Ga naar de inhoud

Afzwaaien van de troep

De militieklas van 1927 Maakte het duidelijk aan vrienden en kennissen met volgende bescheiden

1.Een fictieve doodsbrief

Een fictieve doodsbrief

2.Vooruitzichten en goede raad aan de ‘schachten’ en afscheidswensen

Vooruitzichten en goede raad aan de ‘schachten’ en afscheidswensen

Dotremont Jean François (Hoeg. 17.04.1907), één van de ‘afzwaaiers’ was zoon van Théophile Dotremont en Julie Thérèse Fourie uit de’ hoeve Flemalia’

Heel wat teksten zijn parodieën op regels en gebeden van de kerk, die nog zeer sterk leefden in de eerste helft van de 20ste eeuw, de periode van het ‘rijke Roomse leven’.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017

1817 Mariadal gekocht door de zusters (vervolg 1) 2017

De gebouwen waren uiteraard in alles behalve optimale toestand en de zusters hebben er bijna drie jaar aan gewerkt en bijgebouwd vooraleer ze zich in 1820 definitief hier gevestigd hebben.
Maar de bebouwde oppervlakte met de vijver en de tuinen, alles te samen binnen de omheining was goed voor meer dan 3 ha. De gronden
en weiland rond het klooster en in de Hoegaardse velden hadden ook nog eens een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 12 ha.

Pensionat du Val-Virginal, dirigé par les Soeurs de L'union du Sacre-Coeur, Hougarde,

schuur met links achter deel van de oude brouwerij (de zusters brouwden nog bier in Mariadal in de 19de eeuw in de brouwerij van de vroegere paters bogaarden)

De prijs die moest betaald worden

De koopsters zullen voor al deze goederen een jaarlijkse lijfrente betalen van 1542 gulden en 85 cent Hollands geld of 3265.29 frank (9)[1], te rekenen vanaf 15 maart 1818 en jaarlijks te betalen in klinkende gouden en zilveren munten ten huize van Henri Coenegras, Leonard Andries, Guillaume Janssens en Pierre Bollen. De eerste betaling zal moeten gebeuren op 15 september 1818 voor de helft van de som en het saldo op 15 maart 1819. En zo verder zal elke zes maand de helft van de jaarlijkse som moeten betaald worden tot aan het overlijden van de langstlevende van de vier geestelijken, maar bij het overlijden van de eerste geestelijke zal de som verminderd worden met 816.32 frank of 385 gulden 70 cent. Bij overlijden van de tweede zal de som nogmaals verminderd worden met 634.92 frank of 300 gulden per jaar. Zo zullen de twee langstlevenden elk 907.02 frank per jaar krijgen. Bij overlijden van de derde zal er alleen nog 907.02 frank per jaar moeten betaald worden aan de langstlevende.

Op 30 november 1817 komen de gronden en weiland in handen van de juffrouwen en het huis, de gebouwen, de tuin en de aanhorigheden op 15 maart 1818.
De registratiekosten beliepen 771 gulden en 59 cent (Tienen, 10 oktober 1817).

En dan waren er nog de geheime clausules waarnaar de kopers zich te schikken hadden, maar dat is stof voor het volgende nummer van Alpaidis
(wordt vervolgd)

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017

Bronnen en citaten[+]

De jaren 1637 en 1668 waren Pestjaren te Meldert

Pestjaar 1636 te Hoegaarden.(3)

(3)[1]

Over de pestepidemie van Leuven en Tienen voor de periode 1634-1636 is reeds meer gepubliceerd.
Recent verscheen er nog een werk over de pest te Leuven. “De pest te Leuven, 1634-1636: de kapucijnen en de zorg om de mens”. Voor de gemeente Meldert vinden we in het begraafboek, voor het jaar 1637, een afzonderlijke lijst, opgesteld door de pastoor, van personen die overleden waren aan deze ziekte. (A° 1637 obierunt peste ; begraafboek 1635- 1701 folio 5)

Maar voor Hoegaarden was het onduidelijk . Het begraafboek van Hoegaarden begint pas in 1647 zodat we hier geen gegevens kunnen uit halen. Echter via de rekening van borgemeester Willem Nijs voor de tweede helft van 1636 weten we dat Hoegaarden niet gespaard is gebleven van deze ziekte. Deze rekeningen beginnen op 24 juni ( Sint-Jansmis) en eindigen op 25 december van het zelfde jaar . “Vuijtgeve Willem Nijs als borg(he)m(eeste)r van(den) halve jare beginnende van Sint-Jansmisse 1636 tot kerssmisse des selfts jaers” (4)[2]

In het begin werd blijkbaar beroep gedaan op een pestmeester uit Leuven” aen den p(est)meester van die salicheijt comende sestmael van loven” maar tevens vinden we verwijzingen naar minstens 2 pestmeesters die genoemd werden met hun naam, namelijk meester Jan de Meijer en meester Pieter. Een pestmeester werd door de plaatselijke overheid aangesteld voor het verzorgen van de pestlijders ten tijde van een epidemie. In het begin is er sprake van de “salicheit” wat toch sterk doet vermoeden dat er een pestepidemie heerste . Het Woordenboek der Nederlandse taal geeft onder andere als verklaring : “opgegeven beteekenis van salicheyd, “ellende, beklagenswaardige of deerniswaardige toestand”, en “pestziekte”, zie bij salich, I, 6).”
In de besmette huizen mocht men geen vreemden huisvesten (wat een probleem gaf in deze oorlogsjaren). Zo vonden we rekeningen terug die hier naar verwijzen. “ 12 stuivers aen ienen italiander die om die salichheijt sijn huijs heeft moeten verlaten”
We vinden ook vermeldingen van diensten die aan de pestmeester werden verleend.” noch gelevert een sargie met een paer slapelaken”, “gecocht een voeder wishoudt voor den pestmeester” enz.

Tenslotte vinden op de rollen van Hoegaarden jaren 1635-1637een klacht op datum van 5 november 1636 van pestmeester Jan de Meijer.
Hierin richt hij zich tot de schepenen met zijn klacht omdat hij voor twee termijnen trouwe dienst nog geen betalingen had bekomen van de borgemeester

“Meester Jan de Meijer pestmeester aenveert van dese ghemeijnte voor twee termijnen claecht aen scepenen hoe hij qualijc betalinghe con becomen vuijt handen vanden borghem(eeste)r nietteghestaend sijnen getrouwen dienst , enz.”

Navolgend de verschillende vermeldingen in de burgemeester rekening voor tweede helft 1636

  • folio 1 v. Item gegeven 12 stuivers aen ienen italiander (5)[3] die om die salichheijt sijn huijs heeft moeten verlaten.
  • folio 2 r. Item bijden borgemeester (6)[4] noch gegeven xxiiij st(uivers) aen ienen italiander voor vier daghen dat hij sijn huijs hadde moeten verlaten om die salicheijt.
  • folio 2 v. Item gegeven eenen pattacon aen den p(est)meester van die salicheijt comende sestmael van loven ij R(insgulden) viij st(uivers).
    item noch gegeven aen m(eeste)r Jan pestm(eeste)r ix R(insgulden).
    Item voor die selve claer affgetapt in twee reijsen 90 cannen bier maeckt ix R(insgulden)
  • folio 3 r. Item gevuert 47 mitzarden voorden selven pestmeester tegen twee stuijvers den mitzarde facit iiij R(insgulden) xiiij St(uivers)
    Item voordie selve noch gelevert een sargie met een paer slapelaken daer voor v R(insgulden) iij St(uivers)
    Item noch gevuert een ame goede bier voor die selve daer voor viij R(insgulden) Item betaelt in alles aendie pestm(eeste)rs te weten Pieter LVJ R(insgulden) ij St(uivers). folio 3 v. Item getapt een vaetken groot 32 kannen biers voor Fran. Fernand als hij vuijt den borg(e)m(eeste)r huijs trock om die salighijt daer voor iij R(insgulde iiij St(uivers).
  • folio 4 r. Item een dach gevaceert naer eenen pestmeester te voet daer voor iij R(insgulden).
  • folio 6 v. Item noch gecocht een stuck biers aen Sacharias van Montenaken t’selve gevuert aen die pestm(eeste)rs tot overlaer daer voor xviij R(insgulden).
    Item gegeven aendie meester te weten meester Jan de Meijer en(de) sijnen swager voor drij termijnen van he.. dienst achtervolgens die quittancie die somme van drij hondert vijfftich rinsg(ulden)
  • folio 7 r. Item gelevert aen m(eeste)r Jan de Meijer pestm(eeste)r voor xv rinsg(ulden) houdt (7)[5] gecocht aen Adriaen Pieters xv R(insgulden).
  • folio 8 v.Item noch gecocht een voeder wishoudt voor den pestmeester daer voor betaelt vj R(insgulden).
  • folio 9 r. Item noch gecocht een stuck goedt (8)[6] bier aen Goossen van Mol, t’selve gelevert aen(den) pestmeester daer voor xviij R(insgulden).
  • folio 10 r. Item noch gecocht twee amen goedt biers aen Jacques Nijs t’selve heef gehadt den pestmeester daer voor xiiij R(insgulden) viij St(uivers).
  • folio 12 r. Item heeft den selven gegeven aen Pieter pestmeester voor eenen weerdel alsmen hen huerde in het huijs Marten van Duijck iij R(insgulden).
  • folio 13 v. Item noch gegeven de somme van vierenveertich rinsg(ulden) makende met een andere somme hondert rinsg(ulden) ende dat aenden pater van die bogarde thienen in voldoeninghe t’ gheven m(eeste)r P(iete)r den pestmeester hier moet hebben XLIIIJ R(insgulden.
    Item betaelt voor die costen van den voors(chreven) meester Pieter te huijse Sebastiaen Bollin XLVIIJ R 48 R
  • folio 15 r. item den selven noch gelevert sesse stucken biers soo tot Loven Brussel als elders ende die vaten achtergebleven ende in die rekeninghe Jan Nijs door die in sijne wed(uw)e in die salicgeijt was ergo voor die vaten x ½. R
    folio 15 v. Den selven noch gegeven aen m(eeste)r Jan de Meijer pestm(eeste)r die somme van xj R(insgulden) xij st(uivers) Nihil
  • folio 18 r. Item noch gelevert inden name als boven aen die pestmeesters voor drij rinsgulde en vier stijvers bier iij R(insgulden) iiij st(uivers).Item bijden selven gelevert aendie pestmeesters een pondt keerssen , den 15° nob(..)is daer voor viij st  Item noch gelevert aendie voors(chreven) meesters een pondt keerssen viij st(uivers).
  • folio 18 v Item bijden selven noch gelevert twee pondt keerssen aenden voors(schreven) pestmeesters daer voor xiij ½. St(uivers). Jooris Ghijs heeft gelevert voor die pestmeester in kerssen houdt ende nit t’gelijke die selve t’sijnen huijse hebben verteert alsnoch hen aenveerden ij R(insgulden) xvj st(uivers)
  • folio 21 v. Gonis vanden Brouck heeft gevaceert voor die ghemeinte vier daghen ende voorts voor sijne gaen tot thienen ende hier ontrent ten tijde vandie pestmeester ende soldaten daer voor viij R(insgulden)
  • folio 22 r. Cornelis Lambeets heeft noch gelevert ende verschoten om …. te coopen voor den pestmeester, t’selve gecocht bij Gonis van(den) Brouck de som(m)e van ix rinsg(ulden).
  • folio 22 v. Item gegeven aendie wed(uw)e Bartel de Juijper voor het gebruijck van haer huijs ende houdt bij die pestmeesters gebruijckt de som(m)e van xij R(insgulden).

Meldert 1637 Nomina eorum qui obijerunt peste

De namen van degenen die door de pest overleden zijn

Meldert werd in het midden van de 17° eeuw tweemaal geteisterd door een pestepidemie namelijk in 1637 en in 1668. Dit kunnen we afleiden uit het begraafboek van Meldert want de pastoor maakte hiervoor een aparte lijst.

We vinden tevens een status animarum of lijst van de parochianen opgemaakt na deze pestepidemies namelijk in 1639 en 1672. Mogelijks vond de pastoor het belangrijk om nog eens een lijst op te maken van zijn parochianen na deze twee rampen. In 1637 telde men meer dan 46 doden en in het jaar 1668 waren er 42 slachtoffers te betreuren. Ter vergelijking tussen de jaren 1635 en 1680 telde men gemiddeld 4.5 begrafenissen per jaar met als uitschieters 1653 met 13 begrafenissen en 1641 en 1675 zonder begrafenissen .

Meldert telde nog 57 gezinnen in 1639 volgens de status animarum en in 1672 waren er nog slechts 30 gezinnen over.
Vermoedelijk stopte de epidemie van 1668 op het einde van het jaar want we vinden een overlijden van Natalis Dockir op 25 dec 1668 die niet in deze lijst werd opgenomen . Men spreekt van een epidemie indien en ziekte in een grotere frequentie dan normaal voorkomt.

A°.1637 obierunt peste (de namen van de overledenen aan de pest, anno 1637) 

Op het kasteel:

 Paulus Sweerts

Rond de feestdag van de H. Benedictu, vroeger 21 maart tegenwoordig 11 juli:

 Cornelius van(de) Poel en zijn echtgenote Anna en 3 of 4 van hun kinderen 

Kort na Pasen (12 april 1637):

Lambert Renard, echtgenote Paschasia, 3 kinderen, en meid Hubert NN.

Op de woensdag van de Quatertemperdagen:

 Joannes de timmerman ‘(of schrijnwerker)

Kort na pinksteren (31 mei 1637):

 Catharina Du Mont en twee van haar jongste kinderen

Na sacramentsdag (2de donderdag na pinksteren = 11 juni 1637):

  • Everaerts Franciscus , Adrianus , Nicolaus , Elisabeth , Maria en ook de kleine Elisabeth
  • Joannes Del Glissiere en zijn kindje
  • Ermelindis Nollet en Henricus Nollet
  • Adilia, Joanna en Gerard Du Pont/Dupont
  • Guilielmus (Willem) Le Page overleed ten gevolge van koorts)
  • Guilielmus van(den) Bosche en zijn enige zoon
  • Maria Simon en Joannes Simon
  • Alle kinderen van Karel/Charles Bourguignon
  • Maria Notelaer
  • Henricus Goffaert en zijn echtgenote Elisabeth en hun kinderen Gertrudis, Joannes, Ermelinde
  • Franciscus Houbaije
  • Renerus van(de) Poel
  • NN. Van(den) bosch; Maria Tromli
  • Catharina del Chappelle; Anna Meulemans
  • De laatste die bezweek aan de pest ca. november, was Joannes Landewijck

Meldert 1668 Namen van de slachtoffers in 1668 

  • Ten eerste Gertrudis Neutelaers
  • E.H. Lambertus a Filia, de pastoor
  • Adrianus Persoons en zijn moeder Maria Langendonck
  • Franciscus Nullekens
  • Joannes Moos en zijn echtgenote Gertrudis Neutelaers
  • Petrus Goffaers
  • Joannes Waers
  • Elisabeteth Mariels de echtgenote van Deni
  • Maria Delsau, echtgenote van Hieronimus Everaers
  • Guilelmus de Pus/Depus, hun knecht
  • Paulus vanden Neis en echtgenote Catharina Panhuys
  • Nicolaus Neutelers et Maria Swel(len), zijn echtgenote en dochter Anna
  • Martinus vanden Bos
  • Ermelindis Delsau, echtgenote van Petrus Jade
  • Barbara Jade °30 juli 1651 dr van Petrus Jadet en Ermelindis Delsaux)
  • Maria Jade (° 5 aug 1654 dr Petrus Jaddet en Emelindis Delsaux)
  • Carolus Jade ( 15 oct 1658 zn Petrus Jaddet en Ermelindis Delsaulx)
  • Joanna Dissie, echtgenote van Guilielmus/Willem Milot
  • Maria Chapelle
  • Petronella vandenbos, weduwe
  • Godefridus Sutaer en Guilielmus Sutaer
  • Matthias Pirot
  • Henricus Nullekens en zijn zoon Hieronimus
  • Joannes Cans, de meier van Meldert
  • Renerius Cans , zoon van Joannes Cans en Anna de Bra (°3 feb 1654)
  • Barbara Neutelaers, weduwe
  • Guilhelma Faes, de echtgenote van Gerard Gilson
  • Anna Gilson, dochter van Gerard Gilson en Guilielma Faes (°19 maart 1654)
  • Anna del Piere ; Maria de Page ; Maria Dumon ; Matthias Missaert en Anna Piereton
  • Adriana Gilson en Anna Beeck haar dochter ( dochter van Beeck en Adriana Gilson)

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017

Bronnen en citaten[+]

De crash van Canadese piloot Chadwick

De crash van Canadese piloot Chadwick
De eerste wereldoorlog herdacht

‘De 2de oktober 1916 ten 8 uren ‘s morgens is een vlieger van Toronto (Canada) met name Arnold Chadwick neergekomen te Hoxem-Cumptich op een uur afstand van Meldert; hij had bommen geworpen te Schaarbeek (Brussel) zegde hij. Daar moet ook zijn motor door een kogel getroffen geweest zijn, zodanig dat hij gedwongen was te dalen. Op een hoogte van 4 meters was hij uit zijn vliegtuig gesprongen en vluchtte dan in volle spoed naar Meldert waar hij op de pastorij aanlandde rond 9 uren ‘s morgens. Te 10 uren was de pastorij reeds omsingeld van Duitse soldaten die hem vruchtloos hebben opgezocht, zelfs met speurhonden; de vlieger werd verkleed in slechte burgerklederen en heeft zich schuil gehouden eerst op de pastorij, dan bij den Heer August Cloets, dan 20 dagen op het kasteel van Mr. de Lantsheere, waar nochtans de Kommandant der Duitsers gedurig verbleef en den 28ste oktober is hij vertrokken naar het front, vermomd in vrouwpersoon, waar hij goed is aangekomen; aan zijn geleiden vroegen de Duitse hun paspoort, maar aan den vlieger vergenoegden zij zich met te zeggen ‘Wat schoon vrouwmens!!’
Gedurende 6 maanden hebben zich op de pastorij verborgen gehouden, ten 1ste een spioen van Antwerpen met name John De Beuckeleer, die bij verstek ter dood was veroordeeld en nu bewaard is gebleven; en ten 2de een jongeling van Luik die het ‘Meldenambt’ was ontvlucht, maar jammerlijk, later de grens willende overtrekken, in de handen der Duitsers is gevallen en tot 6 maanden gevang is veroordeeld.’ (2)[1]

(Foto met dank aan Marc Fuchs)

(Foto met dank aan Marc Fuchs)

Louise Vander Velpen geeft het relaas als volgt in haar oorlogsdagboek:

‘Vorige woensdag ben ik met mama naar Brussel geweest, waar die dag een geallieerd vliegtuig op bezoek is gekomen. Ze gooiden een bom op de kazerne van Schaarbeek, maar we weten niet of de Moffen schade hebben geleden. Ze zeggen er niets over en ze verbieden de plaats van de ramp te naderen. Ongelukkiglijk zijn een tiental burgers gedood en vielen er een vijftigtal gewonden. Dit schijnt het gevolg te zijn van de schrapnels van de moffen die niet ontploft zijn in de lucht, maar ontploften op het moment dat ze de grond raakten. De Moffen hadden foute obussen mee. We zagen het vliegtuig want we zaten nog op de trein op een redelijke afstand van Brussel. Het was 8 uur ’s morgens. Het was lang geleden dat ik nog een vliegtuig had gezien, misschien is het wel het eerste vliegtuig dat ik zag dit jaar. Vandaag vloog er hier een vliegtuig over. Een beetje later heeft mama er een tweede zien overvliegen. We horen ook al enige dagen zwaar kanonnengeschut. Vooral gisteren was het gebulder zeer hevig. Het lawaai was zeker zo luid als bij de slag rond Leuven, alleen maar klonk het geluid nu anders. Nu horen we een zeer luid gebulder dat zonder ophouden voortduurt met daartussen soms nog luidere slagen, maar we horen ook dat het van zeer ver komt. Bij de gevechten rond Leuven hoorden we meer de afzonderlijke salvo’s. (maandag 02.10.1916)

Het tweede vliegtuig dat mama zag was eigenlijk het eerste dat terugkeerde. Het schijnt dat het bommen is gaan gooien op de spoorlijn in de omgeving van Landen, maar tussen Hoksem en Kumtich heeft de piloot een noodlanding moeten maken. De piepjonge Engelsman, hij was 18 à 20 jaar, heeft zich in veiligheid kunnen brengen. Al de inwoners van Hoksem die dicht bij de landingsplaats waren wilden de piloot helpen. Gelukkig zijn diegenen die de gelegenheid hebben zo een reddingsoperatie te mogen uitvoeren! (dinsdag 03.10.1916)

Vorige zondag zagen we drie vliegtuigen overvliegen. Er wordt verteld dat het die van Hoksem is die komt kijken naar de plaats van zijn noodlanding. Er wordt nogal wat gespeculeerd!

Vorige donderdag was er de tweede opeising van paarden. Deze keer hebben de moffen er veel gestolen.

Gisteren en vandaag hoorde ik de kanonnen weeral. (zaterdag 14.10.1916)

De replica op de opening van de tentoonstelling in de zaal ‘Grand Cru’ van het gemeentehuis ( 9 november 2017),

De replica op de opening van de tentoonstelling in de zaal ‘Grand Cru’ van het gemeentehuis ( 9 november 2017), met dank aan Stefan Puttemans

Of Louise Vandervelpen het over hetzelfde vliegtuig heeft als de pastoor van Meldert is onduidelijk. Zij heeft het in elk geval van horen zeggen terwijl een aantal burgers van Meldert er met de neus opzaten. Monique Hendrickx, nakomeling van de familie Cloets, weet dat de piloot Arnold Chadwick in het veld is opgevangen door haar grootvader: Hij gaf hem zijn pet en zijn jas, opdat hij minder zou opvallen. De piloot sliep nadien bij nonkel Maurice. Zij waren even oud en raakten bevriend. Chadwick gaf hem een ring en beloofde ooit terug te komen. Dat is niet gebeurd want de man stortte in 1917 neer in Het Kanaal, spoelde aan in De Panne en is begraven in Adinkerke.”

Nog meer families raakten erbij betrokken: Gustaaf Peeters, alias Staaf Juge, zocht Oscar Vandepoel op. Die was toen 28 en chauffeur op het kasteel van Meldert. Hij overlegde met zijn verloofde Stephanie Rodeyns (toen 28, kok op het kasteel). Ze verstopten de piloot in de toren van het kasteel, zeker twintig dagen. Hun relaas: “Op zekere dag kwam meneer Storms, van het kasteel van Oorbeek, langs met een plan. Toevallig of niet? ‘Oscar, gij smokkelt hem met den tram tot aan den dreef in Oorbeek.’ In vrouwenklederen, mooi geschminkt, ging Arnold samen met Oscar op de tram tot aan het kasteel in Oorbeek. Daar wachtte een man hen op, donker gekleed, met een sjaal voor zijn gezicht. Meneer Storms was met een Engelse getrouwd. Misschien was dat het begin van een vluchtroute naar Nederland? In elk geval kwam er enkele weken later via de Engelse post een bericht: De vogel in de gouden kooi is gaan vliegen.”

Wat uitleg

De modellen hier bij de opbouw van de tentoonstelling met bouwer Guido van RCF-CNC,  de site voor de bigscale bouwer; en Noël Verlaers van Hoegaards Erfgoed

De Sopwith 1 1/2 Strutter is een Engels jachtvliegtuig uit de eerste wereldoorlog. Het maakte zijn eerste vlucht in december 1915 en het werd in april 1916 in dienst genomen. Het werd ook als bombardementsvliegtuig gebruikt.

Er zijn er in totaal een kleine 6.000 van gebouwd. Er waren twee bemanningsleden aan boord in de versie ‘bombardementsvliegtuig (1 piloot en 1 observator) met als bewapening een interne én een externe mitrailleuse, en 4 bommen van elk 25 kg.; in de jachtversie was alleen de piloot aan boord en hij beschikte over een externe mitrailleuse. Leeg woog het toestel 570 kg., uitgerust met de bewapening 975 kg. De maximumsnelheid bedroeg 164 km/h en de actieradius was 565 km.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017

Bronnen en citaten[+]

Pittige verhalen uit Folx-les-Caves

Pittige verhalen uit Folx-les-Caves/Histoires de Folx-les-Caves
We schrijven 9 maart 1769, Pierre Colon en zijn Hoegaardse echtgenote worden opgehangen !

(Michel De Ro, 2017)

Het verhaal over de bandiet Colon en zijn echtgenote, opgehangen in Folx-les-Caves op 9 maart 1769

Het verhaal over de bandiet Colon en zijn echtgenote, opgehangen in Folx-les-Caves op 9 maart 1769 is een historie die reeds rond 1840 door Alphonse Wauters was gekend.
Het verhaal behoorde tot de vaste ingrediënten van een bezoek aan de plaatselijke grotten, die wij vrij recent vooral kennen door Pierre Celis die er een gedeelte van kocht om er zijn ‘Grottenbier’ te laten rijpen, wat uiteindelijk niet doorging omdat de grotten beschermd monument werden en een habitat voor vleermuizen.

Michel De Ro heeft zich vastgebeten in het verhaal van de bandiet Colon. Hij heeft daarvoor eerst alles wat gezegd en ooit gepubliceerd is bestudeerd en vervolgens is hij op zoek gegaan naar processen en documenten om de feiten te staven. De waarom vraag: ophanging, ook zijn echtgenote, en waarom werd ook zijn huis met de grond gelijkgemaakt? De Ro formuleert een hypothese en kwam zo in Hoegaarden terecht. In dit en volgend nummer gaan we eerst in op zijn huwelijk te Hoegaarden en daarna zal de hypothese van De Ro, die draait rond biersmokkel, behandeld worden.

De Hoegaardse echtgenote van Pierre Colon

Pierre Colon trouwde met een meisje van Hoegaarden, Marie Tirion, die moeder werd van negen kinderen en samen met haar man veroordeeld werd tot de doodstraf en opgehangen te Folx-les-Caves in 1769.

+ van François Colon
+ van Pierre Colon

Handtekening van Marie Thirion (stuntelig maar toch)

De gebroeders François en Pierre Colon mochten dan wel analfabeet zijn, Marie Tirion kon, zij het moeizaam, gezien bovenstaand voorbeeld, toch een handtekening zetten.

De huwelijksakte van Marie en Pierre in de parochieregisters van Hoegaarden

Huwelijk Petrus Collon en Maria Tirion

27 augustus
Gingen een huwelijk aan
Na de drie roepen
Petrus Collon en Maria Tirion
Met als getuigen Joannes Baptista
Stritsmans en Lambertus Collon

Dat was op 27 augustus 1749 de eerste getuige Jean (Baptist) Stritsmans/Stridtsmans was de man van Marie-Anne Tirion

In Folx-les-Caves staan de mergelgrotten, waar indertijd Johan en de Alverman is gefilmd, te koop. Het tweede gedeelte ervan is al eerder door de Hoegaardse brouwer Pierre Celis verkocht aan de provincie Waals-Brabant. Het is nu een beschermd monument, habitat voor vleermuizen. De ondergrondse gangen zijn ontstaan door het uitmergelen van de ondergrond. Mergel werd gebruikt om akkers te verbeteren. Een deel ervan was in bezit van Maurice Racourt, die er soms groepen ontving. Na zijn overlijden in 2009 kwam dat deel in handen van familieleden die boven- en ondergrond nu verkopen (vraagprijs 350.000 euro). Het aanpalende, lagere deel, is in 2006 gekocht door de provincie. Dat was tot dan eigendom van Pierre Celis (19252011) die er bier wilde laten champagniseren. Celis’ Grottenbier is uiteindelijk in Watou gebrouwen en gerijpt in grotten in Kanne.

(Raymond Billen, Het Nieuwsblad, 04.02.2016)

Celis' Grottenbier is uiteindelijk in Watou gebrouwen en gerijpt in grotten in Kanne.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017

Drie zussen begijntjes uit Outgaarden

Van de 12 kinderen van Jan Karel Lebegge (Outg. 10.11.1719-14.09.1794) en Anna Marie Theresia Nijs (Outg. 02.02.1724-06.04.1800) werden de drie jongsten begijn in het Tiense begijnhof

  1. Lebegge Jan Norbert (Outg. 12.11.1745-27.11.1745)
  2. Lebegge Filip Nicolas (Outg. 05.11.1746-02.11.1816, werd priester, overleed als ‘ex-religieux’, 69 j.
  3. Lebegge Maria Theresia (Outg. 18.12.1748) x Loriers Godefroid
  4. Lebegge Joanna Jacoba (Outg. 22.10.1750-13.07.1753)
  5. Lebegge Hendrik Bartholomeus (Outg. 24.08.1752-01.07.1753)
  6. Lebegge Anna Maria (Outg. 05.06.1754)
  7. Lebegge Hendrik (Outg. 05.09.1756)
  8. Lebegge Maria Elisabeth (Outg. 07.02.1759) x Lebegge Jan Baptist
  9. Lebegge Maria Anna Josepha (Outg. 23.05.1761) x Everard Nicolas
  10. Lebegge Maria Philippine (Outg. 18.02.1764-Tienen 16.11.1746)
  11. Lebegge Maria Catharina Deodata (Outg. 08.03.1767-Tienen 09.04.1855)
  12. Lebegge Maria Carolina (Outg. 21.09.1769-Tienen), begijn alle drie
De begijnhof- Kerk of Paterskerk 1975

Tienen: De begijnhofkerk of ‘Paterskerk’ vóór de brand van 22.09.1976; de ruïne is in 1997 ingericht als wandelpark.

Een begijnhof was een wereld op zich. Dit kwam doordat deze hoven aan de stadsrand gelegen waren en ook ommuurd waren. Begijnen waren godvruchtige vrouwen, wonend in aparte woningen maar verenigd in een gemeenschap. Ze waren aan een mystieke regel onderworpen, maar vormden geen kloosterorde. Wel droegen ze specifieke kleding, kwamen weinig buiten hun muren en betaalden belastingen, omdat ze niet onderworpen waren aan de gelofte van armoede. Verder onderwierpen ze zich aan het gezag van hun oversten, de zogenaamde regentessen of grootjuffrouwen. Wat ze bezaten, behielden ze zolang ze leefden.

Vermoedelijk werd het begijnhof rond 1240 gesticht. Zeker is dat al in 1245 de bouwwerken aan hun kerk startten. In 1250 zegende een hulpbisschop deze in aanbouw zijnde kerk in. Door verscheidene schenkingen vergrootten de begijnen gaandeweg hun domein. Enkele oude bronnen zeggen dat de gemeenschap al snel groeide naar 300 begijnen. In 1754 bestond het Begijnhof uit 57 huizen, naast het gemeenschappelijk Convent, de Infirmerie en het ‘Contoir’. Opvallend was dat veel begijnen van goede afkomst waren. Maar dat was niet noodzakelijk.

Tijdens de Franse revolutie werd het begijnhof afgeschaft en kwamen de goederen in handen van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen. In 1823 waren er nog slechts 27 begijntjes overgebleven. Sommigen gaven onderwijs aan arme meisjes. Bij bombardementen in 1944 werden de meeste huisjes van het begijnhof vernield.

In 1843 verkocht de Commissie der Burgerlijke Godshuizen (een voorloper van het huidige OCMW) de Begijnhofkerk en de aanpalende gebouwen aan de paters dominicanen, die het geheel omvormden tot een klooster. Dat de paters erg geliefd waren, merken we aan het feit dat de Begijnhofkerk bij de Tienenaars nog altijd bekend staat als de ‘Paterskerk’.

De Paterskerk anno 2020

Merkwaardig is dat de Tiense begijnen met Kerstmis recht hadden op een ‘toteman’ (een langwerpig koekgebak met rozijnen, dat kinderen te Hoegaarden ook kregen (en misschien nog krijgen?) op 25 december.
Doorheen het jaar waren er nog meer gelegenheden waarop specialiteiten werden uitgedeeld, maar daarover handelen we in ons volgend nummer, waarin we naast de leefregels van de begijnen ook een lijst van Hoegaardse begijnen zullen publiceren.

een ‘toteman’ (een langwerpig koekgebak met rozijnen, dat kinderen te Hoegaarden ook kregen

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017

Een funeraire tuin

Een funeraire tuin: Planten en hun symboliek op de begraafplaats (1)[1] 

De acacia

De acacia

De acacia (Robinia pseudoacacia L.) blijft een zeldzame verschijning op begraafplaatsen.

Nochtans was de doornenkroon van Christus uit acaciadoornen samengesteld en was de acaciahouten Ark des Verbonds overtrokken met zuiver goud.

Het harde rotbestendige hout en het doorlevende groene loof staan voor eeuwigheid en onsterfelijkheid. De acaciatak als funerair symbool wordt vooral gebruikt door de Vrijmetselaars.

De acanthus

De acanthus

De acanthus (Acanthus mollis L.) heeft zijn funeraire symboolwaarde te danken aan zijn stekelige bladeren. Een Griekse beeldhouwer zou in de 5de eeuw V.C. een kapiteel ontworpen hebben naar een bos acanthus bladeren op een meisjesgraf.

De acanthus wijst ons er op dat de beproevingen van leven en dood, gesymboliseerd door de stekels van de plant, glansrijk waren te boven gekomen.

Korinthische zuilen en lijkwagens zouden ermee getooid zijn omdat architecten en overledenen de moeilijkheden eigen aan hun taak hebben overwonnen.

De aronskelk

De aronskelk

De aronskelk (Arum maculatum L.) ‘die zijn bloem omhoog naar de hemel richt’, wordt gebruikt als symbool voor Maria.

De boom (en dan vooral eik, linde, es, olijfboom, lork, berk) waarvan de wortels in de aarde dringen en de takken naar de hemel reiken, wordt universeel aanzien als een symbool van de verhoudingen tussen hemel en aarde. Het cyclische van dood en regeneratie vindt zijn weerspiegeling in het jaarlijks afsterven en heroplevend gebladerte.

In kruisvorm en gesnoeid staat de boom symbool voor het geloof in de wederopstanding; hij vormt aldus de Christelijke tegenhanger van de veeleer vrijzinnige gebroken kolom.

De gebroken kolom, vooral vrijzinnig symbool

De gebroken kolom, vooral vrijzinnig symbool

De combinatie met een gebroken keten verwijst naar Christus die met zijn dood het kwaad heeft overwonnen en de mensheid heeft bevrijd van de ketens van de erfzonde.

De buksboom

De buksboom

De buksboom (Buxus supervirens L.) werd in de oudheid toegewijd aan de vruchtbaarheidsgodin Cybele of de dodengod Hades. Omwille van zijn altijdgroen gebladerte bleef hij sindsdien symbool van onsterfelijkheid. Diezelfde groene kleur, kenmerk van de godin Aphrodite, verheft de buksboom als symbool van de liefde, vruchtbaarheid en dood tot een symbool van de levenscyclus.

In Noord-Europa verving de buksboom op Palmzondag, herdenking van de Blijde intrede van Christus in Jeruzalem, de oorspronkelijke dadelpalmtak.

De ceder van Libanon

De ceder van Libanon

De ceder van Libanon (Cedrus libani), immer groen, duurzame houtsoort, hoge ouderdom en gigantische afmetingen; staat symbool voor grootsheid, voornaamheid, onbederfelijkheid en dus onsterfelijkheid.

De chrysant

De chrysant

De chrysant (Chrysanthemum spec. L.) is het embleem van het Japanse keizerlijke hof en wordt er geassocieerd met lang leven en dus onsterfelijkheid omwille van de regelmatige, straalsgewijze inplanting van de bloembladeren, een onverbloemde verwijzing naar de zon en het leven. Hun gebruik als kerkhofbloem, thans onverbrekelijk verbonden met 1 november, het tot herdenkingsdag van de overledenen gelaïciseerde Allerzielen, vindt zijn oorsprong nochtans ten vroegste vanaf 1880.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017

Bronnen en citaten[+]

Alpaidis-nr-209-54ste-jaargang-4-2017

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-209-53ste-jaargang-4-2017