Ga naar de inhoud

Vijfhonderd jaar Goropius Becanus (1519-2019)

Goropius Becanus, de humanist die graag ‘Hoegaarden’ dronk.
Johannes Goropius Becanus

Op 23 juni 1519 werd op Gorp bij Hilvarenbeek een jongen geboren, die later in Europa beroemd zou worden als arts en taalkundige. Hij heette als kind eenvoudig Jan, maar ging na zijn studie door het leven als Johannes Goropius Becanus.
Na de Latijnse school in ’s Hertogenbosch ging hij met 19 jaar Artes studeren in Leuven, een jaar later aan het Drietalencollege (Hebreeuws, Grieks en Latijn) en daarna Geneeskunde. Hij werkte daarna o.a. als stadsarts in Antwerpen.

Becanus werd lijfarts van de twee zussen van Karel V, Eleonora van Frankrijk en Maria van Hongarije. Hij was een erudiet en bekwaam geneesheer en kruidenkenner. Maar hij was toch meer een filosoof en taalkundige dan een dokter voor het volk.

Becanus schreef een megawerk over de geschiedenis van zijn stad Antwerpen, en over het Diets als oudste taal. In 1569 week hij uit naar Luik vanwege het mildere politiek-godsdienstige klimaat. Hij stierf in 1573 – als een vermogend man – in Maastricht waar hij ook is begraven. 

Bij het grote publiek is Goropius Becanus bekend om zijn theorie, gebaseerd op de taal die in de Antwerpse Kempen werd gesproken, dat het Aards Paradijs in deze contreien moet hebben gelegen. De geleerde is vaak bespot om zijn hersenspinsels, maar als taalwetenschapper geniet hij vandaag de dag nog aanzien. 

Voor ons Hoegaardiers is Goropius Becanus vooral bekend om de lofzang die hij afsteekt op het Hoegaardse bier in 1559.

Johannes Goropius Becanus (1519-1572): koos voor het bier van Hoegaarden

“Niets is meer geschikt dan dit heerlijke bier om de sombere nevels uit het hoofd te drijven, om op te wekken tot vrolijkheid, om dichterlijkheid en liefde in te blazen en om wijn te vervangen”.

Daarmee was hij het Antwerps kroegenboek van ca 1580 ver vooruit dat ook in die zin de loftrompet steekt over het bier dat uit Hoegaarden komt. Nochtans heft de stad Antwerpen dan een zeer hoge taks op de Hoegaard, maar de kwaliteit is veel beter dan de plaatselijke en andere bieren. Alleen de Duitse en Engelse importbieren zijn van nog betere kwaliteit in de 16de eeuw.

Trouwens al in de Beschrijvinghe van alle Neder-Landen heeft de Italiaans L. Guicciardini het in 1507 over “het schoon dorp van Hoegarden daer seer goedt bier ghebrouwen wordt grootelijck vermaert ende al dese landen door verbreydt ende gedroncken als eenen uytnemenden goeden dranck.”

Terwijl Keizer Karel het opnam voor de Hoehgaardse wijn

Rond 1550 zal vanuit de kanselarij van Keizer Karel een mandement uitgaan waarbij de Hoegaardse trafiek van wijn voortaan heel wat vlotjes en met veel minder taksen en tollen zal verlopen. Aanleiding was het aanslagen van belangrijke hoeveelheden Hoegaardse wijnen door al te ijverige Brabantse tolambtenaren. Hoegaarden was immers een enclave van Luik, maar was soldatendienst verschuldigd aan Brabant!

Door tussenkomst van de keizer wordt het transport niet alleen vrijgegeven en, maar worden de Hoegaardiers ook vrijgesteld van tollen en taksen, op een kleine uitzondering na. Heel de verdere geschiedenis door zullen die van Hoegaarden blijven profiteren van deze keizerlijke gunstige tussenkomst van 1550.

En de Hoegaardse uitvoer van wijn en naderhand van bier was voor de normen van de tijd zeer groot. Tot het midden van van de 16de eeuw varen boten met wijn van Hoegaarden vanuit Leuven en Mechelen de rivieren af naar Antwerpen en Bergen-op-Zoom.

Tussen 1509 en 1571 wordt te Leuven van 0.1 tot 2.9 liter Hoegaardse wijn gedronken per hoofd van de bevolking op een totaal verbruik aan landwijnen varierend tussen 6.8 en 11.55 liter.

In 1575/76 zou de inwoner van Diest zelfs 6.5 liter Hoegaardse landwijn drinken op een totaal verbruik van , jawel 6.5 liter!
Ook al kost de Hoegaardse wijn 20 florijnen per aam in het begin van de 17de eeuw, de productie is sinds het laatste kwart van de 16de eeuw fel verminderd. In 1582 wordt melding gemaakt van 52 percelen lant voertijts wijngaert. Deze 6 bunder en 3 dagmalen vertegenwoordigen meer dan de helft van de toen nog bestaande wijngaarden.

De vina Hugardica, de hugaerder, zoals hij in de documenten afwisselend wordt genoemd was van betere kwaliteit dan de courante zerpe, rinse landwijn, dankzij rijping op zonnige zuidelijke hellingen en het geschikte micro-klimaat. Het was een van de beste witte landwijnen. De abdij van Averbode betrok haar wijn uit Testelt en Hoegaarden naast Franse wijn en een voorraad uit het Rijnland. Zelfs rode Hoegaardse wijn wordt in 1507 te Leuven geschonken.

De Hoegaardse brouwers plantten zelf hun hop sinds de 15de eeuw. In de 16de hadden alle regelmatige en sporadische brouwers hun hoptuin.

Meer en meer uitvoer maakte dat in de 16de eeuw de bieren genoemd werden naar hun plaats van herkomst. Leuvens, Diesters en Hoegaards waren de meest courante bieren van de eeuw. Het is ook in deze 16de eeuw dat de brouwersgilde is ontstaan. Rond 1560 verenigden de Hoegaardse brouwers en wijnboeren zich om samen op te treden tegen de volgens hen zware tolrechten die moesten betaald worden op de doorvoer van de Hoegaardse dranktransporten.

Prinsbisschop Gerard van Groesbeek geeft hen plechtig statuten in 1571. De gilde verwerft hiermee een aantal privilegies waaronder het recht om een aantal openbare ambten in het bestuur van de Vrijheid Hoegaarden te bezetten.. In 1615 zullen de statuten aangevuld worden. Als vergaderlokaal van de brouwersgilde doet in 1582 ’t cabaret over den Cruysblock (nu ’t Nieuwhuys, omdat de zaak kort erna afbrandde en in 1620 heropgebouwd werd).

En wat deden de Hoegaardiers zelf in die 16de eeuw? 

Ze schakelden over van de wijn naar het bier, de wijnproducenten werden bierbrouwers!

De huidige perikelen omtrent de klimaatverandering doen denken aan het midden van de 16de eeuw met zijn ‘kleine ijstijd’ en … ongunstige periode voor het verbouwen van wijn!

Goropius schreef een Origines Antverpianae een ontstaansgeschiedenis van de stad Antwerpen waarin hij beweert dat Adam en Eva Antwerps spraken. Tot deze en andere conclusies komt hij door aan taalkunde te doen, meer bepaald door de oorspronkelijke betekenis van de woorden te verklaren.

De etymologie (de woordafleidkunde)

Maar de etymologie (de woordafleidkunde) was nog niet wetenschappelijk onderbouwd ( dat gebeurde pas in de 19de eeuw), zodat de uitleg van Goropius behoort tot het genre dat wij nu volksetymologie noemen. Zijn geleerde tijdgenoten konden hem trouwens op dit vlak ook niet smaken. Op zijn best werd hij beschouwd als een geniale gek. Maar omdat hij talen onderling vergeleek (hij was een taalgenie) om te komen tot een gemeenschappelijke bron, was hij wel een vernieuwer. Alleen had hij teveel fantasie.

Gete [1] 

Het voedsel van de Atuatici werd volgens Becanus langs de Gete vervoerd naar Mechelen en Antwerpen. Aan dat voedseltransport zou de rivier haar naam ontleend hebben. Immers, aldus Becanus, de naam is niets anders dan tot Gete afgezwakt Ge-tas, met de betekenis ‘geeft voedsel’, van geven en as (voedsel, ‘aas’) 

(Origines p. 91: Hinc & fluvius nomen accepit ab alimentis subministrandis, quae per ipsum deuebuntur. Nam Ge-tas, nullius elementi mutatione, idem significat, qoud Latinis. Dat alimentum, quod nomen vulgus, vti cetera pleraque omnia, Get, adempta posteriore syllaba, pronuntiat.)

Hoegaarden De naam bestaat uit ho ‘hoog’ en gaard en betekent ‘hoge boomgaard’

(Origines p. 90: Hogardum, cuius nomen vernacula lingua altum pomarium significat.)

Tienen: Door wegvallen van de -d- ontstond Tienen uit ‘tienden’, (de bekende belastingterm).

Ook al zijn het onzinnige verklaringen of etymologieën gebaseerd op vage klankgelijkenis, wilde fantasie, gegoochel met lettergrepen, enz., toch is er enig begrip en waardering voor, mede gezien de tijd waarin hij schreef. Hij gebruikt wel een fundamenteel correcte methode: bij zijn toponymische verklaringen beschouwt hij immers zowel het taalkundige als het topografische aspect.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-216-55ste-jaargang-3-2019

Bronnen en citaten[+]