad: Jeruzalem.

Maar Hoegaarden was geen ‘echte’ stad uit de middeleeuwen, omdat het voornaamste uiterlijke kenmerk van een stad ontbrak, namelijk de stadsmuur! Vandaar dat de pastoor bij de terugkomst van de processie driemaal op de ondertussen afgesloten kerkdeur klopt. De deur waarlangs de processie binnenkomt is de ‘lijkpoort’, de deur waarlangs bij begrafenissen de overledenen in de kerk worden gedragen en na de plechtigheid uitgedragen worden naar het kerkhof. Te Hoegaarden lijkt dat vanzelfsprekend omdat de andere toegang tot de kerk maar bereikbaar is langs een reeks trappen (de kant van de ‘Plek’, zoals Hoegaardiers het uitdrukten).

De gelovigen interpreteerden dit ritueel als volgt: ‘Men heeft de pastoor buitengesloten’.

De processie houdt even halt aan de pastorij.

Een andere traditie te Hoegaarden was dat als de optocht bij de pastorij is gekomen, er eventjes rust wordt gehouden voor het ‘ezelke’. Deze ezelsrust is een typisch volks trekje, dat men best terug kan invoeren, moest het niet meer gebeuren. 

Dat halt houden heeft niets te maken met ‘even uitblazen’ voor de dragers van het beeld, en ook niet met het voorkomen van ‘des ezels moedwil’.
Bedoeld wordt alleen dat de ezel zou kunnen neervallen bij het verplicht voorbijlopen van zijn thuis. Dat doet men voor de ezel, net zoals de boer het voor zijn paard deed. Wanneer die daarmee zijn huis voorbij moest gaan, laat hij zijn paard eerst even staan, vooraleer er mee verder te trekken.
Die huisdieren blijken door het voorbij de stal rijden wel ‘bevangen’ te kunnen worden, waarbij hun poten verstijven. Door zo te doen verloopt de ‘palmezelprocessie’ ook voor de ezel ‘echt’.

Reeds in de 16de eeuw was het algemeen gebruikelijk het gehele ‘palmpasenbeeld’ als palmezel, ezel of ezelke te betitelen.
Tot de beelden, want er zijn er nu twee, hun rustplaats in de kerk vonden was de gewone standplaats van de palmezel de pastorij. Daar was dus de ‘stal’ van ons ‘ezelke’. Het is ook in de pastorij dat de dag voor palmzondag het beeld wordt opgetuigd en de zondagmorgen naar de kerk wordt gedragen.

Door de zwaarte van de last is er ergens in de Doelstraat een wisselbeurt en wordt van de ‘ezelsrust’ bij de pastorij een beurtwisseling gemaakt om de zware last eens even van de schouder af te hebben. Zo volmaakt is de orthodoxie van de volksgebruiken nu toch weer niet…

De kerk zit propvol kinderen die af en toe wuiven met hun ‘palmaai’, takken buxus hoog op een witte of afgeschilde stok gebonden. Oorspronkelijk zal het wel alleen een afgeschilde , levende twijg zijn geweest. Dat afschillen heeft ook zijn betekenis. Men heeft er zelfs een magisch element in willen zien.

Alleszins ligt het ontschorsen van de voorjaarstak de heilzame sappen bloot… en zo al het wel bedoeld zijn. De ritus met voorjaarstakken als symbolen van natuurverjonging dateert van vóór de kerstening.

De mombaarvader loopt achteraan.

Mombaar is een verouderd woord voor voogd (‘mont-beran’ betekent macht dragen of voeren over). De mombaarvader houdt het oog op de dragers van de palmezel, die traditioneel jonggezellen zijn. Het is toch wel eigenaardig dat hij helemaal achteraan loopt. Bij onze vroegere Hoegaardiers heeft de ‘mombaervader’ zelfs de roep de ‘Judas’ te zijn en daarom moet hij achteraan komen! Ook daarom krijgt hij geen apostelgewaad om, maar alleen een ‘sjerp’.

Dat zal wel op een oude traditie berusten.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-202-52ste-jaargang-1-2016