Ga naar de inhoud

219 School voor meisjes

De zusters leidden de eerste gemeentelijke lagere school voor meisjes (1854-1877)

De zusters verhuizen definitief naar Hoegaarden in 1820. In Tienen behouden ze alleen hun externaat. Het meisjes pensionaat komt samen met de communauteit naar Hoegaarden. Al wordt de gemeenschap pas een congregatie bij de definitieve erkenning van de kloosterregel in 1835, de zusters richten het oude klooster in en bouwen accommodatie voor een internaat en een externaat tussen de aankoop en 1833.

Gratis onderwijs geven ze aan de arme meisjes dankzij de opbrengsten van de betalende leerlingen; een lokaal wordt daarvoor gebouwd in het domein langs de Vroentestraat.

Armenschool - Gemeenteschool voor meisjes ©Hoegaardserfgoed.be

De onderwijskracht van dit vrije externaat heeft als inkomsten de bijdrage van de ouders, regel die trouwens ook van toepassing is in de gemeentelijke jongensschool.
De zusters geven ook catechismuslessen aan de arme christene moeders en weduwen en ze houden een zondagsschool voor de vrouwelijke en mannelijke jeugd op verschillende uren. Om de aanwezigheid te stimuleren krijgen de moeders en weduwen een half brood mee naar huis en de jeugd gewoonlijk een muntstuk.

Een van de eerste zusters die ingeschakeld was als onderwijskracht in de armenschool was Marie-Anne Nerinckx, afkomstig van Ninove waar deze dame op 19 oktober 1773 werd geboren als dochter van Sebastien Nerinckx en Petronille Langendries.

Na jaren inzet in Londen was ze sinds 1832 actief te Hoegaarden waar ze intrad in het klooster, geloften aflegde in 1835 en zich als zuster Ignace bekommerde om de arme meisjes onderwijs en christelijke opvoeding te geven zoals haar bewaard gebleven doodsprentje getuigt.

Dokter Sebastiaan Nerinckx trouwde te Herfelingen met Petronilla Langendries. Zij hadden 14 kinderen waarvan de eerste geboren werd te Herfelingen en de anderen te Ninove, plaats waar het echtpaar woonde vanaf 1762.

Hun eerste kind Charles (Herfelingen 1761 – Ste. Genevieve 1824) was missionaris in de Amerikaanse staten Kentucky en Missouri. In 1785 priester gewijd werd hij onderpastoor van de Sint-Rombouts kathedraal te Mechelen en daarna pastoor in Everberg en Meerbeek. Hij ontsnapte aan arrestatie onder het Franse bestuur en kwam uiteindelijk in 1804 aan in de Verenigde Staten waar hij parochies stichtte en kerken bouwde. In 1812 stichtte hij de orde van de zusters van Loretto met als eerste doel een netwerk van katholie ke scholen uit te bouwen in Kentucky.

Peter Jozef Nerinckx (Ninove 1763-1796) vond zijn roeping bij de broeders van Liefde.

Jan Hendrik Nerinckx (Ninove 1776-Londen 1855) werd op 15-jarige leeft ijd al kapucijn in Scherpenheuvel. Aangehouden en gedeporteerd onder het Franse bewind kon hij ontsnappen en in 1799 landde hij in Liver pool. Vandaar kwam hij in Londen terecht bij de Franse en Belgische priesters in ballingschap. Geholpen door zijn zus Marie-Anne Nerinckx richtten zij in Somerstown (Londen) onderwijs in voor de arme kinderen. In 1830 komt zij terug naar België en zal zij in 1832, op 59-jarige leeft ijd novice worden bij de zusters in Mariadal. Marie-Anne was ook één van de twee zussen die speciale weldoeners waren van de zusters van Loretto door haar broer gesticht.

Van de dochters waren er drie, wellicht vier die kloosterlinge werden.

C.P. Maes, The life of Rev. Charles Nerinckx, Cincinnati, 1880, p. 1-10
W.J. Howlett, Life of Rev. Charles Nerinckx ,Illinois, 1940 [footnote] Gemeenteraad Hoegaarden 03.05.1824. De vragenlijst van 10 april van de koninklijke commissaris van het arrondissement Leuven 2de afd. nr. 7478 over het ware bestaan van de scholen en de behoeften van onderwijs [/footnote], p. 28 en 432

Toestand van het onderwijs te Hoegaarden in 1824

Het begin was een rondvraag naar de bestaande toestand en de noden. De situatie van het lager onderwijs te Hoegaarden staat beschreven in de antwoorden op de vragenlijst toegestuurd aan de gemeenten in 1824.

Antwoorden geformuleerd door de gemeenteraad op de vragenlijst van de koninklijke ‘kommissaris’ van het arrondissement Leuven [footnote] Gemeenteraad Hoegaarden 03.05.1824. De vragenlijst van 10 april van de koninklijke commissaris van het arrondissement Leuven 2de afd. nr. 7478 over het ware bestaan van de scholen en de behoeften van onderwijs [/footnote] 

1/ De gemeente Hoegaarden heeft 5 scholen: 3 in het centrum, één in het gehucht Bost en één in het gehucht Groot Overlaar;

2/ Van die vijf scholen [footnote]Het woord ‘klaslokaal’ zou beter op zijn plaats zijn dan ‘school’[/footnote] zijn er twee eigendom van de onderwijzers (Mariadal en Jacops), worden er twee gehuurd (het schoollokaal van het centrum, tevens woonhuis van de onderwijzer en het schoollokaal van Bost) en is er één eigendom van de kerk van Overlaar (het woonhuis van de koster van Overlaar die tevens de onderwijzer is);

3/ De schoollokalen zijn volgens de enquête allemaal in goede staat met een zitplaats voor elke leerling en de klassen zijn voorzien van de vereiste meubelen en andere behoeften;

4/ Eén school te Hoegaarden is niet genoeg omwille van de grote bevolking en omdat vreemde kinderen er school lopen; maar alles is in goede staat en dus moeten er geen fondsen voorzien worden in de begroting;

5/ Er zijn 4 onderwijzers waaronder de koster van Overlaar en er zijn verschillende leermeesteressen (zusters);

6/ De 4 onderwijzers hebben geen attest van bekwaamheid en zijn alleen gemachtigd om onderwijs te geven door het gemeentebestuur; twee van de leermeesteressen hebben wel een attest van bekwaamheid behaald;

7/ Is het de gemeente of het Bureel van Weldadigheid dat de wedde betaald? Eén onderwijzer krijgt 23 gulden en 62 cent van de gemeente uit de begroting; 3 onderwijzers krijgen elke maand van het Bureel van Weldadigheid 30 cent per kind van de armen dat ze leren lezen en 45 cent als zij leren lezen én schrijven; de leermeesteressen krijgen niets;

8/ Er wordt gevraagd welke de talen zijn en volgens welke methode of leerwijzen men die onderwijst. Het antwoord daarop is dat 2 van de 4 onderwijzers de Vlaamse én Franse taal aanleren en dat zij de kinderen ook leren vertalen van de ene taal naar de andere ; de 2 andere onderwijzers leren alleen de Vlaamse taal aan;

9/ Er zijn in de gemeente 80 jongens en meisjes tussen 6 en 16 jaar die behoorlijk kunnen lezen, schrijven en rekenen (op een bevolking van ca. 3.200 zielen);

10/ Hoeveel kinderen wonen de school bij, zowel jongens als meisjes?

  • In de winterperiode: zijn er 218 betalende en 51 gratis leerlingen in de klassen;
  • In de zomerperiode: 132 betalende leerlingen en geen enkele gratis.

De zusters geven daarenboven gratis onderwijs op zon- en feestdagen voor ongeveer 200 personen zo meisjes als jongens.

De leerlingen ingeschreven in de armenschool van de zusters 1843-1844

[footnote](4) AAM, Onderwijsverslagen, voor dat schooljaar is er ook de lijst van de internen bij de zusters, de leerlingenlijst van de gemeenteschool en de leerlingenlijst van de school van de weduwe Jacops; heel wat namen zijn min of meer fonetisch genoteerd, voor een aantal kinderen hebben we de juiste schrijfwijze achterhaald en ook de geboortedatum weergevonden.[/footnote]

Boets Elisabeth (Hoeg. 18.06.1834)
Brasseur Antonia (Hoeg. 22.10.1832)
Christiaens Constantia (Hoeg. 26.02.1836)
Decock Elisabeth (Hoeg. 25.09.1833)
Dewaer Regina
Dewaer Theresia (Hoeg. 08.11.1834)
Dupont Barbara (Hoeg. 16.06.1834)
Dupont Judith (Hoeg. 26.04.1837)
Dupont Rosalia (Hoeg. 01.02.1839)
Faisan Rosalia (Hoeg. 26.02.1833)
Flawinne Barbara
Gasia Barbara (Hoeg. 19.10.1840)
Govaerts Josephina (Hoeg. 08.08.1837)
Govaerts Melania (Hoeg. 28.03.1834)
Haine Josephina (Hoeg. 26.05.1834)
Jubin Barbara
Jubin Cecilia
Jubin Elisabeth (Hoeg. 15.06.1838)
Lahaye Philippina (Hoeg. 16.04.1834)
Lahaye Victorina (Hoeg. 25.03.1837)
Lahaye Virginia (Hoeg. 21.09.1836)
Lebegge Maria (Hoeg. 21.05.1836)
Laurent Elisabeth (Hoeg. 22.03.1833)

 

Massart Constantia (Hoeg. 24.03.1834)
Michel Joanna (Hoeg. 20.05.1833)
Paenhuys Florantia (Hoeg. 29.12.1834)
Peeters Elisabeth (Hoeg. 06.04.1838)
Peeters Julia (Hoeg. 11.02.1836)
Peeters Maria (Hoeg. 18.05.1841)
Peeters Paulina (Hoeg. 07.11.1832)
Rotti Gertruda (Hoeg. 28.02.1837)
Routaers Emelia
Schoensetters Virginia (Hoeg. 23.03.1833)
Schuermans Melania (Hoeg. 04.09.1835)
Smeyers Florantia (Hoeg. 06.02.1834)
Smets Cecilia (Hoeg. 01.09.1834)
Stockmans Catharina (Hoeg. 26.11.1833)
Stockmans Rosalia (Hoeg. 05.05.1834)
Torsin Cecilia (Hoeg. 15.12.1834)
Vandermolen Theresia (Hoeg. 17.09.1838)
Van Ex Theresia (Hoeg. 27.09.1832)
Vanham Francisca (Hoeg. 06.01.1831)
Vanham Josephina (Hoeg. 17.05.1833)
Vanley Cecilia
Van Mol Maria (Hoeg. 19.11.1832)
Vanseems Catharina

De vrije katholieke zondagsschool die ontstaan was na het Concilie van Trente (1545-1563) in de periode van de contrareformatie was in de Franse tijd verdwenen. Tegen het einde van de Franse periode en onder het Hollandse bewind startten ze opnieuw op. Het zijn de zusters die ze na hun aankomst in 1820 of kort daarna terug leven inblazen te Hoegaarden.
Wat er naast catechismusonderricht aan onderwijs werd gegeven kan men voor de intellectuele ontwikkeling van haar publiek bezwaarlijk van groot belang beschouwen. Elementair lezen, schrijven en rekenen was het maximum dat er geboden werd naast de catechismuslessen.
Maar de zusters zagen verder en begonnen al direct naast catechismuslessen voor de christene moeders ook zondagsschool te geven aan jongens zowel als aan meisjes.

Bij de vestiging van de zusters te Hoegaarden verkeren wij in volle Hollands Bewind (1815-1830).
Op pedagogisch vlak evolueert het hoofdelijk onderwijs tot gelijktijdig klassikaal onderwijs.
De zusters gaan examens afleggen en krijgen in 1823 statuten goedgekeurd: de ‘Statuts de la Société des Maîtresses d’Ecole établie dans la commune d’Hougaerde Arrondissement de Louvain, Province du Brabant Méridional’.
Zij werden goedgekeurd door de aartsbisschop van Mechelen en naar Willem I gezonden.

De beginperiode van de Belgische onafhankelijkheid wordt algemeen beschouwd als een nefaste tijd voor het lager onderwijs. De Nederlandse wetgeving was niet meer van kracht en artikel 17 van de Belgische grondwet van 7 februari 1831 garandeerde de totale vrijheid van onderwijs. Die vrijheid was trouwens al bij besluit van 12 oktober 1830 door het Voorlopig Bewind afgekondigd.
Iedereen mocht scholen oprichten en besturen: staat, gemeente, bisschoppen, geestelijke orden, afzonderlijke personen .

Het onderwijsverslag van 1832 dat elke pastoor moest opmaken en naar de deken sturen vroeg naar de scholen en hun bevolking in 1830 en in 1832.

Pastoor Sweerts van de parochie Hoegaarden schreef aan de deken dat er begin 1830 drie scholen waren in zijn parochie zonder de scholen bij naam te noemen:

  • één met 30 internen en 20 externe leerlingen
  • één met 100 leerlingen
  • één met 63 leerlingen

in 1832 waren er 5 scholen

  • één met 20 internen en 45 externe leerlingen
  • één met 80 leerlingen
  • één met 67 leerlingen
  • één met 45 leerlingen
  • één met 30 leerlingen

en in de parochie Groot Overlaar [footnote]Parochie Overlaar omvatte naast de gehuchten Groot Overlaar en Rommersom ook het gehucht Bost.[/footnote] was er volgens de gegevens van pastoor Broos één  school met 30 leerlingen begin 1830 en was er in 1832 één school met 35 leerlingen en één met 33 kinderen.

De eerste organieke wet op het lager onderwijs in België van 23 september 1842.

De gemeenten werden verplicht een lagere school op te richten of te onderhouden en de geestelijkheid van haar kant kreeg de gelegenheid toezicht te blijven uitoefenen op het onderwijs. De wet liet toe dat bestaande scholen werden aangenomen door de ge meenten. Zo moesten er geen nieuwe opgericht worden, en daar werd gretig gebruik van gemaakt. Verder stipuleerde de wet gratis onderwijs aan de behoeft ige kinderen (art. 5), de pedagogische opleiding die vereist was voor een benoeming tot onderwijzer (art. 10), de organisatie van conferenties voor onderwijzers (art. 14), de zorg voor kinderbewaarplaatsen, volwassenenonderwijs …  (art. 25).

Pierre De Broek werd tot onderwijzer van de gemeenteschool
benoemd bij MB van 29.08.1843. [footnote]Gemeenteraad Hoeg. 09.09.1843[/footnote] Hij kreeg 106 frank voor 56 jongens die recht hadden op gratis onderwijs.

Het gehucht Hoksem telde 291 zielen en had een armenlijst,
afzonderlijk van Hoegaarden en een privé school gehouden door landbouwer Guillaume Swinnen die voor de arme kinderen schoolgeld kreeg van het Weldadigheids bureel van Hoksem. De gemeente vraagt om het schooltje aan te nemen en te erkennen als geadopteerde school. [footnote]Gemeenteraad Hoeg. 03.02.1844[/footnote]

Swinnen kreeg voor het schooljaar 1844-45 de som van 30 frank
om ook aan 7 arme jongens en 5 arme meisjes onderwijs te geven.

De regering moest voortaan ook driejaarlijkse rapporten over de toestand van het on derwijs voorleggen aan het parlement. Eén van de heikele punten was de kinderen van de arme gezinnen op de schoolbanken krijgen. Bij de discussieronde daarover in de jaarlijkse conferentieweek van de inspecteurs van het onderwijs in 1844 deed een in specteur het voorstel om de steun van het Weldadigheidsbureel (nu OCMW) aan arme ouders in te houden tot zij hun kinderen naar school stuurden! Men ging er algemeen van uit dat onderwijs een grote bijdrage kon leveren tot verbetering van de levenssitua tie van de minder begoeden. Het voorstel werd niet aangenomen!
Om één en ander in verband met de wet van 1842 duidelijk te kunnen stellen had de kerkelijke overheid bij alle pastoors een rondvraag gehouden. Een enquêteformulier moest ingevuld door de pastoor én gedeeltelijk door de deken, waarna heel de zaak in handen van de vicaris-generaal van het bisdom moest belanden.
Op de vraag of er zondagscholen waren in de parochie antwoordde de pastoor dat er een zondagschool was voor weduwen en arme meisjes bij de zusters. En op de vraag naar vrije scholen dat er in het klooster een school was voor externen en ook een voor behoeft ige meisjes. In de winter waren er gemiddeld 20 externen en 70 arme meisjes aanwezig in de klas en in de zomermaanden ook 20 externen maar bijna geen enkel arm meisje.
Er was nog een tweede vrije school voor jongens en meisjes met in de wintertijd 40 jon gens en 50 meisjes en in de zomertijd 30 jongens en 30 meisjes in de klas  [footnote]8 In de gemeenteschool waren alleen jongens toegelaten.[/footnote] . Dat was de school van de weduwe Jacops.

In 1854 werd de school van de zusters officieel de gemeenteschool voor meisjes

In 1852 werd de gemeente nog eens aangemaand door de permanente deputatie en de inspectie om ook een meisjesschool te openen want die was er nog altijd niet. De zusters die al jaren gratis onderwijs verstrekten in hun vrije school aan de arme  kinderen van de gemeente lieten in juli 1852 weten dat ze naast de bisschoppelijke inspectie ook de staatsinspectie wilden toelaten in hun armenschool. Zo werd het probleem van de gemeente opgelost en in 1854 werd de school van de zusters officieel geadopteerd als gemeentelijke meisjesschool. Gemengd lager onderwijs was er normaal niet, tenzij in heel kleine lokaliteiten zoals te Hoksem en Bost.

Anne Elisabeth Depauw (Soeur Agnès) ©Hoegaardserfgoed.be

De zusters kregen op gebied van verloning geen enkele wedde, alleen maar een  toelage voor de arme kinderen die ze onderwezen [footnote]Gemeenteraad Hoegaarden, 09.08.1852 (brief van de zusters 07.07.1852); 02.09.1852 (besluit permanente deputatie); 21.05.1854; 15.06.1854 (arrest permanent deputatie).[/footnote]  .
Voor het schooljaar 1854-1855 was het de eerste keer dat ze 312 frank kregen om ook aan 78 arme meisjes les te geven [footnote]10 de jongensschool 416 frank (104 arme jongens), school te Hoksem 80 frank (voor 15 arme jongens en 5 arme meisjes): het aantal arme kinderen dat recht heeft op gratis onderwijs varieert van jaar tot jaar. 126 jongens en 104 meisjes voor schooljaar 1861-1862: de gemeenteschool van Pierre Debroek 120 jongens; de aangenomen school van de zusters 95 meisjes; Hoksem, plaats vacant: 6 jongens en 9 meisjes.[/footnote] . Zuster Agnes (Marie Anne Elisabeth Depauw) was de onderwijzeres. Ze werd vanaf het schooljaar 1873-1874 opgevolgd door Marie 1Loyola (Marie Josephine Gertrude Claes). In oktober 1877 stuurde de onderwijzeres aan de gemeente een brief om te melden dat de congregatie de aanneming van haar school niet wenste verder te zetten [footnote]Schrijven van 17.10.1877[/footnote]  .

Bijgevolg moest de gemeente zelf een meisjesschool openen en moest er eerst een budget zijn om een geschikt terrein te kopen om die school te bouwen.

Op de gemeenteraad van 10 oktober 1880 werd er gediscussieerd over de openstaande plaats van onderwijzeres die dringend moest ingevuld worden in de nieuw opgerichte meisjesschool van de gemeente. Vermits geen enkele leerling was ingeschreven moest er zo direct geen onderwijzeres benoemd worden was de uiteindelijke conclusie.

Met de tweede organieke wet op het lager onderwijs van 1879 ontbrandt de eerste schoolstrijd in België. Het lesuur godsdienst wordt geschrapt van het officiële lesrooster in de gemeentelijke lagere scholen en kan alleen nog buiten de lesuren gegeven worden en de onderwijzers van de gemeentelijke scholen moeten voortaan niet alleen een diploma behaald hebben, maar dat diploma moet ook behaald zijn aan een officiële normaalschool.
Het positieve van de wet is dat de wedde van de onderwijzer, het casueel inbegrepen, minstens 1.200 Fr moest zijn. De Hoegaardse gemeenteraad stipte aan dat de  wedden van haar onderwijzers en die van de enige hulponderwijzer veel hoger lagen.

De gemeente is ook verplicht om 100 Fr te voorzien voor de persoon die belast is met het laten opzeggen van de godsdienstlessen in de gemeentescholen. Drie van onze onderwijzers krijgen het bedrag reeds. Weemaes [footnote]Melanie Sophie Julie Mathilde Weemaes (Marie Antoine) (Hoeg.- Bost 08.01.1867-Hoeg. 28.07.1900), dochter van Eloi Joseph Weemaes (Kieldrecht 1834), onderwijzer van de gemeenteschool te Bost en van Adèle Julie Lecluyse (Ieper 1840-Hoeg. 1868); hij zal hertrouwen met Anastasie Dewaelheyns (Tienen 1844). Bost was tot en met 1881 een gehucht van Hoegaarden (met uitzondering van de jaren 1796-1820) en was deel van de parochie Groot Overlaar tot 1860.[/footnote] , de vierde onderwijzer, die de school in Bost houdt, weigert godsdienst te geven en er is geen ge schikte persoon gevonden om de lessen over te nemen.

In 1880 was er ook nog altijd geen gemeentelijke bewaarschool.

[footnote]In de eerste helft van de 19de eeuw werd er een particuliere bewaarschool gehouden door Thérèse Lodewijckx (Hoeg. 1796-1850); zij was getrouwd met Pierre Medaers-Meddaerts (Wezeren 1794-Hoeg. 1845), beenhouwer en weduwnaar van Anne Gertrude Lebrasseur; Thérèse Lodewijckx was jongere zus van Anne Catherine Lodewijckx, getrouwd met schoolmeester Pierre Debroek en van François Lodewijckx, winkelier en gemeentesecretaris van Hoegaarden.[/footnote]

Omdat er volgens de gemeenteraadsleden niet genoeg inwoners in het centrum van Hoegaarden woonden en de gehuchten te veraf lagen om kleuters naar een bewaarschool in het centrum te brengen. Daarbij was er geld tekort want de overheid wou in de lagere school 6 klassen: de minister scheen geen rekening te houden met de gehuchten en met het klooster waar er ook klassen zijn en eigenlijk wou de gemeente dat 2 van de toekomstige 6 klassen als turnzaal zouden dienen.

Het schoolreglement 1859-1860 bepaalt dat er minimum 60 dm2 ruimte per leerling moet zijn in de klas en dat elk kind recht hee op 3.50 m3 lucht en een zitplaats!
Voor betalende leerlingen moet de onderwijskracht 12 frank per kind krijgen van de ouders.  [footnote] Gemeenteraad Hoeg. 16.10.1859, Schoolreglement [/footnote]

Dat de zusters de aangenomen lagers school voor meisjes opgaven was het gevolg van een gebrek aan gediplomeerde onderwijzeressen. De zusters leidden zelf hun novicen op tot leerkracht in hun klassen en de besten haalden dan een akte van bekwaamheid voor een jury. Door de wet van 1879 verlieten veel kinderen de gemeen tescholen en moesten ook de zusters van Hoegaarden alle novicen inschakelen om voldoende leerkrachten te hebben. Deze periode viel ongelukkiglijk samen met een nood aan roepingen en felle antiklerikale acties in de regio, waaraan de liberale gedeputeerde Torsin van Tienen één van de ergste was.

De financiële gevolgen voor het katholieke gemeentebestuur waren rampzalig: er moest een gemeentelijke meisjesschool gebouwd worden en daar was nog zelfs geen grond voor verworven!

Vandaar een pathetische brief van schepen Joseph Vanautgaerden aan de aartsbisschop waarbij hij insinueert dat de zusters onder één hoedje spelen met de liberalen van het dorp! [footnote]Dit schrijven zal wegens plaatsgebrek in volgend nummer aan de orde zijn.[/footnote]

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020