Ga naar de inhoud

Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

Bij de huidige werken aan het parochiecentrum

Dit complex werd in de eerste plaats gerealiseerd als vrije jongensschool en als convent (verblijfsaccomodatie en kapel) voor de Broeders van Oostakker, die aangetrokken waren om het onderwijs te verzorgen. Boven de klassen kwam er ook de feestzaal, waardoor al onmiddellijk bleek dat er aan nog meer vorming zou gedaan worden

Foto

De voorloper van het parochieblad, sinds 1901 te Hoegaarden, geeft in zijn nummer van 1 maart 1902 een relaas over hoe de materiële activiteiten werden afgesloten! Lees maar!!!

 

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

Nieuw initiatief te Hoegaarden over het Hoegaards bier, gesponsord door ’t Kapittelhuis op de Houtmarkt

Noël Verlaers uit Meldert exposeert:

“Als nieuw lid van de Heemkundige Kring Hoegaarden vind ik het belangrijk de teloorgang van het Hoegaards bierpatrimonium tegen te gaan. Vandaar dit initiatief. Het is ook een oproep naar de gemeentelijke overheid om een meer gestructureerd beleid te ontwikkelen ter vrijwaring van het zo rijke Hoegaards erfgoed. Tevens is het een oproep tot Hoegaardse verzamelaars om aan te sluiten bij de heemkundige kring opdat verzamelingen van heden ook het erfgoed van morgen zullen bepalen.”

Noël Verlaers.(ludo permentier))

“Een gedeelte van de restaurant-brasserie is aangekleed met een aantal unieke glasreclamepanelen uit het roemrijk brouwersverleden van Hoegaarden. De collectie zal vanaf heden blijvend deel uitmaken van het interieur van het Kapittelhuys, de horecazaak van de familie Christens-Timmermans. Zij is mecenas van deze verzameling. Deze tentoonstelling zal regelmatig gelinkt worden aan een afwisselen biermenu en wordt zo een nieuw toeristisch element in het centrum van Hoegaarden. Te bezoeken tijdens de openingsuren van het Kapittelhuys.”

Een lijst van de bieren die in de loop der jaren werden gebrouwd bij Loriers geeft volgende opsomming; wij nemen ze over van Albert Guilluy, dé kenner bij uitstek, die het allemaal mee beleefd heeft en bewaart; hij wijst er wel op dat er buern van hoge gisting en bieren van lage gisting zijn gemaakt en dat zijn lijst minstens ‘bij benadering’ volledig is!

  1. Ballon
  2. Blond tafelbier
  3. Bock
  4. Boxbier
  5. Bruin tafelbier
  6. [wikipopup]Hougaerdse Das[/wikipopup]
  7. Dortor
  8. Dortor 39
  9. Duc Kent
  10. Export White Top
  11. Faro
  12. Hirsch
  13. Hoegaards witbier, de Hoged
  14. Jeuke
  15. Kriek
  16. Mars
  17. Munich
  18. Scotch
  19. Speciale Lambik
  20. Spéciale d’Hougaerde
  21. Stout
  22. Streep
  23. Super
  24. Supporter
  25. Treuba

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

Inhoudstafel

Een nieuwe Steenweg naar Tienen.

De welvarende brouwindustrie zorgde ervoor dat Hoegaarden vanaf het tweede kwart van de 18de eeuw geld kon vrijmaken om straten te kasseien. Daarvoor was er te Hoegaarden, zoals elders op het platteland, quasi geen echte verharde bestrating. Dit betekende veel stof, maar redelijk verkeer met beladen wagens als het een droge zomer was. In de winter bij serieuze vrieskou waren de karresporen een moeilijk te omzeilen handicap en bij dooi en overvloedige regenval zakten de wagens tot hun assen in het slijk.

Tegen 1750 waren er twee straten gekasseid. De eerste was de Pastorijstraat, waar de ‘Regentie’ zichzelf bediende, maar ook de verbinding tussen de Grote Molen en de gehuchten Nerm en Aalst gemakkelijker werd. De oude ‘heerweg’, dé grote straat, nu ouden we voor de gemakkelijkheid zeggen, de Doelstraat, was de andere. Eigenlijk wou Hoegaarden maar één straat laten kasseien, om het biertransport te vergemakkelijken richting Leuven, langs de gehuchten Nerm/Aalst. Maar de heroïsche dorpsruzie over het ‘stratenplan’ maakte dat de brouwers en andere Hoegaardiers nu konden beschikken over twee degelijke wegen, zonder eerste te moten kijken naar seizoen en/of de weersomstandigheden van de laatste week.

Diezelfde rijkdom, vergaard door de ligging, de politieke gunstige omstandigheden en de drang naar profilering van een rijke elite, maakte dat de kerk moest heropgebouwd in de jaren 1750. Er moest wat gebeuren, gezien de bouwvalligheid en het lang laten verkrotten van het gebouw. En daarbij… de ‘Regentie’ slaagde erin de heren kanunniken van het kapittel, zij het ook weer na lange processen, te dwingen hun rijkelijke tienden te investeren in de bouw! Zo werd de mooie en grote Sint-Gorgoniuskerk ingehuldigd in 1759.

En dan werd er in 1771, een nieuw groot werk aangepakt, nl. de aanleg van een gekasseide steenweg naar Tienen. Ten gevolge van de zeer drukke bierhandel, was het verkeer der zwaarbeladen bierwagens zeer druk en hadden onze oude straten en wegen het erg te verduren. De afstand te verrijden op Hoegaards grondgebied was gering in vergelijking met de lange reizen die moesten ondernomen worden; waarom dan die hoge kosten? Ook hier heeft de pronkzucht en wat reclamegeest meegespeeld, zoals bij de heropbouw van de kerk al het geval was geweest; de talrijke vreemde bierhandelaars die Hoegaarden aandeden om hun waren af te halen, moesten toch een goede indruk meedragen van die bloeiende Gemeente waar de ‘Hoged’ werd gefabriceerd. Ten andere, Leuven had in 1750, zijn kanaal Leuven Mechelen aangelegd om zijn handel uit te breiden; daar kon Hoegaarden niet tegenop en zou het met wat minder stellen: een goede verbinding met Tienen, waar de grote steenweg Luik Brussel werd vervoegd. We zijn trouwens volop in de Oostenrijkse periode, waar keizerin Maria Theresia niets onverlet liet om handel en industrie te bevorderen. Ook Luik, waar wij afhankelijk van waren, stapte mee op de kar van de ‘Verlichting’.

Op 15-11-1770 werd aan de Gemeente de nodige toelating verleend om dit groot werk uit te voeren. De nieuwe bestrating zou 31.641 florijnen kosten. De graaf d’ Oultremont zou dit beginkapitaal voorschieten: het zou nadien afgelost worden door een speciale heffing op de brouwerijen en door inning van bareelgelden.

Om die Steenweg naar behoren te leggen, dienden twee bruggen gebouwd te worden: één te Groot-Overlaar en één te Klein-Overlaar.

Enorm veel zand en kassei was ook vereist: juist geteld moesten 280.248 kasseien gekapt en aangebracht worden. De “slaegers” (de steenkappers) zouden de steen wel kappen en 43 boeren van Hoegaarden zouden met hun “bottelkarren” de kasseien en de zavel wel ter plaatse brengen. Alle kasseien en 7.000 voet borduurstenen kwamen uit de steenkuilen van Overlaar en Rommersom. Er waren toen 7 steenkuilen in uitbating, groeven die toebehoorden: één aan de Gemeente en de overige aan eigenaars van Hoegaarden.

 

De 7 steengroeven die toen in uitbating waren:

      1. De steengroeve van de “gemeynteberch
      2. De steengroeve van ‘s “meyerslandt (Rommersom)
      3. De steengroeve van de Reugelstraat (straat tegenover het kasteeltje van Overlaar.
      4. De steengroeve van het land van Damsein.
      5. De steengroeve van de Oorbeekse Straat.
      6. De steengroeve van het Sweertsland (te Rommersom).
      7. De steengroeve van Orbaen en Botsonland.)

1771 – 1856 De steenweg naar Tienen en de bareelrechten

(Maurice Dodion en Wasily Pedjko)

(Procès de la chaussée) Ensuite un procès, relatif à la chaussée d’Hougaerde à Tirlemont, jugé en 1re instance à Louvain défavorablement à la commune; est modifié devant la cour d’appel de Bruxelles: le gouvernement est condamné à payer à la commune les frais de construction de la route depuis chez Michiels jusqu’aux portes de Tirlemont, et plus le prolongement jusqu’à Altenaecken. Cependant la commune reste toujours débitaire vis-à-vis de la famille D’Oultremont pour les sommes levées et affectées à la dite construction.
(Procès de l’église)
Le procès relatif à l’église avait été de même terminé en faveur d’Hougaerde dans le courant de 1855. (Van Nerum J.B., Mémoires personnels, jaar 1856)

(Uittreksel Ferrariskaart)

1 Begin van de steenweg aan de ‘Beek’
2 Rommersom
3 Groot Overlaar (Kerk) en de molen van Bellicom
4 De Tiensepoort

Porte de Hougaerde (Hoegaardse poort),luidt de bijgeschreven tekst
Concentratie woonsten/hoeven aan de Tiense omwalling
De stippellijn is de grens tussen Luiks en Brabants grondgebied
Bemerk ook de weiden en landpercelen binnen de omwalling van Tienen

Moerassig Hoegaarden:
Vijvers bogaarden (nu Mariadal)
Vijvers/moerasgebied aan het begin van de Stoopkensstraat
Vierkant binnen Tiensestraat, Ourystraat en Vroente één moerassige weide
(de straatnamen klonken wel anders in de 18de eeuw)

In een volgend nummer proberen we de zgn. villaretkaart te presenteren, gemaakt door Franse ingenieurs-geografen 1745-1748, toen er nog geen sprake was van de steenweg!

(Het proces betreffende de steenweg)
Vervolgens werd het proces over de steenweg van Hoegaarden naar Tienen, dat ten nadele van onze gemeente was uitgesproken te Leuven, veranderd bij uitspraak van het Hof van Beroep te Brussel : de staat is veroordeeld tot het betalen van de constructiekosten van de weg, van aan Michiels tot aan de poorten van Tienen. Ondertussen blijft de gemeente in het krijt staan bij de familie d’ Oultremont voor de lening die aangegaan werd voor de aanleg van de steenweg
(Het proces betreffende de kerk). Het proces over de kerk is op dezelfde manier gunstig afgelopen voor Hoegaarden in de loop van 1855)

Eens de steenweg klaar, werden er boompjes naast geplant, die kwamen uit de eigen kwekerijen van de gemeente.

En dan, om beschadiging en misbruik allerhande te voorkomen werd er een reglement opgesteld. De boompjes werden als eens afgekapt of beschadigd. Het malse gras dat weelderig langs de kanten groeide was verlokkelijk voor de kleine kolenboertjes; sommige lieden wilden die ellendige bareelgelden niet betalen en zochten er aan te ontsnappen. Het werd broodnodig dat de Gemeente de puntjes eens op de i zette en een wegreglement opstelde.

de “conditiën wegens de Steenwegen”.

Degene die het bareelgeld weigeren te betalen of het zoeken te ontwijken met langs omwegen te gaan, zullen een boete betalen van 20 gulden.

Men zal geen bomen of zware balken over de steenweg mogen slepen (“slijpen”) op straffe van confiscatie ervan.

De voerlieden mogen hun karren niet zwaarder beladen dan 4.000 pond tijdens de zomer en 2.500 pond des winters, op straffe van 10 gulden.

Het is eenieder verboden aan de Steenwegen “die gemaeckt sijn tot commoditeit van het publiek ende tot voordeel van de commercie” enige schade aan te brengen: jonge bomen of plantsoen af te kappen, uit te trekken, af te rijden: of de doornen die er rond gestrengeld zijn tot “bevrijdenisse” weg te nemen; of enkel maar in de boompjes kappen om ze te doen verdrogen. Het is insgelijks verboden de “grubben ofte riolen” aan de steenweg aangelegd, toe te stoppen. Dit alles wordt gestraft met 20 gulden voor de 1ste overtreding, het dubbel voor de 2de overtreding en “arbitralijck” voor de 3de

Het is verboden varkens, koeien, schapen en andere “bestialen” te hoeden op de steenweg of langs de kanten, evenals wissen en takken van de bomen te snijden. Straf: 10 gulden. Het is verboden de paalstenen uit te doen, te verzetten ofte beschadigen; hout, mest en andere “vuiligheid” te laten liggen “op de bedde van de Steenwegh” voor hunne huizen, leem en zavel te delven uit de kanten. Boete: 10 gulden.

Het is verboden de opgestelde hindernissen (barelen) open te breken, of er door te gaan. Boete: 25 gulden.

Alle voerlieden die bevonden worden de steenweg te “costoyeren” (langs rijden), of daar nevens te voeren een ½ mijl ver, zullen onmiddellijk mogen gearresteerd worden.

Opdat niemand hierover onwetendheid zou kunnen voorwenden, werden deze verordeningen in openbare vergaderingen voorgelezen en werden ze “gepubliceert in de duytsche tale” [1] en ter griffie van het gemeentehuis gelegd ter inzage van het publiek.

De Steenweg naar Altenaken.

Een twintigtal jaren later, werd ook de Steenweg naar Altenaken verlengd. Met de nieuwe steenweg Hoegaarden-Tienen had men een goede verbinding met Leuven, Brussel en het noorden van Brabant en Limburg; de baan naar het land van Luik over Outgaarden en Goetsenhoven was even belangrijk. Langs daar reikten de grenzen van Hoegaarden maar tot aan de brug van Altenaken; tot daar heeft men dan een nieuwe bestrating gelegd.

Men heeft zich al eens afgevraagd hoe het komt dat de steenweg Tienen-Geldenaken-Namen in Hoegaarden zo’n grote zwenking maakt in plaats van rechtdoor te lopen langs de Tommestraat.
Dat is heel eenvoudig: Men heeft geprofiteerd van de al bestaande wegen die Hoegaarden had aangelegd. Onder het bewind van Napoleon, in 1810, werd besloten de steenweg van Leuven op Namen te verbinden met Tienen. Vanaf Thorembais les Béguines, op de Naamse Steenweg, zocht men dan aansluiting met Tienen over Jodoigne, Zétrud-Lumay en Hoegaarden. Vanaf Lumay liep de normale weg over de Gete en dan langs de Tommestraat naar het centrum van Hoegaarden. Vermits echter de Hoegaardiers een goede steenweg hadden aangelegd tot Altenaken en dat men langs die kant, sneller en voordeliger een al aangelegde steenweg kon bereiken, heeft men de slijkerige Tommestraat links laten liggen en de verbinding langs Altenaken gemaakt. Trouwens niet alleen de Tommestraat, mar heel het centrum van Hoegaarden lag in moerassig gebied, wat verkeer, eker na lange regenval en bij dooi quasi onmogelijk maakte als men er door moest met zwaar geladen bierkarren.

Door die nieuwe grote verbindingsbaan Tienen-Namen, werden de twee door Hoegaarden zelf aangelegde steenwegen nu staatswegen; dat zal later nog een staartje krijgen en Hoegaarden zal zich doen vergoeden.

Door het octrooi van 18 mei 1771 had Hoegaarden van de prinsbisschop toestemming gekregen om de steenweg van Hoegaarden aan de beek op de Tiensestraat tot aan de poorten van Tienen aan te leggen.
Om de renten op de aangegane leningen te kunnen te kunnen voldoen en mettertijd het kapitaal af te lossen werden er barelen geplaatst, bareelrechten aanbesteed aan een pachter, en een tarief opgesteld en geheven:

Maar zoals hierboven al aangeduid zal met de komst van de Fransen ook de steenweg ‘genationaliseerd’ worden, in naam van de vrijheid de barelen afgeschaft en ….zal Hoegaarden na veel dispuut en advocaterij uiteindelijk de lening kunnen afschuiven op de staat (gemeenschap), zie verder waar wij het hebben over het dagboek van Dokter Van Nerum, jaar 1856

Het tarief dat werd goedgekeurd door Luik eind 1772 [2]
Voor 100  lammeren, schapen of varkens (minder, naar verhouding)12 sous 2 liards [3]
Voor elk kalf of varken aan een touw of op de schouders gedragen 2 liards
Grote dieren als koeien, ossen, (on)beladen paarden of rijpaard 1 sous
Landbouwwagens bespannen met één paard en met kolen, hout of andere producten van dien aard geladen 3 sous
met twee paarden4 sous
Marskramers of handelswagens bespannen met één paard bespannen3 sous
met twee paarden4 sous
met drie paarden7 sous
met 4 paarden11 sous
meer paarden inspannen is ten strengste verboden ! 
wagens bespannen met twee paarden 4 sous
met drie paarden5 sous
met 4 paarden6 sous
met 5 paarden8 sous
met 6 paarden10 sous

 

Koetsen, gelijkaardige wagens, diligences (goed geveerde postkoets voor personenvervoer) bespannen met 2 paarden 4 sous
met drie paarden6 sous
met 4 paarden 8 sous
met 6 paarden 12 sous

 

een cabriolet (open rijtuig) bespannen met 1 paard

3 sous

met 2 paarden4 sous

Iedereen moet betalen, ook de officieren en er moet over gewaakt worden met de gewone en buitengewone middelen dat de rechten betaald worden, maar de inwoners van de gehuchten klein en Groot-Overlaar en Beullecom mogen niet overbelast worden; zo ook moeten de inwoners van aan de Tiense poort maar de helft betalen van de rechten en de andere helft bij het binnenkomen van Hoegaarden.

Een diligence is een goed geveerde postkoets

Een kar verschilt van een wagen door het feit dat hij slechts één as met twee wielen heeft in plaats van twee assen met vier wielen zoals een wagen of een koets

 

Voorwaarden voor het gebruik van de steenweg :

Artikel 1
De landbouwers die naar hun velden gaan met hun wagens en landbouwwerktuigen, in één woord, met alles wat noodzakelijk is voor de cultuur en de oogst, moeten niet betalen, evenmin wanneer zij hun vee, van welke aard ook, naar de weiden doen om te grazen

Artikel 2
de inwoners van Groot Overlaar die nabij de Tiense Poort wonen betalen niets als ze naar Tienen gaan; maar als ze naar Hoegaarden komen moeten ze de volle pot van het voorziene tarief betalen

Artikel 3
De andere inwoners van Groot-Overlaar met inbegrip van de molenaar van Beullecom, die rond de kerk wonen zullen de helft van het tarief betalen als ze naar Tienen gaan en ook de helft als ze naar Hoegaarden gaan

Artikel 4
De vermelde inwoners, die van Hoegaarden met inbegrip van die van Rommersom zullen niets hoeven te betalen voor hun lading moutmeel naar de plaatselijke molens; wie daarmee naar Tienen gaat zal moeten betalen alsof ie koopwaar geladen heeft Als het zou gebeuren dat er zo’n grote droogte zou optreden dat de drie molens het werk niet aankunnen, wat maar zeer uitzonderlijk gebeurt, mag de bareel zonder betalen gepasseerd worden mits de pachter een toelating heeft gekregen van de burgemeester op advies van de gemeenteraad, om te Tienen of elders te laten malen

Artikel 5
Militairen en gendarmes zijn alleen vrijgesteld als ze voorzien zijn van een marsbevel

Artikel 6
De bareelrechten worden aanbesteed per jaar en toegewezen aan het laatste bod bij het uitdoven van de kaars volgens de formaliteiten en de plaatselijke gebruiken, conform aan de wet

Artikel 7
De pachter zal een waarborg in pand geven met de waarde van zijn onderneming (met bewijzen dat de goederen vrij van hypotheek zijn)
De bareel mag op de weg geplaatst worden daar waar de heffer het best geschikt acht

Artikel 8
Om fraude en dispuut te vermijden mag de burgemeester twee barelen plaatsen, één te Groot Overlaar en één te Hoegaarden en die elk uitbesteden, maar dan moet bij elke bareel de helft betaald worden van het tarief; trouwens vroeger waren er twee barelen (vanaf 1773, vóór de Franse Tijd)

Artikel 9
De pachter moet alle drie maanden één vierde betalen van de pachtprijs en storten in de kas van de gemeenteontvanger en in de kas van de ontvanger der armen

Artikel 10
De pachter mag niet meer doen betalen dan het officiële tarief

Artikel 11
Fraude en inbreuken op dit reglement zullen vervolgd worden volgens de wetgeving over de doorgangsrechten over de grote wegen

De Franse en Hollandse Tijd (1795-1814/5-1830)

Maar met de komst van de Fransen werden in naam van de vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid ook de barelen afgeschaft en kon (of wou?) Hoegaarden zijn renten op de leningen voor de steenweg niet meer betalen! Regelmatig, zoals bij de opstelling van de begroting voor het jaar 1801

Wanneer onder de Hollandse periode de situatie zo blijft (koning Willem deed er alles aan om de industrie en de handel te bevorderen), vraagt Hoegaarden regelmatig, bij de jaarlijkse opmaak van de begroting om terug een bareel te mogen plaatsen op de steenweg en tolrechten te vragen om de steeds maar verder oplopende renten te kunnen betalen op de aanzienlijke kapitaallening voor de aanleg van de steenweg naar Tienen.

Daarvoor werd het bovenvermelde tarief van 1772 in de voorstellen terug gebruikt en alleen de bedragen werden aangepast aan de veranderde tijd en uitgedrukt in de Francs en centimes van de Franse Tijd en nog niet in guldens en centen.

Tijdens het Hollandse bewind (1815-1830) zal in tegenstelling met onze noorderburen het bij ons tot 1825 duren vooraleer wij de Franse francs en centimes zullen vervangen door de Hollandse florijnen of guldens en centen

De wereldoorlog bleef leven bij onze bevolking  ..….

Op zondag 5 februari 1922 werd te Zétrud-Lumay Henri Marteau begraven om 3 uur in de namiddag, dit werd aangekondigd tijdens de misvieringen in de kerk van Hoegaarden: ‘Er wordt ook een gebed gevaagd voor Hendrik Marteau van Zittaerd-Lummen, voor ’t vaderland gesneuveld in de laatste dagen des oorlogs; heden namiddag te 3 uur begraven te Lummen’.

(Op het oorlogsmonument te Zétrud staat zijn naam, plaats en datum van overlijden)

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

Bronnen en citaten[+]

Inhoudstafel Brandbestrijding

Brandbestrijding tijdens het Hollandse Bewind 

Bepalingen ter voorkoming van brand

Brandreglement (zitting van 03.10.1823)

De gemeenteraad van Hoegaarden vergaderd zijnde in de gewone plaats van zijn zittingen [1] heeft tot het hiernavolgend brandreglement besloten [2] :

Eerste afdeling: Bepalingen ter voorkoming van brand

Artikel 1
Geen woonhuizen, magazijnen, schuren, loodsen of andere gebouwen zullen andere gevels mogen hebben dan gemetseld van steen, kalk en tras, en niet mogen gedekt worden dan met leien, pannen, tegels of ander hard dak, tenzij met toelating van het plaatselijk bestuur, in de gehuchten van deze gemeente, ter plaatse alwaar de huizen van de andere afgezonderd zijn.

Vroeger, voor de komst van de goede portlandcement, werd er gewerkt met kalkmortel, waarin tras werd verwerkt; de muren waren hiermee veel harder en ook waterdicht te krijgen; tras is gemalen steen van vulkanische oorsprong (gemalen tufsteen uit de Duitse Eifel, uit de streek van Andernach in Duitsland, die via de waterwegen werd aangevoerd

Artikel 2
Geen scheidingen zullen tussen gebouwen mogen gemaakt worden van hout, en de zodanige, die reeds bestaan mochten, zullen niet mogen worden hersteld.

Artikel 3
Geen mijten van graan, hooi of stro zullen mogen gemaakt worden, als op een afstand van ten minste drie honderd ellen van alle hoegenaamde gebouwen. 

Koning Willem I kreeg kritiek op de handhaving van het Franse metriek stelsel, vastgelegd bij KB in 1816; bij de vaststelling van de Nederlandse benamingen in 1817 werden de Franse gehandhaafd.
Maar nu was een Franse meter een Nederlandse elle, een decimeter werd een palm, een centimeter een duim en een millimeter een streep.
Driehonderd ellen is gewoon 300 meter!

Artikel 4
In de schoorstenen zullen geen binten (= zware houten balk ter verbinding), balken of ribben mogen ingemetst worden, al waren die ook met blik, ijzer of lood bekleed.

Artikel 5
Geen vuur zal mogen gestookt worden, dan in daartoe bekwame stookplaatsen of schoorstenen, gemetst van kalk en tras, en opgetrokken, boven de daken, ten minste acht palmen zeven duimen boven de nok van het gebouw.

Artikel 6
De schoorstenen op de bovenverdiepingen van een gebouw zullen op wulven (= gewelven) van steen moeten gemaakt worden, en in genen dele op binten of balken mogen rusten.

Artikel 7
In een gemene (= gemeenschappelijke) muur mogen de binten, komend tegen een haardstede of schoorsteen van de buurman, niet dieper worden gelegd, dan op de helft of in het hart van de muur. Zullende ook de gene die tegen enen gemene muur de haardstede of schoorsteen zal maken, gehouden zijn de binten van zijns buurman huis zover te doen weghakken en met steen bezetten.”

Artikel 8
Er mogen geen schoorstenen opgebouwd of veranderd worden dan na voorafgaande inspectie en goedkeuring van de bevoegde ambtenaar.

Artikel 9
De schoorsteenvegers mogen geen schoorstenen, die niet overeenkomen met de voorgeschreven bepalingen, vegen, maar zij moeten daarvan direct de bevoegde ambtenaar, zoals vermeld onder artikel 8 op de hoogte brengen; zoals ook de timmerlieden of metsers geen schoorstenen strijdig met de bovenstaande bepalingen mogen vervaardigen.

Artikel 10
De ingezetenen zijn verplicht tot het schoonhouden en doen vegen van de stookplaatsen, ten minste zekere bepaalde keren in het jaar, en daarvan bij elke visitatie aan de brandmeesters te doen blijken.

Artikel 11
De daartoe aangestelde plaatselijke beambten zullen in hun jaarlijkse inspectie of andere inspecties van de stookplaatsen bij de ingezetenen, niet mogen worden belet of belemmerd.

Artikel 12
Wie voor de uitoefening van zijn bedrijf vuur moet gebruiken zal geen ovens, eesten of andere stookplaatsen onder welke benaming ook, mogen aanwenden, dan na dat toestel te hebben laten goedkeuren door de bevoegde beambten en zal blijken dat de constructie, die uit steen, kalk en tras moet zijn, geen gevaar voor brand met zich zal brengen.

Eest = geperforeerde, van onderen verwarmde vloer die wordt gebruikt voor het op hoge temperatuur drogen van onder andere ontkiemde gerst, voor de bierbrouwerij.

Artikel 13
Niemand mag maken of doen maken enige wagenhuizen, hooi- of strozolders, stallen voor paarden, koebeesten, schapen of ander vee, zonder schriftelijk consent van het plaatselijk bestuur.

Artikel 14
In onbewoonde huizen mag er geen vuur worden gemaakt tenzij na voorafgaande toestemming van de bevoegden.

Artikel 15
De vergaarbakken voor het verzamelen van as en vuilnis mogen alleen maar van steen gemaakt worden; het is ten strengste verboden daarin hete assen te gooien, zomin als men warme assen mag dumpen op de straat of in een of andere gracht.

Artikel 16
De brandstoffen als kolen, hout, enz., zal niemand mogen leggen binnen zes palmen afstand van een eest, een smidse of een andere vuurplaats, gelijk men ze ook niet binnen drie palmen afstand van schoorsteenpijpen mag leggen.

Artikels 17
Het is verboden te vlassen of hekelen bij ontstoken licht, ‘s morgens vóór vijf en ‘s avonds na negen uur, gedurende de maanden maart, april, mei, juni, juli, augustus, september en oktober, en ‘s morgens vóór zes uur en ‘s avonds na zeven uur, gedurende de maanden november, december, januari en februari; ook om in de hekelhuizen of andere plaatsen waar vlas ligt, ander licht te gebruiken, dan in een besloten lantaarn; alsmede om op zolders, achterkamers of achterhuizen te hekelen.

Hekelen is de laatste bewerking die het vlas moest ondergaan om klaar te zijn voor het spinnen en weven; de bedoeling was de vezelbundels te splijten en het feitelijke vlaslint te scheiden van de korte stugge vezels voor het spinnen van kwaliteitsgaren maar wel bruikbaar voor het vervaardigen van ruwere garens.

Vlas hekelen

 

Artikel 18
Bij het lossen, laden of verwerken van licht ontvlambare goederen, alsmede in stallen, timmermanswinkels, pakhuizen, hooizolders of in andere gevaarlijke plaatsen, zal geen tabak mogen worden gerookt.

Artikel 19
Gedoofde kolen of houtskool zullen niet mogen gegooid of bewaard worden in tonnen, manden of dergelijken, maar zal men verplicht bergen in stenen, koperen, ijzeren of gelijkaardige potten van harde stoffen, voorzien van een deksel van steen, koper of dergelijke.

Artikel 20
Niemand mag in een besloten huis enig beweegbaar fornuis of oven gebruiken.

Een fornuis was een gemetselde bak waarin vuur gestookt kon worden, maar het kon evengoed een vierkante bak zijn uit ijzer of koper en die kon dan verplaatst worden , er werden ketels/marmieten op verwarmd; aangezien het in de meeste huishoudens pas omstreeks 1900 gangbaar werd om de keuken in een aparte ruimte onder te brengen, kwam omstreeks deze tijd ook het kolenfornuis in zwang, daar vóór deze tijd gekookt werd op het haardvuur of de kachel; maar nu was het een -vaak geëmailleerde- vierkante bak op poten, met in deze bak de stookruimte, en daarnaast de oven. De stookruimte kende een aantal deurtjes onder elkaar, voor de stookruimte, de aslade, en een brandstofvoorraad. Bovenop was een grote kookplaat met daarin een aantal kookgaten aangebracht waarvan de afmetingen met kachelringen konden worden fornuis uit grootmoeders tijd aangepast aan die van de pannen of ketels. De plaat was omgeven door een metalen reling die moest voorkomen dat de kleding werd verschroeid door de hete oppervlakten van het fornuis.
Meer welgestelden hadden uiteraard reeds langer een afzonderlijke keuken waarin door personeel werd gewerkt. Het fornuis zorgde tevens voor de verwarming van de keuken, maar was uiteraard niet erg efficiënt, daar het vuur veel langer moest branden dan dat men het voor koken nodig had. Bovendien zorgde het in de zomer voor een te hoge temperatuur in de keuken

Artikel 21
Geen pijpen van haarden of ‘kagchels’ mogen door een houten beschot geleid worden.

Artikel 22
Men mag binnen de gemeente geen huizen of gebouwen, groot of klein, in het geheel of gedeeltelijk en mitsdien ook geen loodsen beteren (= met teer bestrijken).

Artikel 23
Graan- en oliebakken mogen niet worden gemaakt als met voorafgaande kennis van het plaatselijk bestuur.

Artikel 24
In gebouwen die dienen voor magazijn of bergplaats van beide, hooi of stro, evenzeer als van andere ontvlambare stoffen zal geen vuur mogen gebruikt worden.

Artikel 25
Wanneer herbergiers, koffiehuishouders of tappers in een huis komen wonen waar dergelijke nering niet is uitgeoefend de laatste tijd, zullen zij de voornaamste stookplaatsen door de gemeente laten controleren en naar de bekomen orders veranderen.

Artikel 26
De schoorstenen van de kuipers (= tonnenmakers) moeten minstens één el breed zijn.

Artikel 27
De kuipers moeten een ton met water en een dweil bij zich hebben, en mogen geen duigen, bodemstukken, of enig ander houtwerk in hun schoorsteen leggen of zetten.

Artikel 28
De kuipers en brouwers mogen hun vaatwerk op de straat niet heeten (= op- of verwarmen) na zonnen ondergang of in sterken wind, of op enige andere plaatsen, dan vóór hunne brouwerijen of woningen, zelfs niet vóór andere huizen, loodsen of schuren die zij in eigendom of huur bezitten.

Artikel 29
Tegen het broeyen (= opwarmen door werking van bacteriën, waardoor het zou kunnen gaan smeulen en zelfs ontbranden) van het opgeslagen hooi wordt, door inspectie van enen keurmeester gezorgd.

Artikel 30
Er mag geen vuurwerk afgestoken worden en evenmin geweren of pistolen afgeschoten worden, zonder voorafgaande toestemming.

Tweede afdeling: Voorzorgen tot het in bekwamen staat hebben der middelen, benodigd ter blussing van brand.

Artikel 31
Door de zorg van het plaatselijk bestuur zullen de brandmeesters en naaste geburen ieder een sleutel hebben van de plaats waar de brandspuiten bewaard worden, en waar er ook een lantaarn klaar ligt om ontstoken te worden. Bij verhuis of andere verandering zullen door de voornoemde geburen deze sleutels tijdig worden doorgegeven.

Artikel 32
De sloten van de hokken of plaatsen waar de brandladders, haken en emmers worden bewaard, zullen met enerlei sleutels moeten kunnen geopend; de sleutels worden bewaard en doorgegeven op dezelfde manier als besproken in voorgaand artikel.

Artikel 33
De generale brandmeester moet de brandspuiten altijd in goede en bruikbare staat houden, en de nodige herstellingen of vernieuwingen laten uitvoeren.

Artikel 34
De brandspuiten zullen tweemaal per jaar worden geprobeerd en geïnspecteerd, samen met al het andere gereedschap; ook de bergplaatsen moeten nagekeken worden en zo nodig worden herstellingen uitgevoerd en gerapporteerd aan het plaatselijk bestuur.

Derde afdeling: Personen tot het aanwenden van de middelen ter blussing van den brand geaffecteerd en oefening der zelve personen.

Artikel 35
Het plaatselijk bestuur benoemt een brandmeester generaal en voor iedere spuit een brandmeester en enige onder brandmeesters.

Artikel 36
De brandmeester generaal designeert een genoegzaam aantal personen ter behandeling van iedere spuit benodigd.

Artikel 37
Niemand mag zijn aanduiding weigeren op straf van boete bepaald bij artikel 62, tenzij om redenen goed bevonden door het plaatselijk bestuur.

Artikel 38
De brandmeesters en de onder brandmeesters zullen genomen worden uit de bekwaamste en achtingswaardigste inwoners; in de keuze der brandspuitmeesters zal bijzonder regard worden genomen op de geaccrediteerde metselaars en timmermannen (= meester-metsers, meesters-timmermannen). De verdere geaffecteerden zullen worden genomen uit de ambachtslieden.

Artikel 39 
Regelmatig zullen er oefeningen zijn en ieder krijgt zijn specifieke taak, zodat bij brand er geen tijd verloren gaat en de hulp efficiënt wordt verleend.

Vierde afdeling: Verplichtingen bij het ontstaan van brand en bepalingen omtrent te blussen

Artikel 40
Wie als eerste een brand bemerkt en hem niet meester kan worden is verplicht om zo luid mogelijk ‘brand’ te roepen en de naaste buren te verwittigen.

Artikel 41
Wie als eerste de generale brandmeester waarschuwt krijgt een premie die door het gemeentebestuur, bij ieder geval van brand, zal bepaald worden.

Artikel 42
Ten allen tijde zullen de tien naaste geburen aan wederzijde van het huis, waar de brand plaats heeft wanneer in de nabijheid geen gracht enz. aanwezig is, verplicht zijn, gedurende den brand, de grootste tobbe (= kuip, ton) in hun bezit op den zelver stoepen (= waar de brand is uitgebroken) te plaatsen, en zorg te dragen dat die gestadig vol water blijven.

Artikel 43
Bij het ontstaan van brand zal door het kleppen van de klok zulks aan een ieder der ingezetenen bekend gemaakt worden, om ter hulp toe te komen snellen.

Artikel 44
Alle brandweermannen zullen bij een brand direct naar de bewaarplaats van hun spuit gaan zonder zich eerst te vergewissen van de plaats van de brand; zo zullen zij het snelst de brandspuit ter plaatse kunnen brengen.

Artikel 45
Ter plaatse van den brand gekomen zijnde, zal den brandmeester generaal en in zijne afwezigheid de brandmeesters, de spuiten in de bij de exercitiën te onderrichten posities doen plaatsen en de slangen doen uitleggen en water geven.

Artikel 46
Geen der opgemelde beambten en geaffecteerden aan de brandspuiten, zullen zich van hunne posten mogen verwijderen, maar ieder op hunne plaats moeten blijven en promptelijk aan de hun gegeven bevelen gehoorzamen.

Artikel 47
Voor al hetgeen de brand aangaat zal de generale brandmeester de orders opvolgen van de leden van de commissie van fabricagie, bestaande uit drie leden van de gemeenteraad; de brandmeesters en onder brandmeesters zullen de orders opvolgen van de generale brandmeester; de geaffecteerden die van hun brandmeester of van diegenen die gemachtigd zijn tot het blussen van de brand; iedereen moet direct gehoorzamen en de ordegevers met beleefdheid en respect bejegenen.

Artikel 48
Aan de brandmeester, onder brandmeesters en geaffecteerden van de spuit die het eerst bij de brand en gereed is, wordt een premie gegeven, iedere keer te bepalen door het plaatselijk bestuur; als de tweede spuit niet aanwezig is een half uur na de eerste wordt er een boete opgelegd aan de brandmeester en onder brandmeesters, bepaald door artikel 62. De vermelde premies worden voldaan uit de gemeentekas, ook als de hulp van de spuit niet nodig zou zijn geweest.

Artikel 49
Als het vriest zullen, bij brand, de brandmeesters ervoor zorgen dat de pompen in beweging blijven, desnoods met behulp van zout; de slangen zullen dan op houten of iets dergelijks worden gelegd om niet vast te vriezen aan de straat.

Artikel 50
De generale brandmeester zorgt ervoor dat langs de slangen van de spuiten geaffecteerden worden geplaatst om te zorgen dat ze niet beschadigd worden.

Artikel 51
Wie bij een brand de eerste ton water aanbrengt krijgt een premie van twee gulden vijftig cent.

Artikel 52
Als blijkt dat bij een brand meer mensen nodig zijn om de spuit te bedienen dan aanwezige geaffecteerden, kunnen de brandmeesters toekijkende omstaanders opvorderen om te helpen, zoals in geval van nood ook paarden, wagens en karren kunnen opgevorderd worden.

Artikel 53
De geburen van het huis dat in brand staat moeten hun huis openstellen voor de brandblussers en indien nodig toelaten dat de slangen door hun huis worden geleid.

Artikel 54
De nabijgelegen huizen, gebouwen en goederen, zeker wanneer ze door de wind aan de brand zijn blootgesteld, zal men zoveel als mogelijk trachten te redden door ze nat te houden, door ze met natte zeilen te dekken, als op gelijk welke andere manier.

Artikel 55
De brandhaken om daken, gevels, enz. omver te halen, mogen bij niemand gebruikt worden zonder uitdrukkelijk bevel van de aanwezige leden van de commissie van fabricagie, of bij absentie, van de generale brandmeester.

Artikel 56
Alleen in uiterste nood en na advies van deskundigen, zowel wat betreft de grootheid van het gevaar als de mogelijkheid tot uitvoering, zal worden besloten tot het omverhalen van belendende gebouwen en muren; daarvoor zal het bevel van d burgemeester of van de commissie van fabricagie nodig zijn.

Artikel 57
Zo nodig kan ook de hulp van metsers, timmerlui en andere kundigen, evenals van hun knechten worden ingeroepen, ook al behoren ze niet tot het korps; zij zullen onmiddellijk moeten komen helpen.

Vijfde afdeling:  bepalingen na te komen na het blussen van de brand

Artikel 58
Nadat men de vlammen is meester geworden, maar de verbrande voorwerpen nog smeulen, zullen ten minste één of twee spuiten met de daarbij horende manschappen aanwezig blijven om bij heropflakkering van de vlammen te kunnen ingrijpen.

Artikel 59
Na het blussen zullen de spuiten op een afgesloten plaats gebracht worden om gedroogd en zo nodig hersteld te worden; daarna zullen ze teruggebracht worden naar hun gewone bewaarplaats.

Artikel 60
Een ieder, onder wiens bewaring, ter gelegenheid van ontstane brand, goederen zullen zijn gekomen, zal gehouden zijn daar van, binnen vier en twintig uren, behoorlijk aangifte te doen aan het plaatselijk bestuur.

Artikel 61
Wie bij een brand gekwetst geraakt bij het blussen zal door de gemeentekas vergoed worden voor zijn onkosten ten gevolge van de verzorging van de kwetsuren en zal eveneens vergoed worden voor geleden schade in zijn broodwinning.

Artikel 62
De overtredingen aan het tegenwoordig reglement zullen gestraft worden met een boete van twee tot twaalf gulden, of één dag gevangenis onder verzameling.

Artikel 63
Meier, schepenen en veldwachters en andere agenten van het openbaar gezag zijn ieder op zijn niveau belast met de uitvoering van voornoemde bepalingen die zullen worden afgekondigd en aangeplakt op de gewone plaats.

Afkondigingen tijdens de Hollandse Tijd weden gedaan na de hoogmis op zondag van op de trappen van de kerk en in de portalen van de kerk werd er aangeplakt; naderhand zal, nog onder de Hollandse tijd, de gemeente drie houten panelen laten maken om de afkondigingen op 3 plaatsen aan te plakken; officiële boodschappen moesten bezorgd worden door de veldwachters (buiten de gemeente door de bode, die ook op de jaarlijkse begrotingslijst van de gemeente stond).

gedaan en gesloten in zitting van de gemeenteraad van Hoegaarden op 3 oktober 1823″

Volgen de handtekeningen: Berwouts, H. Groetaers, S. Coenegras, Arnold Adams, J.B. Dumont, Henri Lacourt, J.H. Vandermolen, Servais Cluts, A. Van Diest, Finoulst, De Zangré, meier en F. Lodewijckx, secretaris

Henri Lacourt [3] zal kort daarna overlijden op 20 januari 1824 en opgevolgd worden door Decoster Jean Baptist

De secretaris maakte deel uit van de gemeenteraad.

Burgemeester en schepenen (de meier en de assessoren) werden niet verkozen maar aangesteld bij Koninklijk Besluit

Ook de gemeenteraad kwam alleen samen op verzoek van de provinciegouverneur en behandelde de punten door hem opgelegd

Artikel 63 van het reglement met er onder de handtekeningen van de voltallige gemeenteraad of ‘het plaatselijk bestuur’ van Hoegaarden;

En dan, maar we zijn nu eind oktober 1826 al, en het Hoegaardse brandweerreglement is volgens art 34 en 35 van het reglement voor de gemeenten ten platten lande goedgekeurd (KB 24.07.1826 nr 125) [4]  werd het Hoegaardse brandweerkorps als volgt samengesteld:

 
  • Henricus Groetaers wordt met volstrekte meerderheid der stemmen benoemd tot opperbrandmeester;
 
  • Jan Pira, horlogemaker, brandmeester van de brandspuit nr. 1;
  • Jan Hendrik Gilis, kuiper, brandmeester van de tweede brandspuit;
 
  • Hendrik Lintermans, schrijver, onder brandmeester van de eerste brandspuit;
  • Felix Josens, onder brandmeester van de tweede brandspuit;
 
  • Helpers voor de eerste brandspuit:
      • Henricus Van Nerum
      • Henricus Stockmans
      • Jan Baptist Stockmans
      • Henricus Ausloos
      • Jan Baptist Lodewyckx
      • Engelbertus Schoemans
      • Jacobus Huens
      • Petrus Stockmans
 
  • Helpers voor de tweede brandspuit:
      • Philippus Sweerts
      • Jan Beetens
      • Petrus Medaers
      • Lambertus Stockmans
      • Jan Baptist Taverniers
      • Paulinus De Kinder
      • Guilielmus Stockmans
      • Henricus Brieven

In totaal 21 man, allen wonend in het centrum van Hoegaarden, op of rond de ‘Plek’, wat ons sterk doet vermoeden dat het materieel van onze pompiers opgeslagen stond in een remise van het Arendsnest, de paradijshoeve, de hoeve Vandermolen (hoek Doelstraat-Gasthuisstraat), ofwel onder de toren in de kerk! Het gemeentehuis dat nu het centrum van Hoegaarden siert is pas in gebruik genomen begin 1834.

 

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

Bronnen en citaten[+]

Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016

Bij de grote Jeroen Bosch (1450-1516 ) tentoonstelling  in ’s Hertogenbosch: Jheronimus Bosch en de drankzucht van de kanunniken van Sint Jan. (Jeroen Savelkouls 21 februari 2016) .

Over de herkomst van de wonderlijk wezens op de drieluiken van Jheronimus Bosch zullen we wel nooit volledige duidelijkheid krijgen. Maar waar de laatmiddeleeuwse schilder de inspiratie vond voor het afbeelden van op geld en drank beluste geestelijken, onder meer op De Hooiwagen en Het Narrenschip, is niet moeilijk vast te stellen. Want terwijl de armoede onder bevolking van ’s-Hertogenbosch steeds nijpender werd, verzette het kapittel van Sint Jan zich vanaf halverwege de vijftiende eeuw ruim honderd jaar met hand en tand tegen nieuwe belastingen op bier en wijn. En Bosch kende de hoofdrolspelers zeer goed.

Wanneer Jheronimus Bosch rond 1450 wordt geboren, is de wereld om hem heen in beweging. Hoewel niemand kan vermoeden dat ruim een halve eeuw later het westerse christendom uiteen zal vallen, zijn de eerste tekenen dan al zichtbaar. Steeds vaker klinkt er kritiek op de mannen van de kerk, die zich daardoor genoodzaakt voelen in de tegenaanval te gaan. Zo ook in ’s-Hertogenbosch. Als het stadsbestuur probeert zijn lege schatkist aan te vullen door een bijdrage te vragen van het kapittel, ontstaat een ruim honderd jaar durend gevecht. Archiefstukken laten zien dat de Bossche kanunniken weinig middelen onbeproefd laten om de strijd in hun voordeel te beslechten.

Directe aanleiding voor het conflict is de ramp die ’s-Hertogenbosch op 13 juni 1463 treft. In het huis De Groote Ketel aan de Verwersstraat laat een lakenverver een brand ontstaan, die een groot deel van de stad in lichterlaaie zet. Het vuur kan zich razendsnel verspreiden, omdat de meeste huizen zijn bedekt met riet in plaats van steen. Kort nadat de vlammen zijn gedoofd, nemen de Bossche schepenen daarom een kordaat besluit: voortaan moeten alle gebouwen worden voorzien van ‘leyen, tychelen oft andere harden daken’. Voor de financiering wordt een beroep gedaan op het machtige kapittel van Sint Jan.

Maar de kanunniken geven niet thuis. Met een verwijzing naar hun eeuwenoude vrijstelling van belasting op verbruiksgoederen, weigert het kapittel een nieuwe bieraccijns te betalen. De kwestie leidt tot een rechtszaak, die zes jaar later in het voordeel van de geestelijken wordt beslist: zij mogen ‘brouwen ende bier van buyten doen comen’ zoals zij dat tot dan toe hebben gedaan, vrij van accijns dus. Een gevoelig verlies voor de schepenen, die door economische tegenspoed en hoge hertogelijke beden steeds verder in de problemen raken. Ondertussen nemen ook de noden van de bevolking toe met als gevolg dat in 1477 een groep ambachtslieden het raadhuis bestormt en tijdelijk de macht overneemt.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-203-52ste-jaargang-2-2016