Ga naar de inhoud

203. Visioenen van een genie Jheronimus Bosch

Bij de grote Jeroen Bosch (1450-1516 ) tentoonstelling  in ’s Hertogenbosch: Jheronimus Bosch en de drankzucht van de kanunniken van Sint Jan. (Jeroen Savelkouls 21 februari 2016) .

Over de herkomst van de wonderlijk wezens op de drieluiken van Jheronimus Bosch zullen we wel nooit volledige duidelijkheid krijgen. Maar waar de laatmiddeleeuwse schilder de inspiratie vond voor het afbeelden van op geld en drank beluste geestelijken, onder meer op De Hooiwagen en Het Narrenschip, is niet moeilijk vast te stellen. Want terwijl de armoede onder bevolking van ’s-Hertogenbosch steeds nijpender werd, verzette het kapittel van Sint Jan zich vanaf halverwege de vijftiende eeuw ruim honderd jaar met hand en tand tegen nieuwe belastingen op bier en wijn. En Bosch kende de hoofdrolspelers zeer goed.

Wanneer Jheronimus Bosch rond 1450 wordt geboren, is de wereld om hem heen in beweging. Hoewel niemand kan vermoeden dat ruim een halve eeuw later het westerse christendom uiteen zal vallen, zijn de eerste tekenen dan al zichtbaar. Steeds vaker klinkt er kritiek op de mannen van de kerk, die zich daardoor genoodzaakt voelen in de tegenaanval te gaan. Zo ook in ’s-Hertogenbosch. Als het stadsbestuur probeert zijn lege schatkist aan te vullen door een bijdrage te vragen van het kapittel, ontstaat een ruim honderd jaar durend gevecht. Archiefstukken laten zien dat de Bossche kanunniken weinig middelen onbeproefd laten om de strijd in hun voordeel te beslechten.

Directe aanleiding voor het conflict is de ramp die ’s-Hertogenbosch op 13 juni 1463 treft. In het huis De Groote Ketel aan de Verwersstraat laat een lakenverver een brand ontstaan, die een groot deel van de stad in lichterlaaie zet. Het vuur kan zich razendsnel verspreiden, omdat de meeste huizen zijn bedekt met riet in plaats van steen. Kort nadat de vlammen zijn gedoofd, nemen de Bossche schepenen daarom een kordaat besluit: voortaan moeten alle gebouwen worden voorzien van ‘leyen, tychelen oft andere harden daken’. Voor de financiering wordt een beroep gedaan op het machtige kapittel van Sint Jan.

Maar de kanunniken geven niet thuis. Met een verwijzing naar hun eeuwenoude vrijstelling van belasting op verbruiksgoederen, weigert het kapittel een nieuwe bieraccijns te betalen. De kwestie leidt tot een rechtszaak, die zes jaar later in het voordeel van de geestelijken wordt beslist: zij mogen ‘brouwen ende bier van buyten doen comen’ zoals zij dat tot dan toe hebben gedaan, vrij van accijns dus. Een gevoelig verlies voor de schepenen, die door economische tegenspoed en hoge hertogelijke beden steeds verder in de problemen raken. Ondertussen nemen ook de noden van de bevolking toe met als gevolg dat in 1477 een groep ambachtslieden het raadhuis bestormt en tijdelijk de macht overneemt.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016