Ga naar de inhoud

Drie zussen begijntjes uit Outgaarden

Van de 12 kinderen van Jan Karel Lebegge (Outg. 10.11.1719-14.09.1794) en Anna Marie Theresia Nijs (Outg. 02.02.1724-06.04.1800) werden de drie jongsten begijn in het Tiense begijnhof

  1. Lebegge Jan Norbert (Outg. 12.11.1745-27.11.1745)
  2. Lebegge Filip Nicolas (Outg. 05.11.1746-02.11.1816, werd priester, overleed als ‘ex-religieux’, 69 j.
  3. Lebegge Maria Theresia (Outg. 18.12.1748) x Loriers Godefroid
  4. Lebegge Joanna Jacoba (Outg. 22.10.1750-13.07.1753)
  5. Lebegge Hendrik Bartholomeus (Outg. 24.08.1752-01.07.1753)
  6. Lebegge Anna Maria (Outg. 05.06.1754)
  7. Lebegge Hendrik (Outg. 05.09.1756)
  8. Lebegge Maria Elisabeth (Outg. 07.02.1759) x Lebegge Jan Baptist
  9. Lebegge Maria Anna Josepha (Outg. 23.05.1761) x Everard Nicolas
  10. Lebegge Maria Philippine (Outg. 18.02.1764-Tienen 16.11.1746)
  11. Lebegge Maria Catharina Deodata (Outg. 08.03.1767-Tienen 09.04.1855)
  12. Lebegge Maria Carolina (Outg. 21.09.1769-Tienen), begijn alle drie
De begijnhof- Kerk of Paterskerk 1975

Tienen: De begijnhofkerk of ‘Paterskerk’ vóór de brand van 22.09.1976; de ruïne is in 1997 ingericht als wandelpark.

Een begijnhof was een wereld op zich. Dit kwam doordat deze hoven aan de stadsrand gelegen waren en ook ommuurd waren. Begijnen waren godvruchtige vrouwen, wonend in aparte woningen maar verenigd in een gemeenschap. Ze waren aan een mystieke regel onderworpen, maar vormden geen kloosterorde. Wel droegen ze specifieke kleding, kwamen weinig buiten hun muren en betaalden belastingen, omdat ze niet onderworpen waren aan de gelofte van armoede. Verder onderwierpen ze zich aan het gezag van hun oversten, de zogenaamde regentessen of grootjuffrouwen. Wat ze bezaten, behielden ze zolang ze leefden.

Vermoedelijk werd het begijnhof rond 1240 gesticht. Zeker is dat al in 1245 de bouwwerken aan hun kerk startten. In 1250 zegende een hulpbisschop deze in aanbouw zijnde kerk in. Door verscheidene schenkingen vergrootten de begijnen gaandeweg hun domein. Enkele oude bronnen zeggen dat de gemeenschap al snel groeide naar 300 begijnen. In 1754 bestond het Begijnhof uit 57 huizen, naast het gemeenschappelijk Convent, de Infirmerie en het ‘Contoir’. Opvallend was dat veel begijnen van goede afkomst waren. Maar dat was niet noodzakelijk.

Tijdens de Franse revolutie werd het begijnhof afgeschaft en kwamen de goederen in handen van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen. In 1823 waren er nog slechts 27 begijntjes overgebleven. Sommigen gaven onderwijs aan arme meisjes. Bij bombardementen in 1944 werden de meeste huisjes van het begijnhof vernield.

In 1843 verkocht de Commissie der Burgerlijke Godshuizen (een voorloper van het huidige OCMW) de Begijnhofkerk en de aanpalende gebouwen aan de paters dominicanen, die het geheel omvormden tot een klooster. Dat de paters erg geliefd waren, merken we aan het feit dat de Begijnhofkerk bij de Tienenaars nog altijd bekend staat als de ‘Paterskerk’.

De Paterskerk anno 2020

Merkwaardig is dat de Tiense begijnen met Kerstmis recht hadden op een ‘toteman’ (een langwerpig koekgebak met rozijnen, dat kinderen te Hoegaarden ook kregen (en misschien nog krijgen?) op 25 december.
Doorheen het jaar waren er nog meer gelegenheden waarop specialiteiten werden uitgedeeld, maar daarover handelen we in ons volgend nummer, waarin we naast de leefregels van de begijnen ook een lijst van Hoegaardse begijnen zullen publiceren.

een ‘toteman’ (een langwerpig koekgebak met rozijnen, dat kinderen te Hoegaarden ook kregen

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017