Ga naar de inhoud

Inhoudstafel Brandbestrijding

Brandbestrijding tijdens het Hollandse Bewind 

Bepalingen ter voorkoming van brand

Brandreglement (zitting van 03.10.1823)

De gemeenteraad van Hoegaarden vergaderd zijnde in de gewone plaats van zijn zittingen [1] heeft tot het hiernavolgend brandreglement besloten [2] :

Eerste afdeling: Bepalingen ter voorkoming van brand

Artikel 1
Geen woonhuizen, magazijnen, schuren, loodsen of andere gebouwen zullen andere gevels mogen hebben dan gemetseld van steen, kalk en tras, en niet mogen gedekt worden dan met leien, pannen, tegels of ander hard dak, tenzij met toelating van het plaatselijk bestuur, in de gehuchten van deze gemeente, ter plaatse alwaar de huizen van de andere afgezonderd zijn.

Vroeger, voor de komst van de goede portlandcement, werd er gewerkt met kalkmortel, waarin tras werd verwerkt; de muren waren hiermee veel harder en ook waterdicht te krijgen; tras is gemalen steen van vulkanische oorsprong (gemalen tufsteen uit de Duitse Eifel, uit de streek van Andernach in Duitsland, die via de waterwegen werd aangevoerd

Artikel 2
Geen scheidingen zullen tussen gebouwen mogen gemaakt worden van hout, en de zodanige, die reeds bestaan mochten, zullen niet mogen worden hersteld.

Artikel 3
Geen mijten van graan, hooi of stro zullen mogen gemaakt worden, als op een afstand van ten minste drie honderd ellen van alle hoegenaamde gebouwen. 

Koning Willem I kreeg kritiek op de handhaving van het Franse metriek stelsel, vastgelegd bij KB in 1816; bij de vaststelling van de Nederlandse benamingen in 1817 werden de Franse gehandhaafd.
Maar nu was een Franse meter een Nederlandse elle, een decimeter werd een palm, een centimeter een duim en een millimeter een streep.
Driehonderd ellen is gewoon 300 meter!

Artikel 4
In de schoorstenen zullen geen binten (= zware houten balk ter verbinding), balken of ribben mogen ingemetst worden, al waren die ook met blik, ijzer of lood bekleed.

Artikel 5
Geen vuur zal mogen gestookt worden, dan in daartoe bekwame stookplaatsen of schoorstenen, gemetst van kalk en tras, en opgetrokken, boven de daken, ten minste acht palmen zeven duimen boven de nok van het gebouw.

Artikel 6
De schoorstenen op de bovenverdiepingen van een gebouw zullen op wulven (= gewelven) van steen moeten gemaakt worden, en in genen dele op binten of balken mogen rusten.

Artikel 7
In een gemene (= gemeenschappelijke) muur mogen de binten, komend tegen een haardstede of schoorsteen van de buurman, niet dieper worden gelegd, dan op de helft of in het hart van de muur. Zullende ook de gene die tegen enen gemene muur de haardstede of schoorsteen zal maken, gehouden zijn de binten van zijns buurman huis zover te doen weghakken en met steen bezetten.”

Artikel 8
Er mogen geen schoorstenen opgebouwd of veranderd worden dan na voorafgaande inspectie en goedkeuring van de bevoegde ambtenaar.

Artikel 9
De schoorsteenvegers mogen geen schoorstenen, die niet overeenkomen met de voorgeschreven bepalingen, vegen, maar zij moeten daarvan direct de bevoegde ambtenaar, zoals vermeld onder artikel 8 op de hoogte brengen; zoals ook de timmerlieden of metsers geen schoorstenen strijdig met de bovenstaande bepalingen mogen vervaardigen.

Artikel 10
De ingezetenen zijn verplicht tot het schoonhouden en doen vegen van de stookplaatsen, ten minste zekere bepaalde keren in het jaar, en daarvan bij elke visitatie aan de brandmeesters te doen blijken.

Artikel 11
De daartoe aangestelde plaatselijke beambten zullen in hun jaarlijkse inspectie of andere inspecties van de stookplaatsen bij de ingezetenen, niet mogen worden belet of belemmerd.

Artikel 12
Wie voor de uitoefening van zijn bedrijf vuur moet gebruiken zal geen ovens, eesten of andere stookplaatsen onder welke benaming ook, mogen aanwenden, dan na dat toestel te hebben laten goedkeuren door de bevoegde beambten en zal blijken dat de constructie, die uit steen, kalk en tras moet zijn, geen gevaar voor brand met zich zal brengen.

Eest = geperforeerde, van onderen verwarmde vloer die wordt gebruikt voor het op hoge temperatuur drogen van onder andere ontkiemde gerst, voor de bierbrouwerij.

Artikel 13
Niemand mag maken of doen maken enige wagenhuizen, hooi- of strozolders, stallen voor paarden, koebeesten, schapen of ander vee, zonder schriftelijk consent van het plaatselijk bestuur.

Artikel 14
In onbewoonde huizen mag er geen vuur worden gemaakt tenzij na voorafgaande toestemming van de bevoegden.

Artikel 15
De vergaarbakken voor het verzamelen van as en vuilnis mogen alleen maar van steen gemaakt worden; het is ten strengste verboden daarin hete assen te gooien, zomin als men warme assen mag dumpen op de straat of in een of andere gracht.

Artikel 16
De brandstoffen als kolen, hout, enz., zal niemand mogen leggen binnen zes palmen afstand van een eest, een smidse of een andere vuurplaats, gelijk men ze ook niet binnen drie palmen afstand van schoorsteenpijpen mag leggen.

Artikels 17
Het is verboden te vlassen of hekelen bij ontstoken licht, ‘s morgens vóór vijf en ‘s avonds na negen uur, gedurende de maanden maart, april, mei, juni, juli, augustus, september en oktober, en ‘s morgens vóór zes uur en ‘s avonds na zeven uur, gedurende de maanden november, december, januari en februari; ook om in de hekelhuizen of andere plaatsen waar vlas ligt, ander licht te gebruiken, dan in een besloten lantaarn; alsmede om op zolders, achterkamers of achterhuizen te hekelen.

Hekelen is de laatste bewerking die het vlas moest ondergaan om klaar te zijn voor het spinnen en weven; de bedoeling was de vezelbundels te splijten en het feitelijke vlaslint te scheiden van de korte stugge vezels voor het spinnen van kwaliteitsgaren maar wel bruikbaar voor het vervaardigen van ruwere garens.

Vlas hekelen

 

Artikel 18
Bij het lossen, laden of verwerken van licht ontvlambare goederen, alsmede in stallen, timmermanswinkels, pakhuizen, hooizolders of in andere gevaarlijke plaatsen, zal geen tabak mogen worden gerookt.

Artikel 19
Gedoofde kolen of houtskool zullen niet mogen gegooid of bewaard worden in tonnen, manden of dergelijken, maar zal men verplicht bergen in stenen, koperen, ijzeren of gelijkaardige potten van harde stoffen, voorzien van een deksel van steen, koper of dergelijke.

Artikel 20
Niemand mag in een besloten huis enig beweegbaar fornuis of oven gebruiken.

Een fornuis was een gemetselde bak waarin vuur gestookt kon worden, maar het kon evengoed een vierkante bak zijn uit ijzer of koper en die kon dan verplaatst worden , er werden ketels/marmieten op verwarmd; aangezien het in de meeste huishoudens pas omstreeks 1900 gangbaar werd om de keuken in een aparte ruimte onder te brengen, kwam omstreeks deze tijd ook het kolenfornuis in zwang, daar vóór deze tijd gekookt werd op het haardvuur of de kachel; maar nu was het een -vaak geëmailleerde- vierkante bak op poten, met in deze bak de stookruimte, en daarnaast de oven. De stookruimte kende een aantal deurtjes onder elkaar, voor de stookruimte, de aslade, en een brandstofvoorraad. Bovenop was een grote kookplaat met daarin een aantal kookgaten aangebracht waarvan de afmetingen met kachelringen konden worden fornuis uit grootmoeders tijd aangepast aan die van de pannen of ketels. De plaat was omgeven door een metalen reling die moest voorkomen dat de kleding werd verschroeid door de hete oppervlakten van het fornuis.
Meer welgestelden hadden uiteraard reeds langer een afzonderlijke keuken waarin door personeel werd gewerkt. Het fornuis zorgde tevens voor de verwarming van de keuken, maar was uiteraard niet erg efficiënt, daar het vuur veel langer moest branden dan dat men het voor koken nodig had. Bovendien zorgde het in de zomer voor een te hoge temperatuur in de keuken

Artikel 21
Geen pijpen van haarden of ‘kagchels’ mogen door een houten beschot geleid worden.

Artikel 22
Men mag binnen de gemeente geen huizen of gebouwen, groot of klein, in het geheel of gedeeltelijk en mitsdien ook geen loodsen beteren (= met teer bestrijken).

Artikel 23
Graan- en oliebakken mogen niet worden gemaakt als met voorafgaande kennis van het plaatselijk bestuur.

Artikel 24
In gebouwen die dienen voor magazijn of bergplaats van beide, hooi of stro, evenzeer als van andere ontvlambare stoffen zal geen vuur mogen gebruikt worden.

Artikel 25
Wanneer herbergiers, koffiehuishouders of tappers in een huis komen wonen waar dergelijke nering niet is uitgeoefend de laatste tijd, zullen zij de voornaamste stookplaatsen door de gemeente laten controleren en naar de bekomen orders veranderen.

Artikel 26
De schoorstenen van de kuipers (= tonnenmakers) moeten minstens één el breed zijn.

Artikel 27
De kuipers moeten een ton met water en een dweil bij zich hebben, en mogen geen duigen, bodemstukken, of enig ander houtwerk in hun schoorsteen leggen of zetten.

Artikel 28
De kuipers en brouwers mogen hun vaatwerk op de straat niet heeten (= op- of verwarmen) na zonnen ondergang of in sterken wind, of op enige andere plaatsen, dan vóór hunne brouwerijen of woningen, zelfs niet vóór andere huizen, loodsen of schuren die zij in eigendom of huur bezitten.

Artikel 29
Tegen het broeyen (= opwarmen door werking van bacteriën, waardoor het zou kunnen gaan smeulen en zelfs ontbranden) van het opgeslagen hooi wordt, door inspectie van enen keurmeester gezorgd.

Artikel 30
Er mag geen vuurwerk afgestoken worden en evenmin geweren of pistolen afgeschoten worden, zonder voorafgaande toestemming.

Tweede afdeling: Voorzorgen tot het in bekwamen staat hebben der middelen, benodigd ter blussing van brand.

Artikel 31
Door de zorg van het plaatselijk bestuur zullen de brandmeesters en naaste geburen ieder een sleutel hebben van de plaats waar de brandspuiten bewaard worden, en waar er ook een lantaarn klaar ligt om ontstoken te worden. Bij verhuis of andere verandering zullen door de voornoemde geburen deze sleutels tijdig worden doorgegeven.

Artikel 32
De sloten van de hokken of plaatsen waar de brandladders, haken en emmers worden bewaard, zullen met enerlei sleutels moeten kunnen geopend; de sleutels worden bewaard en doorgegeven op dezelfde manier als besproken in voorgaand artikel.

Artikel 33
De generale brandmeester moet de brandspuiten altijd in goede en bruikbare staat houden, en de nodige herstellingen of vernieuwingen laten uitvoeren.

Artikel 34
De brandspuiten zullen tweemaal per jaar worden geprobeerd en geïnspecteerd, samen met al het andere gereedschap; ook de bergplaatsen moeten nagekeken worden en zo nodig worden herstellingen uitgevoerd en gerapporteerd aan het plaatselijk bestuur.

Derde afdeling: Personen tot het aanwenden van de middelen ter blussing van den brand geaffecteerd en oefening der zelve personen.

Artikel 35
Het plaatselijk bestuur benoemt een brandmeester generaal en voor iedere spuit een brandmeester en enige onder brandmeesters.

Artikel 36
De brandmeester generaal designeert een genoegzaam aantal personen ter behandeling van iedere spuit benodigd.

Artikel 37
Niemand mag zijn aanduiding weigeren op straf van boete bepaald bij artikel 62, tenzij om redenen goed bevonden door het plaatselijk bestuur.

Artikel 38
De brandmeesters en de onder brandmeesters zullen genomen worden uit de bekwaamste en achtingswaardigste inwoners; in de keuze der brandspuitmeesters zal bijzonder regard worden genomen op de geaccrediteerde metselaars en timmermannen (= meester-metsers, meesters-timmermannen). De verdere geaffecteerden zullen worden genomen uit de ambachtslieden.

Artikel 39 
Regelmatig zullen er oefeningen zijn en ieder krijgt zijn specifieke taak, zodat bij brand er geen tijd verloren gaat en de hulp efficiënt wordt verleend.

Vierde afdeling: Verplichtingen bij het ontstaan van brand en bepalingen omtrent te blussen

Artikel 40
Wie als eerste een brand bemerkt en hem niet meester kan worden is verplicht om zo luid mogelijk ‘brand’ te roepen en de naaste buren te verwittigen.

Artikel 41
Wie als eerste de generale brandmeester waarschuwt krijgt een premie die door het gemeentebestuur, bij ieder geval van brand, zal bepaald worden.

Artikel 42
Ten allen tijde zullen de tien naaste geburen aan wederzijde van het huis, waar de brand plaats heeft wanneer in de nabijheid geen gracht enz. aanwezig is, verplicht zijn, gedurende den brand, de grootste tobbe (= kuip, ton) in hun bezit op den zelver stoepen (= waar de brand is uitgebroken) te plaatsen, en zorg te dragen dat die gestadig vol water blijven.

Artikel 43
Bij het ontstaan van brand zal door het kleppen van de klok zulks aan een ieder der ingezetenen bekend gemaakt worden, om ter hulp toe te komen snellen.

Artikel 44
Alle brandweermannen zullen bij een brand direct naar de bewaarplaats van hun spuit gaan zonder zich eerst te vergewissen van de plaats van de brand; zo zullen zij het snelst de brandspuit ter plaatse kunnen brengen.

Artikel 45
Ter plaatse van den brand gekomen zijnde, zal den brandmeester generaal en in zijne afwezigheid de brandmeesters, de spuiten in de bij de exercitiën te onderrichten posities doen plaatsen en de slangen doen uitleggen en water geven.

Artikel 46
Geen der opgemelde beambten en geaffecteerden aan de brandspuiten, zullen zich van hunne posten mogen verwijderen, maar ieder op hunne plaats moeten blijven en promptelijk aan de hun gegeven bevelen gehoorzamen.

Artikel 47
Voor al hetgeen de brand aangaat zal de generale brandmeester de orders opvolgen van de leden van de commissie van fabricagie, bestaande uit drie leden van de gemeenteraad; de brandmeesters en onder brandmeesters zullen de orders opvolgen van de generale brandmeester; de geaffecteerden die van hun brandmeester of van diegenen die gemachtigd zijn tot het blussen van de brand; iedereen moet direct gehoorzamen en de ordegevers met beleefdheid en respect bejegenen.

Artikel 48
Aan de brandmeester, onder brandmeesters en geaffecteerden van de spuit die het eerst bij de brand en gereed is, wordt een premie gegeven, iedere keer te bepalen door het plaatselijk bestuur; als de tweede spuit niet aanwezig is een half uur na de eerste wordt er een boete opgelegd aan de brandmeester en onder brandmeesters, bepaald door artikel 62. De vermelde premies worden voldaan uit de gemeentekas, ook als de hulp van de spuit niet nodig zou zijn geweest.

Artikel 49
Als het vriest zullen, bij brand, de brandmeesters ervoor zorgen dat de pompen in beweging blijven, desnoods met behulp van zout; de slangen zullen dan op houten of iets dergelijks worden gelegd om niet vast te vriezen aan de straat.

Artikel 50
De generale brandmeester zorgt ervoor dat langs de slangen van de spuiten geaffecteerden worden geplaatst om te zorgen dat ze niet beschadigd worden.

Artikel 51
Wie bij een brand de eerste ton water aanbrengt krijgt een premie van twee gulden vijftig cent.

Artikel 52
Als blijkt dat bij een brand meer mensen nodig zijn om de spuit te bedienen dan aanwezige geaffecteerden, kunnen de brandmeesters toekijkende omstaanders opvorderen om te helpen, zoals in geval van nood ook paarden, wagens en karren kunnen opgevorderd worden.

Artikel 53
De geburen van het huis dat in brand staat moeten hun huis openstellen voor de brandblussers en indien nodig toelaten dat de slangen door hun huis worden geleid.

Artikel 54
De nabijgelegen huizen, gebouwen en goederen, zeker wanneer ze door de wind aan de brand zijn blootgesteld, zal men zoveel als mogelijk trachten te redden door ze nat te houden, door ze met natte zeilen te dekken, als op gelijk welke andere manier.

Artikel 55
De brandhaken om daken, gevels, enz. omver te halen, mogen bij niemand gebruikt worden zonder uitdrukkelijk bevel van de aanwezige leden van de commissie van fabricagie, of bij absentie, van de generale brandmeester.

Artikel 56
Alleen in uiterste nood en na advies van deskundigen, zowel wat betreft de grootheid van het gevaar als de mogelijkheid tot uitvoering, zal worden besloten tot het omverhalen van belendende gebouwen en muren; daarvoor zal het bevel van d burgemeester of van de commissie van fabricagie nodig zijn.

Artikel 57
Zo nodig kan ook de hulp van metsers, timmerlui en andere kundigen, evenals van hun knechten worden ingeroepen, ook al behoren ze niet tot het korps; zij zullen onmiddellijk moeten komen helpen.

Vijfde afdeling:  bepalingen na te komen na het blussen van de brand

Artikel 58
Nadat men de vlammen is meester geworden, maar de verbrande voorwerpen nog smeulen, zullen ten minste één of twee spuiten met de daarbij horende manschappen aanwezig blijven om bij heropflakkering van de vlammen te kunnen ingrijpen.

Artikel 59
Na het blussen zullen de spuiten op een afgesloten plaats gebracht worden om gedroogd en zo nodig hersteld te worden; daarna zullen ze teruggebracht worden naar hun gewone bewaarplaats.

Artikel 60
Een ieder, onder wiens bewaring, ter gelegenheid van ontstane brand, goederen zullen zijn gekomen, zal gehouden zijn daar van, binnen vier en twintig uren, behoorlijk aangifte te doen aan het plaatselijk bestuur.

Artikel 61
Wie bij een brand gekwetst geraakt bij het blussen zal door de gemeentekas vergoed worden voor zijn onkosten ten gevolge van de verzorging van de kwetsuren en zal eveneens vergoed worden voor geleden schade in zijn broodwinning.

Artikel 62
De overtredingen aan het tegenwoordig reglement zullen gestraft worden met een boete van twee tot twaalf gulden, of één dag gevangenis onder verzameling.

Artikel 63
Meier, schepenen en veldwachters en andere agenten van het openbaar gezag zijn ieder op zijn niveau belast met de uitvoering van voornoemde bepalingen die zullen worden afgekondigd en aangeplakt op de gewone plaats.

Afkondigingen tijdens de Hollandse Tijd weden gedaan na de hoogmis op zondag van op de trappen van de kerk en in de portalen van de kerk werd er aangeplakt; naderhand zal, nog onder de Hollandse tijd, de gemeente drie houten panelen laten maken om de afkondigingen op 3 plaatsen aan te plakken; officiële boodschappen moesten bezorgd worden door de veldwachters (buiten de gemeente door de bode, die ook op de jaarlijkse begrotingslijst van de gemeente stond).

gedaan en gesloten in zitting van de gemeenteraad van Hoegaarden op 3 oktober 1823″

Volgen de handtekeningen: Berwouts, H. Groetaers, S. Coenegras, Arnold Adams, J.B. Dumont, Henri Lacourt, J.H. Vandermolen, Servais Cluts, A. Van Diest, Finoulst, De Zangré, meier en F. Lodewijckx, secretaris

Henri Lacourt [3] zal kort daarna overlijden op 20 januari 1824 en opgevolgd worden door Decoster Jean Baptist

De secretaris maakte deel uit van de gemeenteraad.

Burgemeester en schepenen (de meier en de assessoren) werden niet verkozen maar aangesteld bij Koninklijk Besluit

Ook de gemeenteraad kwam alleen samen op verzoek van de provinciegouverneur en behandelde de punten door hem opgelegd

Artikel 63 van het reglement met er onder de handtekeningen van de voltallige gemeenteraad of ‘het plaatselijk bestuur’ van Hoegaarden;

En dan, maar we zijn nu eind oktober 1826 al, en het Hoegaardse brandweerreglement is volgens art 34 en 35 van het reglement voor de gemeenten ten platten lande goedgekeurd (KB 24.07.1826 nr 125) [4]  werd het Hoegaardse brandweerkorps als volgt samengesteld:

 
  • Henricus Groetaers wordt met volstrekte meerderheid der stemmen benoemd tot opperbrandmeester;
 
  • Jan Pira, horlogemaker, brandmeester van de brandspuit nr. 1;
  • Jan Hendrik Gilis, kuiper, brandmeester van de tweede brandspuit;
 
  • Hendrik Lintermans, schrijver, onder brandmeester van de eerste brandspuit;
  • Felix Josens, onder brandmeester van de tweede brandspuit;
 
  • Helpers voor de eerste brandspuit:
      • Henricus Van Nerum
      • Henricus Stockmans
      • Jan Baptist Stockmans
      • Henricus Ausloos
      • Jan Baptist Lodewyckx
      • Engelbertus Schoemans
      • Jacobus Huens
      • Petrus Stockmans
 
  • Helpers voor de tweede brandspuit:
      • Philippus Sweerts
      • Jan Beetens
      • Petrus Medaers
      • Lambertus Stockmans
      • Jan Baptist Taverniers
      • Paulinus De Kinder
      • Guilielmus Stockmans
      • Henricus Brieven

In totaal 21 man, allen wonend in het centrum van Hoegaarden, op of rond de ‘Plek’, wat ons sterk doet vermoeden dat het materieel van onze pompiers opgeslagen stond in een remise van het Arendsnest, de paradijshoeve, de hoeve Vandermolen (hoek Doelstraat-Gasthuisstraat), ofwel onder de toren in de kerk! Het gemeentehuis dat nu het centrum van Hoegaarden siert is pas in gebruik genomen begin 1834.

 

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

Bronnen en citaten[+]