Ga naar de inhoud

217. Alpaidis 217: Bijnamen als gemeengoed

Bijnamen waren eertijds gemeengoed

Bernard Roelans (Retten Cadul)

Een voorbeeld (1796) om duidelijk te maken dat bijnamen eertijds gemeengoed waren Bernard Roelans genaamd ‘Retten cadul’ was voor diefstallen en ‘brigandages’ voor de vrederechter en gerechtelijke politie van Hoegaarden [1]  veroordeeld en moest naar gevangenis te Jodoigne.

Hij was al eens veroordeeld tot 50 jaar ballingschap uit het Land van Luik en graafschap Looz in 1788 … maar blijkbaar was hij vlug terug of nooit vertrokken!

Nu heeft hij bijna drie jaar na het terugtrekken van de Franse troepen van Dumouriez gestolen bij Jean Pierre Kempinaire te Hoegaarden. Het ging om twee kapstokken en vijf pistolen van de Franse Jagers te Paard, die er logeerden. En in de paardenstal van Kempinaire waren er ook nog waardepapieren ontvreemd!

Rond dezelfde tijd heeft ‘Retten cadul’ een koperen marmiet gestolen bij Antoine Feverst, ook te Hoegaarden, waarvan hij zegde ze gevonden te hebben. En van de vrouw van Jean Smeyers stal hij een paar zilveren oorringen waarvan hij zei ze betaald te hebben. Uiteindelijk hebben tijdens de nacht van 23 of 24 februari 1796 dieven willen inbreken bij landbouwer Vanhagendoren te Rommersom langs drie ramen. Twee ramen hebben ze ernstig beschadigd. ‘Retten cadul’ krijgt uiteindelijk 2 jaar cel.

Wat geschiedenis

Een Romeinse naam bestond uit twee of drie delen. Soms kwam hierbij nog een vierde deel, een agnomen die men op basis van persoonlijk eigenschappen of verdiensten tijdens zijn leven kreeg.

Bij de Romeinen was het de gewoonte een geslachtsnaam (nomen gentile) te voeren na de voornaam (praenomen), later uitgebreid met een eigenlijke familienaam (cognomen, die een onderdeel is van de traditionele Romeinse naam).

De Romeinse voornaam (praenomen) was weinig fantasierijk. De meeste gezinnen kozen uit zo’n 20 traditionele namen, waaronder Gnaeus, Lucius en Marcus, en getallen als Quintus (vijfde) of Sextus (zesde) [2] 

Het agnomen, de letterlijke vertaling van bijnaam en de vierde naam die iemand kon krijgen, mag niet verward worden met een cognomen.

Een cognomen is een bijnaam die gegeven wordt aan een bepaalde tak van een geslacht (gens), zoals Caesar voor misschien wel de beroemdste tak van de gens Julia. Een agnomen kreeg men op basis van persoonlijke verdiensten en niet bij de geboorte zoals een cognomen. 

Publius Cornelius Scipio Africanus [3] , behaalde een overwinning in Afrika en dankt daaraan zijn agnomen ‘Africanus’. Quintus Fabius Maximus Cunctator, was een dictator die voortdurend twijfelde (cunctator=de twijfelaar); Nepos (de verkwister); Pius (de vrome) ….

In de christelijke samenleving van de middeleeuwen was de doopnaam de enige die van wezenlijk belang was. Deze voornaam die in het Engels nog steeds ‘christian name’ heet, was echter weldra onvoldoende om personen van elkaar te onderscheiden.

Daarom raakte meer en meer de verwijzing naar de afstamming in gebruik: aan de doopnaam werd de voornaam van de vader toegevoegd.
Die zogenaamde vadersnaam treffen we tegenwoordig nog steeds aan in een zeer groot aantal familienamen: Jan, zoon van Peter, werd Peterssone, later Jan Peeters.
Soms waren de voornamen afgekort of zijn ze door ons minder gekend zodat het patronymicum ons nu minder opvalt. Denk maar aan de populaire apostelnaam Jacob, die vaak werd afgekort tot Coppen. Dan is het duidelijk dat ook Coppens een vadersnaam is. 

Naarmate de samenleving evolueerde, nam het belang van de vadersnaam meer en meer af en werd in de naam verwezen naar de plaats van afkomst (van Diest, van Leuven, van Keulen, van den Bosch), naar een beroep (De Wever, De Volder, Timmermans, wat zoon van een timmerman betekende), naar lichaamskenmerken (De Groote, De Cleyn, De Langhe) en naar goede of slechte eigenschappen (De Rijke, Quagebuer).
De meeste Vlaamse en Brabantse stedelingen hadden rond 1600 al de thans gebruikelijke familienaam.

Een beschrijvende naam werd oorspronkelijk toegevoegd aan de doopnaam, de voornaam of de familienaam. De bijnamen kunnen onderverdeeld worden in drie groepen: de beschrijvende bijnamen, de metaforische en de metonymische bijnamen Beschrijvend is ‘de kleine’
Metaforische namen beschrijven een psychische of fysieke staat van iemand. Die metafoor is vaak afgeleid van een dier. Krekel, kan gevoegd worden bij de voornaam van iemand die altijd goed gezind is; een sluw persoon zou de nam Vos kunnen krijgen en een Beer kan staan voor een sterke man
Metonymische bijnamen zijn afgeleid van soortnamen (Paard voor een ruiter), kunnen een lichamelijk kenmerk belichten (Baard voor iemand met opvallend gezichtshaar), een lichaamsdeel dat in het oog springt (De Vuijst), of kleding (Schoonrok).

De Romeinen toonden zich in het geven van bijnamen niet altijd even fijngevoelig en men had kennelijk een voorkeur voor wat betreft lichamelijke of geestelijke kenmerken of gebreken. Voorbeelden zijn Agricola (boer, landbouwer), Aehenobarbus (roodbaard), Bestia (beest, dier), Blaesus (lispelend, stamelend, Brutus (onnozel, stompzinnig),
Cicero (grauwe erwt), één van de voorvaders had een erwtvormige wrat op het gezicht (cicer = erwt); Nero (mannelijk), Tacitus (zwijgend), …

Voorbeeld van een Hoegaardier die voortleeft in den vreemde

Op zondagavond 17 december 1797 rond 10 uur werd op de Grote Plaats te Hoegaarden nog eens de Franse vrijheidsboom omgehakt.

Twee personen werden aangehouden, namelijk de 20-jarige Petrus Sweerts uit Rommersom en de 21-jarige François Van Nerum uit Hoegaarden; zij werden 4 dagen later door vrederechter Putzeys tot 9 maanden gevangenisstraf en tot terugbetaling van de aangerichte schade veroordeeld.

In september 1798 keerden Petrus Sweerts en François Van Nerum weer, hun straf was uitgezeten. Op dat ogenblik was echter de wet op de conscriptie uitgevaardigd waardoor zij zich voor verplichte krijgsdienst moesten melden.

Beiden verlieten het dorp en Sweerts zag men er nooit meer terug. Hij vertrok noordwaarts en vestigde zich uiteindelijk als ‘kolonist’ in de landkreis Emsland in de Duitse deelstaat Nedersaksen;

Nakomelingen wonen tot de dag van vandaag op de plaats waar Peter als ‘kolonist’ met zijn echtgenote een boerderij kocht in 1813. Het echtpaar had vooral vrouwelijke nakomelingen en de afstammelingen vandaag, de familie Lüken, wordt nog altijd in het Platduits ‘Peiters’ genoemd, benaming die teruggaat op Pieter Sweerts

En drie voorbeelden uit de 20ste eeuw:

Henri Dotremont
Pierre-Henri Dotremont ©Hoegaardserfgoed.be

Henri Dotremont (1853-1926), was liberaal burgemeester van 1906 tot aan zijn overlijden in 1926. Hij was landbouwer en jeneverstoker én veearts; zijn bijnaam was ‘de piqueur’, verwijzend naar zijn beoefening van de veeartsenijkunde.
De man was Franstalig en sprak alleen gebrekkig Vlaams in uiterste noodzaak; het was zelfs zo dat de gemeenteraadsverslagen door de secretaris in het Frans werden genotuleerd, waardoor men als uitslag bij een stemming zinswendingen kan lezen als:
‘..on a voté sept fois ja et deux fois neen’; en vermits hij als veearts nogal gemakkelijk een spuitje toediende, kreeg hij de bijnaam ‘de piqueur’, afgeleid van het Franse woord ‘piqûre’.

Bakker Swinnen

De bakkerij en de bakkers Swinnen dragen de bijnaam ‘petrol’. Benny Swinnen is de laatste geweest in de rij en hij stopte in 2016 bij gebrek aan opvolging. Wij laten hemzelf aan het woord in 2011 bij de 90ste verjaardag van de bakkerij:

Rue Arthur Putzeys ©Hoegaardserfgoed.be

“In wezen bestaat de bakkerij al wel 120 jaar, want het verhaal start in 1892 met mijn overgrootmoeder Julie Vangramberen, die haar oven openstelde voor de buren, en zo dienst deed als loonbakker.
Maar het was mijn grootvader Armand Vanhulst die de bakkerij officieel  startte op het Gemeenteplein.
Julie Vangrambesen had haar winkel aan de Tiensestraat, en zij maakte toen al “tattepoeme” de appelflappen met de overschot van het vlaaiendeeg bij de kermis.

Het was haar vader die aan de basis lag van de bijnaam van de bakkerij, namelijk “Petrol“.

Rond 1900 was er een drooglegging en mocht er geen alcohol verkocht worden. De vader van Julie Vangrambesen verkocht in die tijd petroleum in kruikjes. In de cafés gebruikten ze zijn kruikjes om stiekem jenever te schenken.

Vader Vangrambesen was dol op jenever en vroeg steeds ” een petrolleke“. De bakkerij wordt bij de oude Hoegaardiers nog altijd aangeduid als bij “Petrol“.

Matheessens Jean Charles

De heer Matheessens, door velen ‘de bawet’ genoemd woonde naast Alice van Koubeke Pit

Gouden Jubileum 1950 ©Hoegaardserfgoed.be

Gouden huwelijksjubileum 1950
Matheessens Jean Charles (Antwerpen 25.02.1877-Hoeg. 1955), natiebaas, x Hoeg. 29.05.1900 Debroeck Marie Rosalie Adrienne (Hoeg. 30.10.1873),


Links zijn broer met nog langere baard (woonden oud-huis Tuur Van Nerum)

Heil, Driemaal Heil aan bruidegom en bruid (bawet = bavette, slaat op de baard!!)

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-217-55ste-jaargang-4-2019

Bronnen en citaten[+]