Ga naar de inhoud

Terug naar Julius in het Kluisveld

Het lijk van het Kluisveld

HOEGAARDS ERFGOED WOENSDAG 20 FEBRUARI 2018

Vzw Hoegaards Erfgoed kwam tussen bij de archeologische dienst Portiva en het gemeentebestuur, voor de conservatie van de gallo-romeinse mozaiekvloer uit de villa op de Blotenberg.

Die is in 1982 opgegraven en sindsdien bewaard in het gemeentelijk depot. Na restauratie kan hij worden geëxposeerd in zaal Grand Cru, in het gemeentehuis, naast andere relicten uit de opgravingen in Meer, Goudberg, Kluisveld, Blotenberg… Het gemeentebestuur bouwt die zaal verder uit als een archiefkamer, open voor alle gebruikers, en tegelijk nuttig als expozaal (bv. met Palmzondag). 

In de voorbereiding voor dit dossier maakte mevrouw Anne-Marie Huon-Peeters ons nuttige informatie over over de stand van de archeologische opgravingen door archeoloog Marc Meurrens en medewerkers in 19791982. Tot nu ontbrak het meeste fotomateriaal en was het moeilijk om de exacte plaatsen aan te duiden. De KU Leuven (“Bodemschatten in Oost Brabant”), het provinciebestuur (de hsl-site, de Vlaamse Landmaatchappij) publiceerden hierover gedeeltelijk. Portiva, met Tom DeBruyne en medewerkers, werkt nu aan een waardevolle aanvulling.

Wie de opgravingen binnen het programma “Duizend jaar Hoegaarden,” kon volgen, herinnert zich de materiële vondsten en allicht ook “Het Lijk van het Kluisveld”. Op bijgaande foto, van de hand van Mare Meurrens, is het slachtoffer te zien. De villa uit de 2de eeuw na Christus is vermoedelijk in de tweede helft van die eeuw vernield bij de inval van Germaanse stammen rond 170. “Het noodgraf dat in de onmiddellijke nabijheid van de kelder werd gevonden, is waarschijnlijk dat van een van de slachtoffers”, aldus Meurrens in 1982. “Het anthropologisch onderzoek heeft immers uitgewezen dat de man uit het graf op een gewelddadige manier om het leven kwam.”

In die periode van het onderzoek in het Kluisveld, brouwde Pierre Celis een nieuw bier, met een Romeins etiket. Omdat het niet César mocht heten, werd gekozen voor de naam Julius. Het bestaat ook vandaag nog, al wordt het door ABInbev elders gebrouwen.

De anonieme man van het Kluisveld noemen we daarom Julius. 

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-215-56ste-jaargang-2-2020

Hommage aan Freddy Maennaerts 

Freman

Een korf herinneringen aan het rijkelijk gevulde leven van Freddy Mannaerts (19452019) ‘Eens Hoegaardier – altijd Hoegaardier – voor iedereen Hoegaardier’

FREMAN: is vooreerst de schuilnaam van kunstschilder Freddy Mannaerts, afgeleid uit de eerste lettergreep van zijn voor- en familienaam.

Tentoonstelling 1967

FREMAN 67: is zijn allereerste tentoonstelling die plaats greep in het museum Julien Van Nerum van 9 tot en met 24 september 1967 en de meest representatieve werken ten toon spreidde van FREMAN.

Freddy Mannaerts werd geboren op 22 augustus 1945 te Hoegaarden, Tiensestraat 75, en is dus een echte Hoegaardier, wonende in de Doelstrat 66.

Als kleuter bezocht hij de gemeentelijke ‘bewaarschool’, in die tijd nog naast het gemeentehuis. De juffrouw had toen aan zijn ouders gezegd, dat indien ‘hunne kleine’ niet al te best moest studeren hij toch genoeg talent bezat in zijn tekeningen.

Vanaf zijn zesde levensjaar bezocht hij dan de grote school of gemeentelijke jongensschool, waar hij zijn eerste verstandelijke vorming kreeg. Geleidelijk aan evolueerde de kleine Freman tot een knaap van twaalf jaar en moest, gezien hij niet tot de domsten behoorde, tezamen met zijn vrienden Swellen, Delmel, Vaes e.a. de lessen in de zesde van het Koninklijk Atheneum te Tienen volgen.

Behorend tot een handelaarsgezin, waar vader en moeder weinig tijd hadden, was hij reeds vanaf zijn eerste leerjaar gewoon zelfstandig te werken, zodat dit hem zeker ten goede kwam in het atheneum.
Hier boeiden hem zeer de lesuren handenarbeid onder leiding van de Heer Theo Humblet, kunstschilder. Door de Heer F. Van de Velde, tekenleraar kwam Freman in de derde moderne wetenschappelijke A, afdeling artistiek tekenen.

Dit schrikte hem niet af, daar hij wist dat het voor hem gunstig was voor zijn volgende studies.

Op 30 juni 1963 bekwam hij aldaar zijn gehomologeerd getuigschrift en kon verder zijn studies kiezen. Gedurende zijn atheneumtijd knapte hij reeds verschillende decoratiewerkjes op voor verschillende jeugdverenigingen en toneelvoorstellingen. Min of meer gesteund door zijn vader, die huisschilder is, verf en behangpapier in voorraad heeft, kon hij gemakkelijk dergelijke werkjes opknappen.

Bij de hervatting van het schooljaar begon hij op achttienjarige leeftijd het regentaat in de plastische kunsten, waar hij door de Heer Ph. Stels ingeleid werd in de wereld der decoratieve composities en esthetica, hetgeen bij hem nog in de kinderschoenen stond. Dank zij de voldoende kennis van wetenschappelijk tekenen, opgedaan in het atheneum, kon hij zich toeleggen op de meer artistieke richtingen als kunstgeschiedenis, boetseren, schilderen en decoratie.

Dit maakte dat gedurende de eerstvolgende vakantie verschillende schilderwerken verwezenlijkt werden.

Op 23 juni 1965 werd hij met onderscheiding in de Provinciale Middelbare Normaalschool ‘Ernest Richard’ geaggregeerd leraar plastische kunsten. Het eerstvolgende schooljaar presteerde hij als tussentijdig leraar in rijksnormaalscholen te Hasselt, rijks bijzonder Lager Onderwijs te Genk en tenslotte in het Provinciaal Instituut voor de voedingsindustrie en toerisme.

Tot 27 oktober van dit jaar (1967) vervult hij zijn legerdienst bij de 10de jachtbommenwerperswing te Kleine Breugel. Nadien hoopt hij zo vlug mogelijk zijn opvoedingswerk als tekenleraar te kunnen voortzetten.

FREMAN 67

De vooropening van de tentoonstelling FREMAN 67 was een waarachtig succes. Men kon er het variërend geheel van schilderijen, schetsen, keramiek, houtsculptuur en decoratieve composities bewonderen.
De meest typische en meest gewaardeerde schilderwerken zijn FREMANS decoratieve composities. Bedoeld als versieringsstukken dient de tekening alleen als scheiding tussen figuur en achtergrond.
De kleur doet hier alles, het beste bewijs van de degelijkheid van het werk. Schilderen is niet tekenen maar vormen met kleuren.

Als U, lezer, een doek koopt, is het gewoonlijk om uw interieur te verlevendigen, zodat een decoratief werk het best hieraan beantwoordt. De diepgaande kleuren van een Freman gamma, de gebruikte klassieke opbouw met eenvoudige vormen zijn bij dit soort werken meer dan voldoende. Alleen de plaats waar het hangt in de woning kan nog van invloed zijn; zo maakt FREMAN liefst dergelijke werken op bestelling, zodat hij zijn kunst aanpast aan de omgeving. Op die manier kan het kunstwerk niet anders dan tot het interieur behoren.
Een voorbeeld hiervan is ‘Symfonie in de Nacht’, bedoeld te hangen in een trapzaal werd de schilder gegrepen door de gedachte dat de trap leidt naar de slaap, droom en nacht. Dit alles 17
wordt in diepgaande kleuren weergegeven op een donkergroene fond bezaaid met drie maansikkels, zodat men duidelijk de niet-werkelijkheid, maar het fantastische aanvoelt. Even fantasierijk zijn ook de overige stukken die zonder meer direct bevallen en geen verduidelijking vragen.
Zijn werken in verband met antieke kunst zijn meesterlijke verwezenlijkingen door iedereen aanvaard.
De stillevens zijn levendige stukjes even kleurrijk als de panelen, doch met een natuurlijke vorm der voorwerpen. ‘Huiselijk Genot’ wordt in de Volksgazet beschreven als volgt: ‘niettegenstaande een overdreven coloriet geeft het een gezellige huiselijke sfeer weer.’ Even zeer fijn van kleur is ‘Panorama op Hoegaarden’ en zoals in Het Laatste Nieuws gezegd wordt: ‘Zijn doeken vallen op door een warm kleurengamma en sterke belichting.’ ‘Droom un de Toekomst’ is hiervan een goede uitbeelding.
In een gesprek met de schilder vernamen we dat hij zijn stillevens tracht te gebruiken als schakel voor het publiek naar het moderne.
Iemand die een stilleven bewondert moet evenzeer bekoord worden door de kleuren van zijn composities. In die zin zal FREMAN 67 zeker een stukje bijgedragen hebben tot de culturele opvoeding van het Hoegaardse publiek. Het is een succes geworden zodat wij FREMAN nog veel degelijke schilderwerken zien maken in de toekomst.

STREANNAM YDDERF

Beroepscarrière

In zijn beroepscarrière was Freddy leraar plastische kunsten en wetenschappelijk tekenen, vooral aan de Provinciale Normaalschool, eerst in het middelbaar en dan 15 jaar als lesgever aan het regentaat. Hij maakte nog de overstap mee naar Groep T in Leuven, maar kon met pensioen op 55 -jarige leeftijd.

Kunst en cultuur als passie

Hij heeft veel kunstwerken gemaakt onder de naam Freman, enkele keren geëxposeerd, maar in eerste instantie was hij leraar. Regelmatig maakte hij pentekeningen en schetsen. Ook affiches ontwerpen en realiseren lag hem. Schilderen, daar had hij de laatste jaren geen tijd meer voor.

Verschillende keren exposeerde hij in ’t Nieuwhuys, in het Mariadal en de Gazet van Hoegaarden.

Freddy was zeer actief in het verenigingsleven. Hij was bij de eersten om mee onze heemkring te leiden in 1965. Zijn eerste tentoonstelling realiseerde hij in ’t Nieuwhuys in 1967; hij toonde er zijn werken en in Alpaidis
nummer 11 (1967) schreef hij een korte levensschets en een recensie bij zijn eigen tentoonstelling.

Feddy Mannaerts

Politiek

Toen hij in de politiek ging en als gemeenteraadslid werd verkozen nam hij noodgedwongen ontslag als bestuurslid in onze kring. Dat waren toen nu eenmaal de regels, wat Freddy niet verhinderde loyaal te blijven meewerken.

Freddy Mannaerts : Gemeentepolitiek

In december 2018 nam Freddy afscheid van de gemeentepolitiek, nadat hij 42 jaar onafgebroken mandataris was, 36 jaar als gemeenteraadslid en de jongste 6 jaar als OCMW-raadslid.

‘Jammer dat ik steeds in de oppositie zat en dat is uiteraard niet prettig. Ik was in 2008 wel enkele keren voorzitter van de gemeenteraad, tijdens de ziekte van de toenmalige burgemeester Frans Huon.’

Freddy Mannaerts kwam in 1976 in de politiek. Hij was achtereenvolgens raadslid voor PVV, Hoegaarden 2000, VLD en Open VLD, steeds bij de liberalen.

Gaston Hendrickx, ook sinds 1976 bij de liberalen en gemeenteraadslid getuigt: ‘Freddy was zeer bekommerd om Hoegaarden, en vooral voor de Tuinen en het Kapittelhuis. Hij heeft er mee voor gezorgd dat het in orde kwam. Freddy was zeer verdraagzaam en altijd bereid tot bemiddeling. Hij probeerde steeds alle partijen te verzoenen. Hij was ook goed bevriend met kopstukken uit andere partijen, zoals indertijd Frans Huon.’

Zijn levenswerk

Zijn levenswerk was misschien wel jeugdhuis ‘de Klup’waarvan hij van 1976 tot 2006 voorzitter was. Onder zijn leiding werd het jeugdhuis helemaal verbouwd, werden er een massa activiteiten georganiseerd en werd het jeugdhuis a-politiek gemaakt.

Overlijden

Freddy Mannaerts Overlijdenberricht - Doodsbrief
Overlijdenberricht - St.-Gorgoniuskerk (1991)
Meesterbrouwer Pierre Celis, samen met de kunstenaars UBRT (lUbrt Mannaerts, links) en Freman (Freddy Mannaerts, rechts)

Augustus 1982  (krantenartikel HLN)

Bestendige tentoonstelling in De Kluis

Hoegaarden

De ontvangstzaal van De Kluis te Hoegaarden is een lokaal dat zeker de moeite loont om bezocht te worden.

Brouwer Pieter Celis, die met zijn brouwerij in de ambachtelijke richting wilde werken, heeft al heel wat bezoekers in de Kluis ontvangen. Daarom wilde hij van het lokaal op de derde verdieping iets speciaal en sfeervol maken, waar de bezoekers op het einde van hun rondleiding rustig alle Hoegaardse bieren zouden kunnen proeven. Hij nam contact op met de schilders Freddy en Hubert Mannaerts, toevallig twee neven, om deze ruimte op te frissen.

Hubert. (UBRT), maakte één verplaatsbare olieverftekening, terwijl Freddy (Freman) tien fresco’s schilderde.

Toen Pieter Celis in 1979 contact nam met UBRT was de bedoeling een overzicht te geven van alle brouwerijen van Hocgaarden.

UBRT begon met de voorbereiding ervan, maar aangezien die niet scheen te vlotten nam de brouwer contact op met Freman.

UBRT probeerde daarna, in zijn ene gekleurde olieverftekening een samenvatting te brengen van al zijn voorbereidingen. Het schilderij van 3m.50 X 1m.25 brengt een humoristisch en ironisch panorama van Hoegaarden, met zinsspelingen op allerlei lokale conflicten, politieke toestanden enz…

Als grote lijn dwars doorheen het kunstwerk loopt de Nermbeek, met langs deze waterloop brouwerij Loriers, brouwerij De Kluis, de likeurstokerij, het Paenhuys, de eerste brouwerij P. Celis en de oude brouwerij Tomsin.
Daarnaast schilde worden nog een paar gebouwen klooster Mariadal, de kerk, museum, (Het Nieuwhuys), café Kluis en de veelbesproken sporthal afgebeeld.

UBRT schilderde ook een aantal jaarlijks weerkerende activiteiten uit het dorp, als de braderie, de palmprocessie, volksspelen door het museum, een voetbalwedstrijd tussen SC Hoegaarden en Klup Hoegaarden (uitslag 5—5) met een verwijzing naar de 5 geslachten van de gemeente, een fietskoers, een optreden van de klupvolksdansers, het Paenhuysfestival en een paardentornooi.

UBRT tekende de stoet 1000 Jaar Hoegaarden, voorafgegaan door de Melomanen van de Grote Gete, gevolgd door een auto met daarin de burgemeester en schepen, die een aanhangwagen met de gemeenteraad voorbij het museum trekt.
De volledige schildersschool van Hoegaarden alsook de luchtballon van Paul Bosteels, worden ook in het geheel ingelast. Tal van andere anecdotes worden uitge beeld en UBRT zal met plezier de mensen hierover uitleg geven.
Toen Pieter Celis Freddy Man naerts vroeg of hij de muurpanelen van zijn brouwerij wilde beschilde ren, vroeg Freman 14 dagen bedenktijd omdat hij als voorzitter van «de Klup» en als gemeente raadslid al voldoende werk had.
Toch vond hij de tijd om tien olieverftekeningen te maken in sepiakleur, met een gemiddelde afmeting van Im.55 X Im.40.

Het werden ditmaal geen humo ristische tekeningen maar een sfeerbeeld van de gemeente Hoe gaarden. Aan de wand met gezicht op Tienen maakte hij vier schilde rijen: een typische Hoegaardse bierdrinker met aarden pot en ton, een reconstructie van een Hoe gaardse brouwerij, een gezicht op de Doelstraat en een welkomsteke ning met Hoegaardse bierstoop en potten.
Aan de binnenmuur kwamen nogmaals zes schilderijen: de vlooienkapel van Rommersom, het gemeenteplein met de kiosk en de vroegere afspanning «Rust op den Berg», de kerk van Meldert en de kerk van Outgaarden.
Een typisch beeld uit de oude brouwerij Celis en een perkament vel met de in 1980 bestaande Hoegaardse bieren, nl. Hoegaard, Vader Abt, Grand Cru en Kluize naar, sluiten de collectie: af. Freman had in 80 ook het etiket van de toenmalige Kluizenaar ontworpen. 

Dit werk nam ongeveer drie maanden in beslag. Tijdens de schilderwerken kwamen verscheliene groepen op bezoek en na een paar pinten werd het schilderen dikwijls moeilijk, aldus Freman.
UBRT daarentegen kon zijn schilderij bij hem thuis afwerken. In 1980 exposeerde Freman in ‘t Nieuwhuys waar hij verschillende olieverftekeningen in dezelfde stijl tentoonstelde; ook in de ingangshal van het museum hangt zo’n tekening.
Twee jaar later, in 1982, heeft brouwerij de Kluis vooral mensen van buiten Hoegaarden aangetrokken. De bevolking van Hoegaarden kan altijd in de brouwerij terecht voor een bezoek, met als slot de degustatie van Hoegaards bier in de ontvangstzaal.
Daar kan iedereen deze unieke tentoonstelling, waarop De Kluis fier is, bewonderen – Hi.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-215-56ste-jaargang-2-2020

De jaarboeken van de HHK, Hoegaardse heemkundige kring (1982-1991)

De jaarboeken van de HHK, Hoegaardse heemkundige kring (1982-1991) [1]  

Jaarboek nr 1 (1982)

  • Statuten in de bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 28 mei 1982
  • Het archeologisch onderzoek naar een Gallo-Romeinse villa op de Blotenberg te Hoegaarden, historische situering, de Gallo-Romeinen te Hoegaarden en beschrijving van enkele recente archeologica
  • Dopere F., Archeologisch onderzoek van de donjon te Meldert, voorlopig opgravingsverslag 1982

Jaarboek nr 2 (1983)

  • F. Doperé, Restauratie en authenticiteit in monumentenzorg, met het oog op restauratie van de donjon van Meldert
  • F. Doperé, Oude grafmonumenten op het voormalig kerkhof van Meldert P. Bosteels
  • Over Hoegaarden en ander bier, algemeen artikel, niet specifiek over Hoegaarden
  • F. Doperé (voor de werkgroep),  tentoonstelling Meldert, voormalige heerlijkheid van het hertogdom Brabant
  • Kunst en geschiedenis (tussentijds verslag, 1983)

Jaarboek nr 3 is vervangen door de studie over Meldert

  • Meldert, voormalige heerlijkheid van het hertogdom Brabant.
  • Kunst en geschiedenis, Hoegaarden- Meldert
  • Uitgave van de Hoegaardse Heemkundige Kring, 1984, 370 p.

Jaarboek nr 4 (1985) (Samengesteld door Bosteels P.)

  • Een balans in de weegschaal?, beschouwingen over heemkunde door Bosteels P.
  • Vakmanschap, lef en witte Gobertange
  • Het spel van Manjg Jules Cipers,gemeentesekretaris en de eerste ambtenaar
  • Benny Swinnen, bakker en het geheim van de patakonkoek
  • Femke Simonis en haar recept van Hoegaardse biervlaai

Jaarboek nr 5 (1986)

  • Projekt Rommersom, over de kapel, wat is uitgevoerd (1986) en wat nog uit te voeren is (1987)
  • Verslag orgelwandeling 28 september 1986, Hoegaarden,
    Hoksem, Kumtich, Vertrijk en Willebringen: de
    kerkgebouwen en hun orgel
  • Dopere F., Milieu Projekt Spoorwegberm, de spoorweg Tienen
    Hoegaarden, bedenkingen in verband met de bestemming
  • Hoegaardse Heemkundige Kring, 5 jaar werking voor onze leden, overzicht van de activiteiten

Jaarboek nr 6 (1987)

  • J. Doperé, Philips II (1527-1598) en het ontstaan der Zeventien Provinciën, een korte studie van het hoe en waarom de eenmaking een noodzaak werd met een opsomming van al de landsheren

Jaarboek nr 7 is vervangen door de studie over Rommersom

  • F. Doperé e.a., De Calvarie van Rommersom (Hoegaarden),
    Uitgave Hoegaardse Heemkundige Kring, Hoegaarden, 1989

Jaarboek nr 8 (1989)

  • F. Doperé, De watermolens van Hoegaarden T. Saelmaekers,
  • De Hoegaardse brouwerijen in de 19de eeuw
  • F. Doperé, Zekerheden en vragen omtrent de identificatie van het 13de eeuwse Sint Ermelindisschrijn van Meldert

Jaarboek nr 9 (1990)

  • (vanaf nu: HOK, hoegaardse oudheidkundige kring; ) E. Saelmaekers (samenstelling),
  • Hoegaardse volksverhalen, dwaallichtjes, weerwolven, spoken, tillekesjacht, heksen, tovenaars, alvermannekes
  • de verhalen komen uit de licentiaatsverhandeling van V. Michiels-Lecock

Jaarboek nr 10 (1991)

  • T. Saelmaekers (samenstelling),
  • Spookverhalen uit Hoegaarden.
  • Het verhaal van de ridder van Hoxem.
  • Het verhaal van Peut van Hautem.
  • Heksenverhalen uit Hoegaarden en Meldert.
  • De Tillekesjacht, verborgen goud in Hoegaarden.
  • De dwaallichtjes.
  • De Hakeman, er zit iets aan het stenen kruis te Meldert.
  • De Koerpater te Meldert.
  • Verhalen over weerwolven in Hoegaarden en Meldert.
  • Duivelsverhalen uit Hoegaarden.

De bedoeling van jaarboeken 9 en 10 is het optekenen van volksverhalen uit Hoegaarden en deelgemeenten. Onderhavig jaarboek is gebaseerd op de licentiaatsverhandeling van K. Vandenbosch, Volkscultureel erfgoed van Hoegaarden en Meldert, Leuven, K.U.L., 1991

De huidige naam van onze Heemkundige kring Hoegaards erfgoed vzw komt voort uit de Heemkundige Kring Hoegaarden opgericht in 1965 met een tweemaandelijkse uitgave Periodieke Uitgave Heemkundige Kring.
Deze vereniging werd opgenomen in de VZW ’t Nieuwhuys in 1967 (Bijlagen Belgisch Staatsblad 23 februari 1967, wijzigingen aan de statuten van 1964 van ‘t Nieuwhuys) en de naam veranderde in Heemkring Museum ’t Nieuwhuys met als tijdschrift Alpaidis. was in de beginperiode gewoon Heemkundige Kring, met als uitgave Periodieke Uitgave Heemkundige Kring(1965).

Vanaf het nummer 9 (1967, 3de jaargang) verschijnt ons tijdschrift trimestrieel onder de benaming Alpaidis, met of zonder trema; het huidige nummer is het 215de nummer van de hele reeks, te beginnen in 1965.

Een volledige reeks van de jaarboeken van de HHK en van Alpaidis is ter inzage beschikbaar op ons archief.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-215-56ste-jaargang-2-2020

Bronnen en citaten[+]

De bisschoppen van Luik 

Wat te denken over deze Luikse prinsbisschop die tenslotte ook heerste over Hoegaarden? en wat over de nauwkeurigheid van auteurs?

‘De Bisschop van Luik Hendrik van Gelre, een broer van de Gelderse Graaf Otto die de bijnaam van „de Paardevoet” had, was een merkwaardig, om niet te zeggen hoogst merkwaardig man.

Het bisdom Luik vertegenwoordigde in de tijd van deze Hendrik — dat was in de tweede helft van de dertiende eeuw — ook een belangrijke staatkundige macht, want het was een zelfstandig prinsbisdom waarvan de oppervlakte aanzienlijk groter was dan het tegenwoordige bisdom. Deze samenkoppeling van het wereldlijk en geestelijk gezag had noodlottige gevolgen. Het prinsbisdom, dat een begerenswaardige bondgenoot in de machtsstrijd uit die dagen was, was doorlopend in beroering door politieke intriges. En de prins-bisschoppen die het bestuurden, waren dikwijls meer werelds gezagdrager dan geestelijk herder en gedroegen zich allesbehalve als een bisschop.

Hendrik van Gelre maakte het echter meer dan bont. De kanunniken van het bisdom, die blijkbaar reeds enig denkbeeld hadden wat hun te wachten stond als deze Gelderse gravenzoon hun bisschop werd, hadden lang geaarzeld met hun keuze. Maar Hendrik had machtige vrienden, onder andere de roomse koning Willem II van Holland, de enige graaf uit het Hollandse Huis die kandidaat-keizer van het Heilige Roomse Rijk is geweest. En na een aantal woelige kapittelvergaderingen werd hij op 10 oktober 1247 toch tot bisschop van Luik gekozen….

Het voorgevoel had de kanunniken niet bedrogen. Hendriks bestuur van het bisdom werd een dictatuur van willekeur en zijn persoonlijke levenswijze werd een publiek schandaal. Desondanks heeft hij zich nog zevenentwintig jaar weten te handhaven, tot hij in 1274 op het Concilie van Lyon door de Paus van de bisschoppelijke waardigheid vervallen werd verklaard. 

Hendrik was gedwongen Luik te verlaten, maar hij zette de strijd tegen de Luikenaren voort. Gebrandmerkt door de pauselijke banvloek leefde hij verder het leven van een adellijke vagebond. Hij wist op een nacht zijn opvolger op de bisschopszetel, bisschop Jean d’Enghien te ontvoeren. De volgende morgen werd deze bisschop stervende aangetroffen bij de poort van een klooster bij het dorpje Hoegaarden, ten zuiden van Tienen in de Kempen [1]

De Luikse edelen zwoeren wraak. En op een van zijn strooptochten in het Luikse werd Hendrik in de omgeving van Franchimont, ten noorden van Spa, overrompeld en vermoord. Zijn stoffelijk overschot werd begraven in het bos te Montfort bij Roermond. Het is later, nadat de pauselijke banvloek was opgeheven, in de Roermondse Munsterkerk, waar het praalgraf van de ouders van Hendrik van Gelre was, bijgezet. Toen de grafelijke graftombe tijdens de kerkrestauratie in 1876 geopend werd, werd daarin een schedel aangetroffen met aan de achterkant een gat, dat volgens het onderzoek door deskundigen tijdens ‘t leven ontstaan moet zijn door een slag of stoot met een hard voorwerp. Aangenomen wordt nu, dat dit de schedel van de tragische prins bisschop Hendrik van Gelre is geweest.

Er zou geen aanleiding bestaan om over het weinig appetijtelijke leven van deze dolle Hendrik te praten als hij niet de stichter van het Huys van Montfort, het oud middeleeuwse kasteel bij het dorp Montfort tussen Echt en St. Odiliënberg, was. Daarom is op hem het „van de doden niets dan goed” niet van toepassing. 

Over deze Hendrik, die zich zelf eerst na zijn afzetting als bisschop niet meer graaf van Gelre maar Hendrik van Montfort ging noemen, wordt uitvoerig verteld in nummer 18 van de Gulden reeks van Limburgse Monumenten — het boekje „Het Huys van Montfort”, geschreven door A. H. Simonis uit Sittard. We hebben al meermalen de aandacht gevraagd voor het voortreffelijke werk, dat door de Stichting tot instandhouding van voortbrengselen der gewestelijke bouwkunst in Limburg (Restauratiestichting Limburg) door het uitgeven van deze fraaie boekjes over Limburgse kerken, kastelen, oude dorpen en steden enz. wordt verricht. Dit nieuwe boekje is stellig een van de beste — en dat is dan niet als een vriendelijke gemeenplaats bedoeld — uit de tot nu toe in de Gulden Reeks verschenen korte kronieken. Er is in een klein bestek een aanzienlijke hoeveelheid historisch materiaal verwerkt en dat is grondig en met zorg gebeurd, zoals het boekje ook met zorg en aangenaam leesbaar is geschreven.

De burcht van Montfort vervulde in Hendriks tijd de rol van een grensvesting, want het lag aan de zuidgrens van het Overkwartier van het graafschap Gelre als een bolwerk tegen de expansiedrang der hertogen van Brabant Het kasteel Montfort en het Limburgse dorp van die naam, dat ongeveer 2600 inwoners telt, zouden genoemd zijn naar een andere bezitting van Hendrik, het vestinkje Montfort (Sterke Berg) in het Luikse. En hij zou het kasteel gebouwd hebben met bouwmateriaal dat hij te Maastricht gestolen had.
De kroniek van Hocsemius [2]  , die uit de dertiende eeuw dateert en dus in de tijd van Hendrik is geschreven, verhaalt hoe deze Gelderse gravenzoon, toen hij als prins-bisschop van Luik oorlog voerde tegen de hertog van Brabant, in Maastricht een verdedigingstoren der Brabanders op de rechteroever van de Maas zou hebben gesloopt. Hij liet het bouwmateriaal, dat de toren hem opleverde, over de Maas naar Linne en van daar naar Montfort brengen, ter afwerking van de hoektorens en de zware schildmuur van zijn nieuwe kasteel.
En na het lezen van Hendriks ruige heldendaden klinkt dit bijzonder geloofwaardig. Het zou een duistere grap zijn, die precies bij zijn levenspatroon past. Maar ge kunt het allemaal veel beter zelf lezen in het boekje van Simonis, dat echt de moeite waard is en een aantrekkelijk bezit vormt.’

Bisschop Hendrik III

Hendrik III van Gelre (gestorven in de buurt van Theux, 23 april 1285) was de 44e bisschop van Luik van 1247 tot 1274. Hendrik was zoon van Gerard III, graaf van Gelre, en van Margaretha van Brabant.
Hij was Domproost te Utrecht en proost te Xanten voordat hij in 1247 tot bisschop van Luik werd benoemd.
Zijn ambtstermijn werd gekenmerkt door verschillende burgeroorlogen waardoor hij tegenover de burgerij van de steden kwam te staan. In 1267 belegerde hij Maastricht.
Hij verwoestte er de Maasbrug en een grote verdedigingstoren in Wyck, die door Dirk II van Valkenburg met driehonderd man werd verdedigd. Met de stenen van de verdedigingstoren zou hij kasteel Montfort hebben gebouwd Hij werd afgezet door het concilie van Lyon in 1274. Hij stierf in 1285 aan de voet van het Kasteel van Franchimont aan het hoofd van een bende plunderaars waarvan hij de aanvoerder was geworden

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-215-56ste-jaargang-2-2020

Bronnen en citaten[+]

“Hun liefde voor het oude Hoegaardse bier”

Gaston Durnez

Een mens is maar een wandelaar

Auteur Gaston Durnez brengt in zijn jongste boek “Een mens is maar een wandelaar” (Davidsfonds, 2018) een huldiging van wijlen Pierre Celis in herinnering

Jozef Weyns

Durnez beschrijft leven en werk van wijlen Jozef Weyns, oprichter van het openluchtmuseum van Bokrijk. De auteur nam deel aan de jaarlijkse meifeesten ten huize van Weyns. Daar werd het Joachim De Beuckelaer Eremerk uitgereikt aan “verdienstelijke chefs, bakkers, brouwers of gelijkgezinde mensenvrienden”.

Een huldiging van wijlen Pierre Celis in herinnering

Hij vernoemt één winnaar: “Een van de laureaten was de eenmansbrouwerij die in Hoegaarden de oude traditie van het witbier weer opnam. Het netwerk steunde dat geestdriftig. Wij abonneerden ons op een maandelijks aantal flessen en die werden door de brouwer zelf thuisgebracht. Men weet welke grote vlucht die onderneming sindsdien heeft gekend.” [1]

Het was 1972 toen het zevende eremerk werd uitgereikt aan Pieter Celis voor het opnieuw brouwen van het Hoegaards witbier.

Andere laureaten zijn onder andere Georges Fryns (jenever), Modest Van den Bogaert (Brouwerij De Koninck), Biscuiterie Jules Destrooper, maar ook de maatschappij Honger en Dorst (voor haar rosbief met seizoensgroenten en aardappelen) of Elza Guyssens (voor haar Katrienspekken). Het Joachim Beuckelaer Eremerk werd sinds 1966 op de jaarlijkse heemdag uitgereikt aan een persoon of vereniging die zich inzette voor de Vlaamse gastronomie en de streekgebonden traditie. Het is vanaf 2013 niet meer toegekend. Het stimuleren van de gastronomie behoort niet (meer) tot de kernopdracht van Heemkunde Vlaanderen. Het was genoemd naar een zestiende-eeuwse Antwerpse schilder van keukentaferelen. Het opzet was niet vrij van humor. Durnez herinnert eraan dat zijn groep De Memlingen heette. Naar de troostende uitspraak ‘Memmen niet veel, maar memmen veel gelachen’.  [2] 

Waarde vriend
J. Weyns : Waarde vriend
J. Weyns : Waarde vriend

Waarde Vriend!

Kunt gij het bijgevoegde eens bezorgen aan de overmoedige “Getegalmers”?
Stel u voor, dat ik vorige zaterdagavond met Pierre Celis 42 bakken bier heb helpen uitvoeren voor mijn vrienden in het Antwerpse (en voor mijzelf natuurlijk ook!) en Pierre had mij iets verklapt van die groep.

Ik had gezegd: “Laat ze maar wat plezier maken!” Als ’t Nieuwsblad er nog eens op ingaat kan dat Pierre Celis in Hoegaarden én Bokrijk maar ten goede komen

Hartelijke groet! J. Weyns

Oorkonde van ” Het Verbond voor Heemkunde” 
De Oorkonde ‘Joachim Beuckelaer Eremerk’ 1972 aan Pierre Celis toegekend

OORKONDE
Het Verbond voor Heemkunde


Overwegend dat de Vlaamse gastronomie dient in ere hersteld als een sieraad van eigen aard en kultuur heeft ingesteld het

Joachim Beuckelaer Eremerk

genoemd naar de 15 eeuwse schilder die te Antwerpen , “de stad van de Vlaamse levenssier”. De meester van vlees en vrucht, van keuken en koken is geweest , en voorbehouden aan diegene die de Vlaamse gastronomie op bijzondere wijze doet kennen , waarderen of haar beoefent:
heeft besloten het eremerk 1972 toe te kennen aan

Pieter Celis

de brouwer uit Hoegaarden, het historisch belangrijkste brouwersdorp van het land, die zelf de roerstok ter hand heeft genomen om het vermaarde witte Hoegaardse bier in ere te herstellen en daarmee de verloren Hoegaardse brouwererij traditie te doen herleven.

Aldus gedaan op het meifeest te ter speelbergen te Beerzel op ” een en twintig bloeimaand duizend negenhonderd twee en zeventig (21 mei 1972)

De gastronomische konsulent
Jan Lambic 
 De voorzitter
Dr Jozef Weys
Hoegaarden en Bokrijk beslechten een bieroorlog
De eerste bladzijde van de brief van Dr. Jozef Weyns

Genk-Bokrijk, 18 augustus 1972
Aan de Heer Hoofdredakteur van het Nieuwsblad,
Emiel Jacquemainlaan, 127
1000 Brussel

Mijnheer de Hoofdredakteur,

Men heeft mij, vanzelfsprekend, vandaag het plezierige artikel onder de neus geduwd dat heden, vrijdag 18 augustus 1972, bladzijde 5 in uw blad is verschenen onder de titel “Hoegaarden wil naam in Bokrijk”;
“Jeugdkring: Brouwerij is van ons – niet uit Diepenbeek”.

Wie zou geen zin hebben voor een dergelijke studentengrap? Maar de meisjes en jongens van de “Getegalm” hebben zich toch wel een beetje vergist.
Waar zij zouden beweren, zoals in het artikel staat, dat “om de een of andere reden men echter heeft gemeend er beter aan te doen de bezoekers van het museum wijs te maken dat het “Paenhuys”, met zijn unieke installaties waarmee de vooroorlogse “Hoegaards” word gebrouwen afkomstig is van Diepenbeek”.
Ik voeg hierbij een fotokopie uit de Omstandige en uit de Beknopte Museumgids, waarin duidelijk wordt verteld, hoe de toedracht van de zaak is.
Daar staat te lezen dat het gebouw komt uit Diepenbeek, de inrichting uit Hoegaarden en de pomp uit Leuven.
Het jonge volk van de “Getegalm” mag dus gerust zijn: in ons museum wordt de waarheid niet verdraaid en krijgt elk zijn recht.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om een paar zaken te verklappen die de sympathieke jongelui van Hoegaarden misschien niet weten. Ten eerst heb ik zelf een zeer grote bewondering voor het dorp Hoegaarden dat, dat bouwkundig en heemkundig gezien, misschien het rijkste van het Vlaamse Land is.
Daarom heb ik mij, als lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, er erg voor ingespannen om de belangrijke boerderijen en huizen van Hoegaarden voor te stellen ter rangschikking tot monument. Dat weet de gemeente Secretaris maar al te goed.
Ten tweede heb ik, als voorzitter van het Verbond voor Heemkunde, er voor gezorgd, dat de Hoegaards brouwer Pieter Celis , die erin geslaagd is het uitstekende oud-Hocgaardse bier terug te brouwen, onderscheiden is geworden met het “Joachim Beuckelacr-Eremerk 1972.

Hoegaarden en Bokrijk beslechten Bieroorlog

„Met de pint in de hand……>>
Hoegaarden en Bokrijk beslechten bieroorlog

Met de pint in de hand schept men vriendschappelijke banden in het hele land», dat zei Keizer Karel op de plechtige inhuldiging van ‘t Paenhuys in het Domein van Bokrijk.

Dat Paenhuys (brouwerij) was vorig jaar oorzaak van een rel op hoog diplomatiek niveau tussen Hoegaarden en Bokrijk, waar men nagelaten had om bij het Paenhuys van Diepenbeek te vermelden dat het hele brouwersinterieur van Hoegaardse oorsprong was.

Het pennetwisten en de manifestatie ter plaatse, werd nu besloten met de introduktie van het folkloristische «Oud Hoegaards bier», in het heemkundig hart van Limburg, een verzoening die: werd bewerkstelligd door Keizer Karel die, zo vertelt: Dr. Weyns, indertijd het Hoegaards bier veelvuldig liet vloeien aan het hof.
De manifestatie in Bokrijk werd opgezet door dr. Weyns en de leden van de kring Getegalm, die zich in Hoegaarden op heemkundig verant woorde wijze uitleeft in een eigen Paenhuys. Tussen de beide Paenhuysen werd nu een onverbrekelijk pakt gesloten.

De eis van de Hoegardiers wordt ingewilligd. Hun naam wordt vermeld op het gebouw en wat meer is, het Hoegaards Bier wordt er nu geschonken.
Want,- zo zei dr. Weyns bij de introduktie, anders zou het gebouw geen ziel hebben. Om aan de bezoekers te tonen dat er voortaan bier wordt geschonken hangt er naar oude gewoonte een kruik aan de gevel.

Keizer Karel sprak met recht en rede, de lof over dit initiatief dat zijn inzet kreeg op de meest zonnige dag van het jaar. Zijne hoogheid beaamde ook de huldewoorden aan het adres van Pieter Celis, de Hoegardier die op zijn eentje het Hoegaardse bier opnieuw is gaan brouwen.

Nadat Getealm een meiboom had geplant en voordat de Tirelantijntjes “hun dansen opvoerden, kreeg de Keizer van een boer van Olen (!) de eerste pint Hoegaards aangeboden. Ik weiger! » zei de Keizer en hij haalde zijn eigen pot boven, de echte met de drie oren!

Bezoek

Ongeveer op hetzelfde ogenblik moet men «In ‘t Hofke, bij Vetters, in Olen gekonstateerd hebben dat het weer was gebeurd. Hun pot van Keizer Karel, de échte, was weer verwenen.

Vooraleer naar Bokrijk te rijden waren de Getegalmers van Hoegaarden op bezoek geweest in Olen. De pót werd er zaterdag al teruggebracht maar dan wel met een herdenkingsinskriptie. .

Keizer Karel toonde zich ook op de hoogte van de territoriale verzuchtingen die nu in de belangstelling staan. Hij verklaarde dat noch de hertog van Brabant noch de prins bisschop van Luik, noch de regentie raad van Tienen enige aanspraak op de oude enclave Hoegaarden mag doen gelden.

Integendeel, op zijn gezag wordt Hoegaarden tot het einde der tijden onafhankelijkheid toegekend, meer zelfs, de twee heerlijkhe den Meldert en Outgaarden zullen voortaan mee van de Hoegaardse geneugten genieten.
Nadat de aanwezige Bestendige Deputatie moest aanhoren dat Bokrijk de hoofdplaats van Limburg zal worden en nadat ze dat hadden verwerkt met een slok uit de pot van de keizer, plaatste deze laatste zijn signatuur in het gulden boek van het openluchtmuseum. Het prijkt, geflankeerd door een pot met drie oren -(!), in de buurt van dat van Kennedy en prinses Paola.

Nog vele prominenten zullen volgen en samen met alle bezoekers zullen ze voor het eerst in het oude Paenhuys het bier aangeboden krijgen dat nog volgens het oude recept wordt gebrouwd.

De strijd met leuzen als Hoegaarden laat zijn Paenhuys niet los en <> is niet voor niets gestreden. “Nee”, zegt Keizer Karel, er bestaat voortaan een broederband tussen de Paenhuysen Bokrijk en Hoegaardens, en hij dronk. (rb)

Aan de verzuchtingen van de Hoegardiers werd voldaan. In Bokrijk werd hun gemeente uitgeroepen tot bierdorp van de Nederlanden, omdat een paar eeuwen geleden 2/3 van de bierexport vandaar vertrok. Men erkent dat een deel van het Bokrijks Paenhuys Hoegaards is en Keizer Karel dronk er Oud Hoegaards uit zijn eigen tinnen pot. (rb)



Ubrt : Hubert Mannaerts 

Stripverhaal  1984

Ubrt Mannaerts maakte in 1984 een stripverhaal voor vijftien jaar brouwactiviteit van Pierre Celis. Ook hij maakte toen terecht plaats voor het eremerk van 1972. Pierre was er echt fier op!
Wasily Pedjko redde de tekening, voor het archief van de Heemkundige Kring.

Detail stripverhaal Ubrt

In de strip gaat Ubrt terug tot de middeleeuwen (1318). Hij ziet dat de brouwers een (beschonken) toren op de kerk zetten en beleeft hoe Louis Tomsin de laatste kranen dichtdraait in 1957.

Pierre Celis toont fier zijn eerste brouwmateriaal in de ouderlijke hoeve op de Vroente; dit erfgoed is na het overlijden van Pierre verhuisd naar de USA

Pierre Celis hervat de productie van de Hoegaard in 1965 samen met ingenieur Thomas. In 1984 wordt Celis daarvoor geslagen tot Ridder van den Roerstock. Op de feestaffiche staat “Vijftien
jaar brouwen” (Pierre startte in 1965, maar schonk officieel zijn eerste pint in ’t Nieuwhuys in 1966[3]

En vanwaar bent U ergens . Van Diest ? Ben je dan de zoon van ... ?

Het verhaal leidt van Vroente naar Stoopkensstraat en vermeldt de duizenden bezoekers. Op dat punt komt Frans Huon (nadien burgemeester) in het spel: “En van waar zijt gij? Van Nicaragua? Kent ge daar Yvan Janssens niet?”

Naast veel andere soorten werd in 1981 Kluizenaar gebrouwen, om het Millennium van Hoegaarden te vieren. Bij de ereprijzen wordt vermeld dat brouwer Celis in 1981 in Nederland ‘t Zilveren Fritje ontving als beste Europese brouwer. Hij begint te exporteren en belandt in de VS op de set van Dallas. 

Alsof hij erbij was verhaalt Ubrt de ontmoeting met Pamela Barnes Ewing (de actrice Victoria Principal): “Hallo, I’m Pamela“. De Hoegaardier antwoordt: “Hoho! I’am Pierlala.

Gelagzaal

Ubrt Mannaerts beschilderde in 1982 ook wanden van de gelagzaal (toen in de brouwtoren) van De Kluis. Freddy Mannaerts (Freman) vulde er een paar andere muren.

Bierviltjes

Ubrt ontwierp ook een reeks bierviltjes. Andere tekeningen van zijn hand illustreerden acties voor het Jaar van het Dorp, de Palmzondagvieringen, enz.
In zijn humoristische, cartooneske, stijl beeldde hij ook vijftien jaar brouwgeschiedenis uit, ter gelegenheid van de Brouwersfeesten van 15 september 1984.  

Nadien kon iedereen een leuk bierviltje ontwerpen  … 

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-215-56ste-jaargang-2-2020

Bronnen en citaten[+]

Bouwerken dateren

Een nieuw standaardwerk om bouwwerken tussen de 10e en 16e eeuw te dateren

Dr. Frans Doperé
Dr. Frans Doperé

Het metselwerk van een kathedraal, een abdij, een parochiekerk, een middeleeuws kasteel of woonhuis dateren zal altijd één van de hoofdbezigheden zijn van een bouw archeoloog/historicus.

De gekende methodes waren tot nu een combinatie van: uitpluizen van rekeningen (indien beschikbaar), ergelijking van stijlen (indien betrouwbaar), dendrochronologie (als het hout gelijktijdig dateert).

Dr. Frans Doperé [1]  is er na 25 jaar gedreven onderzoek, de laatste jaren als research fellow van de K.U. Leuven, universiteit waar hij ook zijn werkmethode doceert aan de archeologen in spe, in geslaagd om een chronologie op te stellen van de steenhouwtechnieken in de middeleeuwse gebouwen. [2] 

Frans Doperé heeft ook in Alpaidis  [3]  gepubliceerd over de romaanse kerken van Overlaar, Hoksem, Meldert, Lincent, Noduwez met grondplannen.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-215-56ste-jaargang-2-2020

Bronnen en citaten[+]

De watermolen van Hoksem

De molenaars/restaurateurs en de watermolen van Hoksem

De watermolen in het centrum van Hoksem (Hoegaarden)

De molenaars/restaurateurs en de watermolen van Hoksem worden genomineerd op 15 juni 2019 te Kortemark

Het Molenforum Vlaanderen brengt hulde aan de eigenaars/restaurateurs van de watermolen op de Mene in Hoksem. De Molen van Hoksem in Hoegaarden is genomineerd is als “ACTIEVE MOLEN 2019”. 
Tijdens een plechtigheid in Kortemark worden de betrokkenen als beheerders en vrijwillige molenaars gevierd: ‘voor de inzet om de molen in werking te houden en onderhoudswerken uit te voeren’.

De Molenaars

Bart De Taeye, werktuigbouwkundig ingenieur en molenaar

Bart De Taeye en Elke De Rijck, werktuigbouwkundig ingenieurs van de KU Leuven kochten de molen in 1998; Bart volgde de opleiding tot artisanaal molenaar.

Na 35 jaar maalt de watermolen van Hoksem opnieuw. De feestelijke opening met folkmuziek van Fjost en Galathea en lekkers uit de oven, vond plaats op zondag 4 september 2016.

Oude en minder oude foto’s van de molen

Het molengebouw met de sluis (foto’s E. Saelmaekers)
Luiwerk met houten kroonwiel
Molen Hoksem
Molen Hoksem

Geschiedenis

Er is een vermelding van een molen in 1340 ‘Apud Hoxeem …iuxta semitam ducentem versus slachmoelen’, het was toen een slagmolen [1] . Volgens Kempeneers gaat deze vermelding uit het Tiense stadsarchief om de nog bestaande molen te Bijgaarden.

Het kapittel van Hoksem werd opgericht in 1348 als gevolg van de testamentaire beschikking van kanunnik Jan van Hoksem in 1344 en 1347. In de 17de eeuw waren zij in elk geval de bezitters van 1654 tot 1679.

De watermolen van Hoksem dateert van 1640 en was eigendom van het kapittel.

In 1798 werd hij verkocht aan N. Meys die er in 1824 nog altijd de eigenaar van was. De molen had toen één waterwiel van 2pk en twee maalstoelen. Aan de molen was ook een brouwerij verbonden.

De watermolen van Hoksem dateert van 1640 en was eigendom van het kapittel.
in 1824 werd er naast de graanmolen ook een volmolen en een okermolen geïnstalleerd. vermoedelijk werd na de eerste wereldoorlog het houten bovenslagrad vervangen door een turbine.
De molen werd bij overlijden van Albert Gellens, de laatste molenaar. in 1981 stilgelegd.
De meeste machines en ook een steenkoppel werden verkocht of weggegeven en de molen raakte in verval.

Bart De Taeye en Elke De Rijck, werktuigbouwkundig ingenieurs

In 1988 kochten Bart De Taeye en Elke De Rijck, werkbouwkundig ingenieurs, de gebouwen.

De restauratie verliep in verschillende fasen. Dak, houten vloeren en dito ramen werden vervangen. De muren werden opnieuw opgevoegd. Daarna werd de stuw vernieuwd en de beek over een lengte van twintig meter gekanaliseerd. De vastgeroeste turbine werd hersteld.

De twee steenkoppels en de gietijzeren tandwielen, de meelkisten, karen en alle grote en kleine houten onderdelen werden gemaakt.

Door het water in de Mene op te stuwen ontstaat een verval van drie meter. Door een opening in de muur stroomt het water in de turbineput. het water kan enkel weg door een buis van ca. 50 cm. Bovenop de buis staat de turbine die door de kracht van het water begint te draaien. De rotor drijft een verticale as aan die dan weer de machines in werking zet.

Gegoten molensteen (Molen Hoksem)

Onderzijde van de gegoten molensteen met excentrisch zwaaipandscherpsel, Vlaamse viertakrijn en gat waarin het onderijzer paste; oude molen, nu opgesteld in de tuin

Na 35 jaar is de watermolen feestelijk heropend op zondag 4 september 2016.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-215-56ste-jaargang-2-2020

Bronnen en citaten[+]

Alpaidis-nr-215-55ste-jaargang-2-2019

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-215-56ste-jaargang-2-2020