Ga naar de inhoud

219 School voor meisjes

De zusters leidden de eerste gemeentelijke lagere school voor meisjes (1854-1877)

De zusters verhuizen definitief naar Hoegaarden in 1820. In Tienen behouden ze alleen hun externaat. Het meisjes pensionaat komt samen met de communauteit naar Hoegaarden. Al wordt de gemeenschap pas een congregatie bij de definitieve erkenning van de kloosterregel in 1835, de zusters richten het oude klooster in en bouwen accommodatie voor een internaat en een externaat tussen de aankoop en 1833.

Gratis onderwijs geven ze aan de arme meisjes dankzij de opbrengsten van de betalende leerlingen; een lokaal wordt daarvoor gebouwd in het domein langs de Vroentestraat.

Armenschool - Gemeenteschool voor meisjes ©Hoegaardserfgoed.be

De onderwijskracht van dit vrije externaat heeft als inkomsten de bijdrage van de ouders, regel die trouwens ook van toepassing is in de gemeentelijke jongensschool.
De zusters geven ook catechismuslessen aan de arme christene moeders en weduwen en ze houden een zondagsschool voor de vrouwelijke en mannelijke jeugd op verschillende uren. Om de aanwezigheid te stimuleren krijgen de moeders en weduwen een half brood mee naar huis en de jeugd gewoonlijk een muntstuk.

Een van de eerste zusters die ingeschakeld was als onderwijskracht in de armenschool was Marie-Anne Nerinckx, afkomstig van Ninove waar deze dame op 19 oktober 1773 werd geboren als dochter van Sebastien Nerinckx en Petronille Langendries.

Na jaren inzet in Londen was ze sinds 1832 actief te Hoegaarden waar ze intrad in het klooster, geloften aflegde in 1835 en zich als zuster Ignace bekommerde om de arme meisjes onderwijs en christelijke opvoeding te geven zoals haar bewaard gebleven doodsprentje getuigt.

Dokter Sebastiaan Nerinckx trouwde te Herfelingen met Petronilla Langendries. Zij hadden 14 kinderen waarvan de eerste geboren werd te Herfelingen en de anderen te Ninove, plaats waar het echtpaar woonde vanaf 1762.

Hun eerste kind Charles (Herfelingen 1761 – Ste. Genevieve 1824) was missionaris in de Amerikaanse staten Kentucky en Missouri. In 1785 priester gewijd werd hij onderpastoor van de Sint-Rombouts kathedraal te Mechelen en daarna pastoor in Everberg en Meerbeek. Hij ontsnapte aan arrestatie onder het Franse bestuur en kwam uiteindelijk in 1804 aan in de Verenigde Staten waar hij parochies stichtte en kerken bouwde. In 1812 stichtte hij de orde van de zusters van Loretto met als eerste doel een netwerk van katholie ke scholen uit te bouwen in Kentucky.

Peter Jozef Nerinckx (Ninove 1763-1796) vond zijn roeping bij de broeders van Liefde.

Jan Hendrik Nerinckx (Ninove 1776-Londen 1855) werd op 15-jarige leeft ijd al kapucijn in Scherpenheuvel. Aangehouden en gedeporteerd onder het Franse bewind kon hij ontsnappen en in 1799 landde hij in Liver pool. Vandaar kwam hij in Londen terecht bij de Franse en Belgische priesters in ballingschap. Geholpen door zijn zus Marie-Anne Nerinckx richtten zij in Somerstown (Londen) onderwijs in voor de arme kinderen. In 1830 komt zij terug naar België en zal zij in 1832, op 59-jarige leeft ijd novice worden bij de zusters in Mariadal. Marie-Anne was ook één van de twee zussen die speciale weldoeners waren van de zusters van Loretto door haar broer gesticht.

Van de dochters waren er drie, wellicht vier die kloosterlinge werden.

C.P. Maes, The life of Rev. Charles Nerinckx, Cincinnati, 1880, p. 1-10
W.J. Howlett, Life of Rev. Charles Nerinckx ,Illinois, 1940 [footnote] Gemeenteraad Hoegaarden 03.05.1824. De vragenlijst van 10 april van de koninklijke commissaris van het arrondissement Leuven 2de afd. nr. 7478 over het ware bestaan van de scholen en de behoeften van onderwijs [/footnote], p. 28 en 432

Toestand van het onderwijs te Hoegaarden in 1824

Het begin was een rondvraag naar de bestaande toestand en de noden. De situatie van het lager onderwijs te Hoegaarden staat beschreven in de antwoorden op de vragenlijst toegestuurd aan de gemeenten in 1824.

Antwoorden geformuleerd door de gemeenteraad op de vragenlijst van de koninklijke ‘kommissaris’ van het arrondissement Leuven [footnote] Gemeenteraad Hoegaarden 03.05.1824. De vragenlijst van 10 april van de koninklijke commissaris van het arrondissement Leuven 2de afd. nr. 7478 over het ware bestaan van de scholen en de behoeften van onderwijs [/footnote] 

1/ De gemeente Hoegaarden heeft 5 scholen: 3 in het centrum, één in het gehucht Bost en één in het gehucht Groot Overlaar;

2/ Van die vijf scholen [footnote]Het woord ‘klaslokaal’ zou beter op zijn plaats zijn dan ‘school’[/footnote] zijn er twee eigendom van de onderwijzers (Mariadal en Jacops), worden er twee gehuurd (het schoollokaal van het centrum, tevens woonhuis van de onderwijzer en het schoollokaal van Bost) en is er één eigendom van de kerk van Overlaar (het woonhuis van de koster van Overlaar die tevens de onderwijzer is);

3/ De schoollokalen zijn volgens de enquête allemaal in goede staat met een zitplaats voor elke leerling en de klassen zijn voorzien van de vereiste meubelen en andere behoeften;

4/ Eén school te Hoegaarden is niet genoeg omwille van de grote bevolking en omdat vreemde kinderen er school lopen; maar alles is in goede staat en dus moeten er geen fondsen voorzien worden in de begroting;

5/ Er zijn 4 onderwijzers waaronder de koster van Overlaar en er zijn verschillende leermeesteressen (zusters);

6/ De 4 onderwijzers hebben geen attest van bekwaamheid en zijn alleen gemachtigd om onderwijs te geven door het gemeentebestuur; twee van de leermeesteressen hebben wel een attest van bekwaamheid behaald;

7/ Is het de gemeente of het Bureel van Weldadigheid dat de wedde betaald? Eén onderwijzer krijgt 23 gulden en 62 cent van de gemeente uit de begroting; 3 onderwijzers krijgen elke maand van het Bureel van Weldadigheid 30 cent per kind van de armen dat ze leren lezen en 45 cent als zij leren lezen én schrijven; de leermeesteressen krijgen niets;

8/ Er wordt gevraagd welke de talen zijn en volgens welke methode of leerwijzen men die onderwijst. Het antwoord daarop is dat 2 van de 4 onderwijzers de Vlaamse én Franse taal aanleren en dat zij de kinderen ook leren vertalen van de ene taal naar de andere ; de 2 andere onderwijzers leren alleen de Vlaamse taal aan;

9/ Er zijn in de gemeente 80 jongens en meisjes tussen 6 en 16 jaar die behoorlijk kunnen lezen, schrijven en rekenen (op een bevolking van ca. 3.200 zielen);

10/ Hoeveel kinderen wonen de school bij, zowel jongens als meisjes?

  • In de winterperiode: zijn er 218 betalende en 51 gratis leerlingen in de klassen;
  • In de zomerperiode: 132 betalende leerlingen en geen enkele gratis.

De zusters geven daarenboven gratis onderwijs op zon- en feestdagen voor ongeveer 200 personen zo meisjes als jongens.

De leerlingen ingeschreven in de armenschool van de zusters 1843-1844

[footnote](4) AAM, Onderwijsverslagen, voor dat schooljaar is er ook de lijst van de internen bij de zusters, de leerlingenlijst van de gemeenteschool en de leerlingenlijst van de school van de weduwe Jacops; heel wat namen zijn min of meer fonetisch genoteerd, voor een aantal kinderen hebben we de juiste schrijfwijze achterhaald en ook de geboortedatum weergevonden.[/footnote]

Boets Elisabeth (Hoeg. 18.06.1834)
Brasseur Antonia (Hoeg. 22.10.1832)
Christiaens Constantia (Hoeg. 26.02.1836)
Decock Elisabeth (Hoeg. 25.09.1833)
Dewaer Regina
Dewaer Theresia (Hoeg. 08.11.1834)
Dupont Barbara (Hoeg. 16.06.1834)
Dupont Judith (Hoeg. 26.04.1837)
Dupont Rosalia (Hoeg. 01.02.1839)
Faisan Rosalia (Hoeg. 26.02.1833)
Flawinne Barbara
Gasia Barbara (Hoeg. 19.10.1840)
Govaerts Josephina (Hoeg. 08.08.1837)
Govaerts Melania (Hoeg. 28.03.1834)
Haine Josephina (Hoeg. 26.05.1834)
Jubin Barbara
Jubin Cecilia
Jubin Elisabeth (Hoeg. 15.06.1838)
Lahaye Philippina (Hoeg. 16.04.1834)
Lahaye Victorina (Hoeg. 25.03.1837)
Lahaye Virginia (Hoeg. 21.09.1836)
Lebegge Maria (Hoeg. 21.05.1836)
Laurent Elisabeth (Hoeg. 22.03.1833)

 

Massart Constantia (Hoeg. 24.03.1834)
Michel Joanna (Hoeg. 20.05.1833)
Paenhuys Florantia (Hoeg. 29.12.1834)
Peeters Elisabeth (Hoeg. 06.04.1838)
Peeters Julia (Hoeg. 11.02.1836)
Peeters Maria (Hoeg. 18.05.1841)
Peeters Paulina (Hoeg. 07.11.1832)
Rotti Gertruda (Hoeg. 28.02.1837)
Routaers Emelia
Schoensetters Virginia (Hoeg. 23.03.1833)
Schuermans Melania (Hoeg. 04.09.1835)
Smeyers Florantia (Hoeg. 06.02.1834)
Smets Cecilia (Hoeg. 01.09.1834)
Stockmans Catharina (Hoeg. 26.11.1833)
Stockmans Rosalia (Hoeg. 05.05.1834)
Torsin Cecilia (Hoeg. 15.12.1834)
Vandermolen Theresia (Hoeg. 17.09.1838)
Van Ex Theresia (Hoeg. 27.09.1832)
Vanham Francisca (Hoeg. 06.01.1831)
Vanham Josephina (Hoeg. 17.05.1833)
Vanley Cecilia
Van Mol Maria (Hoeg. 19.11.1832)
Vanseems Catharina

De vrije katholieke zondagsschool die ontstaan was na het Concilie van Trente (1545-1563) in de periode van de contrareformatie was in de Franse tijd verdwenen. Tegen het einde van de Franse periode en onder het Hollandse bewind startten ze opnieuw op. Het zijn de zusters die ze na hun aankomst in 1820 of kort daarna terug leven inblazen te Hoegaarden.
Wat er naast catechismusonderricht aan onderwijs werd gegeven kan men voor de intellectuele ontwikkeling van haar publiek bezwaarlijk van groot belang beschouwen. Elementair lezen, schrijven en rekenen was het maximum dat er geboden werd naast de catechismuslessen.
Maar de zusters zagen verder en begonnen al direct naast catechismuslessen voor de christene moeders ook zondagsschool te geven aan jongens zowel als aan meisjes.

Bij de vestiging van de zusters te Hoegaarden verkeren wij in volle Hollands Bewind (1815-1830).
Op pedagogisch vlak evolueert het hoofdelijk onderwijs tot gelijktijdig klassikaal onderwijs.
De zusters gaan examens afleggen en krijgen in 1823 statuten goedgekeurd: de ‘Statuts de la Société des Maîtresses d’Ecole établie dans la commune d’Hougaerde Arrondissement de Louvain, Province du Brabant Méridional’.
Zij werden goedgekeurd door de aartsbisschop van Mechelen en naar Willem I gezonden.

De beginperiode van de Belgische onafhankelijkheid wordt algemeen beschouwd als een nefaste tijd voor het lager onderwijs. De Nederlandse wetgeving was niet meer van kracht en artikel 17 van de Belgische grondwet van 7 februari 1831 garandeerde de totale vrijheid van onderwijs. Die vrijheid was trouwens al bij besluit van 12 oktober 1830 door het Voorlopig Bewind afgekondigd.
Iedereen mocht scholen oprichten en besturen: staat, gemeente, bisschoppen, geestelijke orden, afzonderlijke personen .

Het onderwijsverslag van 1832 dat elke pastoor moest opmaken en naar de deken sturen vroeg naar de scholen en hun bevolking in 1830 en in 1832.

Pastoor Sweerts van de parochie Hoegaarden schreef aan de deken dat er begin 1830 drie scholen waren in zijn parochie zonder de scholen bij naam te noemen:

  • één met 30 internen en 20 externe leerlingen
  • één met 100 leerlingen
  • één met 63 leerlingen

in 1832 waren er 5 scholen

  • één met 20 internen en 45 externe leerlingen
  • één met 80 leerlingen
  • één met 67 leerlingen
  • één met 45 leerlingen
  • één met 30 leerlingen

en in de parochie Groot Overlaar [footnote]Parochie Overlaar omvatte naast de gehuchten Groot Overlaar en Rommersom ook het gehucht Bost.[/footnote] was er volgens de gegevens van pastoor Broos één  school met 30 leerlingen begin 1830 en was er in 1832 één school met 35 leerlingen en één met 33 kinderen.

De eerste organieke wet op het lager onderwijs in België van 23 september 1842.

De gemeenten werden verplicht een lagere school op te richten of te onderhouden en de geestelijkheid van haar kant kreeg de gelegenheid toezicht te blijven uitoefenen op het onderwijs. De wet liet toe dat bestaande scholen werden aangenomen door de ge meenten. Zo moesten er geen nieuwe opgericht worden, en daar werd gretig gebruik van gemaakt. Verder stipuleerde de wet gratis onderwijs aan de behoeft ige kinderen (art. 5), de pedagogische opleiding die vereist was voor een benoeming tot onderwijzer (art. 10), de organisatie van conferenties voor onderwijzers (art. 14), de zorg voor kinderbewaarplaatsen, volwassenenonderwijs …  (art. 25).

Pierre De Broek werd tot onderwijzer van de gemeenteschool
benoemd bij MB van 29.08.1843. [footnote]Gemeenteraad Hoeg. 09.09.1843[/footnote] Hij kreeg 106 frank voor 56 jongens die recht hadden op gratis onderwijs.

Het gehucht Hoksem telde 291 zielen en had een armenlijst,
afzonderlijk van Hoegaarden en een privé school gehouden door landbouwer Guillaume Swinnen die voor de arme kinderen schoolgeld kreeg van het Weldadigheids bureel van Hoksem. De gemeente vraagt om het schooltje aan te nemen en te erkennen als geadopteerde school. [footnote]Gemeenteraad Hoeg. 03.02.1844[/footnote]

Swinnen kreeg voor het schooljaar 1844-45 de som van 30 frank
om ook aan 7 arme jongens en 5 arme meisjes onderwijs te geven.

De regering moest voortaan ook driejaarlijkse rapporten over de toestand van het on derwijs voorleggen aan het parlement. Eén van de heikele punten was de kinderen van de arme gezinnen op de schoolbanken krijgen. Bij de discussieronde daarover in de jaarlijkse conferentieweek van de inspecteurs van het onderwijs in 1844 deed een in specteur het voorstel om de steun van het Weldadigheidsbureel (nu OCMW) aan arme ouders in te houden tot zij hun kinderen naar school stuurden! Men ging er algemeen van uit dat onderwijs een grote bijdrage kon leveren tot verbetering van de levenssitua tie van de minder begoeden. Het voorstel werd niet aangenomen!
Om één en ander in verband met de wet van 1842 duidelijk te kunnen stellen had de kerkelijke overheid bij alle pastoors een rondvraag gehouden. Een enquêteformulier moest ingevuld door de pastoor én gedeeltelijk door de deken, waarna heel de zaak in handen van de vicaris-generaal van het bisdom moest belanden.
Op de vraag of er zondagscholen waren in de parochie antwoordde de pastoor dat er een zondagschool was voor weduwen en arme meisjes bij de zusters. En op de vraag naar vrije scholen dat er in het klooster een school was voor externen en ook een voor behoeft ige meisjes. In de winter waren er gemiddeld 20 externen en 70 arme meisjes aanwezig in de klas en in de zomermaanden ook 20 externen maar bijna geen enkel arm meisje.
Er was nog een tweede vrije school voor jongens en meisjes met in de wintertijd 40 jon gens en 50 meisjes en in de zomertijd 30 jongens en 30 meisjes in de klas  [footnote]8 In de gemeenteschool waren alleen jongens toegelaten.[/footnote] . Dat was de school van de weduwe Jacops.

In 1854 werd de school van de zusters officieel de gemeenteschool voor meisjes

In 1852 werd de gemeente nog eens aangemaand door de permanente deputatie en de inspectie om ook een meisjesschool te openen want die was er nog altijd niet. De zusters die al jaren gratis onderwijs verstrekten in hun vrije school aan de arme  kinderen van de gemeente lieten in juli 1852 weten dat ze naast de bisschoppelijke inspectie ook de staatsinspectie wilden toelaten in hun armenschool. Zo werd het probleem van de gemeente opgelost en in 1854 werd de school van de zusters officieel geadopteerd als gemeentelijke meisjesschool. Gemengd lager onderwijs was er normaal niet, tenzij in heel kleine lokaliteiten zoals te Hoksem en Bost.

Anne Elisabeth Depauw (Soeur Agnès) ©Hoegaardserfgoed.be

De zusters kregen op gebied van verloning geen enkele wedde, alleen maar een  toelage voor de arme kinderen die ze onderwezen [footnote]Gemeenteraad Hoegaarden, 09.08.1852 (brief van de zusters 07.07.1852); 02.09.1852 (besluit permanente deputatie); 21.05.1854; 15.06.1854 (arrest permanent deputatie).[/footnote]  .
Voor het schooljaar 1854-1855 was het de eerste keer dat ze 312 frank kregen om ook aan 78 arme meisjes les te geven [footnote]10 de jongensschool 416 frank (104 arme jongens), school te Hoksem 80 frank (voor 15 arme jongens en 5 arme meisjes): het aantal arme kinderen dat recht heeft op gratis onderwijs varieert van jaar tot jaar. 126 jongens en 104 meisjes voor schooljaar 1861-1862: de gemeenteschool van Pierre Debroek 120 jongens; de aangenomen school van de zusters 95 meisjes; Hoksem, plaats vacant: 6 jongens en 9 meisjes.[/footnote] . Zuster Agnes (Marie Anne Elisabeth Depauw) was de onderwijzeres. Ze werd vanaf het schooljaar 1873-1874 opgevolgd door Marie 1Loyola (Marie Josephine Gertrude Claes). In oktober 1877 stuurde de onderwijzeres aan de gemeente een brief om te melden dat de congregatie de aanneming van haar school niet wenste verder te zetten [footnote]Schrijven van 17.10.1877[/footnote]  .

Bijgevolg moest de gemeente zelf een meisjesschool openen en moest er eerst een budget zijn om een geschikt terrein te kopen om die school te bouwen.

Op de gemeenteraad van 10 oktober 1880 werd er gediscussieerd over de openstaande plaats van onderwijzeres die dringend moest ingevuld worden in de nieuw opgerichte meisjesschool van de gemeente. Vermits geen enkele leerling was ingeschreven moest er zo direct geen onderwijzeres benoemd worden was de uiteindelijke conclusie.

Met de tweede organieke wet op het lager onderwijs van 1879 ontbrandt de eerste schoolstrijd in België. Het lesuur godsdienst wordt geschrapt van het officiële lesrooster in de gemeentelijke lagere scholen en kan alleen nog buiten de lesuren gegeven worden en de onderwijzers van de gemeentelijke scholen moeten voortaan niet alleen een diploma behaald hebben, maar dat diploma moet ook behaald zijn aan een officiële normaalschool.
Het positieve van de wet is dat de wedde van de onderwijzer, het casueel inbegrepen, minstens 1.200 Fr moest zijn. De Hoegaardse gemeenteraad stipte aan dat de  wedden van haar onderwijzers en die van de enige hulponderwijzer veel hoger lagen.

De gemeente is ook verplicht om 100 Fr te voorzien voor de persoon die belast is met het laten opzeggen van de godsdienstlessen in de gemeentescholen. Drie van onze onderwijzers krijgen het bedrag reeds. Weemaes [footnote]Melanie Sophie Julie Mathilde Weemaes (Marie Antoine) (Hoeg.- Bost 08.01.1867-Hoeg. 28.07.1900), dochter van Eloi Joseph Weemaes (Kieldrecht 1834), onderwijzer van de gemeenteschool te Bost en van Adèle Julie Lecluyse (Ieper 1840-Hoeg. 1868); hij zal hertrouwen met Anastasie Dewaelheyns (Tienen 1844). Bost was tot en met 1881 een gehucht van Hoegaarden (met uitzondering van de jaren 1796-1820) en was deel van de parochie Groot Overlaar tot 1860.[/footnote] , de vierde onderwijzer, die de school in Bost houdt, weigert godsdienst te geven en er is geen ge schikte persoon gevonden om de lessen over te nemen.

In 1880 was er ook nog altijd geen gemeentelijke bewaarschool.

[footnote]In de eerste helft van de 19de eeuw werd er een particuliere bewaarschool gehouden door Thérèse Lodewijckx (Hoeg. 1796-1850); zij was getrouwd met Pierre Medaers-Meddaerts (Wezeren 1794-Hoeg. 1845), beenhouwer en weduwnaar van Anne Gertrude Lebrasseur; Thérèse Lodewijckx was jongere zus van Anne Catherine Lodewijckx, getrouwd met schoolmeester Pierre Debroek en van François Lodewijckx, winkelier en gemeentesecretaris van Hoegaarden.[/footnote]

Omdat er volgens de gemeenteraadsleden niet genoeg inwoners in het centrum van Hoegaarden woonden en de gehuchten te veraf lagen om kleuters naar een bewaarschool in het centrum te brengen. Daarbij was er geld tekort want de overheid wou in de lagere school 6 klassen: de minister scheen geen rekening te houden met de gehuchten en met het klooster waar er ook klassen zijn en eigenlijk wou de gemeente dat 2 van de toekomstige 6 klassen als turnzaal zouden dienen.

Het schoolreglement 1859-1860 bepaalt dat er minimum 60 dm2 ruimte per leerling moet zijn in de klas en dat elk kind recht hee op 3.50 m3 lucht en een zitplaats!
Voor betalende leerlingen moet de onderwijskracht 12 frank per kind krijgen van de ouders.  [footnote] Gemeenteraad Hoeg. 16.10.1859, Schoolreglement [/footnote]

Dat de zusters de aangenomen lagers school voor meisjes opgaven was het gevolg van een gebrek aan gediplomeerde onderwijzeressen. De zusters leidden zelf hun novicen op tot leerkracht in hun klassen en de besten haalden dan een akte van bekwaamheid voor een jury. Door de wet van 1879 verlieten veel kinderen de gemeen tescholen en moesten ook de zusters van Hoegaarden alle novicen inschakelen om voldoende leerkrachten te hebben. Deze periode viel ongelukkiglijk samen met een nood aan roepingen en felle antiklerikale acties in de regio, waaraan de liberale gedeputeerde Torsin van Tienen één van de ergste was.

De financiële gevolgen voor het katholieke gemeentebestuur waren rampzalig: er moest een gemeentelijke meisjesschool gebouwd worden en daar was nog zelfs geen grond voor verworven!

Vandaar een pathetische brief van schepen Joseph Vanautgaerden aan de aartsbisschop waarbij hij insinueert dat de zusters onder één hoedje spelen met de liberalen van het dorp! [footnote]Dit schrijven zal wegens plaatsgebrek in volgend nummer aan de orde zijn.[/footnote]

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

219 Klokkenpatrimonium Hoegaarden

Voorgeschiedenis van de klokken

De eerste gegevens die we hebben gevonden over de klokken van deze kerk zijn vervat in het oorlogsverslag [1]. Tijdens de Grote Oorlog besliste de Duitse bezetter om de kerkklokken op te eisen. Hierop reageerde de kerkelijke overheid door aan de pastoors te vragen op te schrijven wat er aan klokken in de torens hing. Deze verslagen zijn beschikbaar gesteld en leveren ons een schat aan informatie over de situatie in 1918. Gelukkig eindigde de oorlog vóór de bezetter tot opeising kon overgaan.

De klokken die in deze verslagen vermeld worden waren door de band nog aanwezig toen in 1943-44 de bezetter wel overging tot een ware ravage in het klokkenbestand. Voor meer achtergrond bij de klokkenroof verwijzen we naar [2] en [3]. Als enig lichtpunt kan daarbij gesteld worden dat van de toen opgeëiste klokken foto’s gemaakt zijn die door het Kunstpatrimonium ter beschikking worden gesteld en waarnaar we meermaals zullen verwijzen.

In zijn oorlogsverslag van 1918 vermeldt pastoor E. Van Gucht dat er zes klokken in de kerk aanwezig zijn.

MARIA.

Op de klok zijn meerdere data gegeven: 1363, 1628, 1773, 1810, 1833 en 1836. De klok is gegoten door A. & C. Guillard, heeft een hoogte van 127 cm, een diameter van 135 cm en een toon si. Als tekst staat op de klok: LAUDO DEUM VERUM, PLEBEM VOCO, DISSIPO VENTUM, DEFUNCTOS PLORO, PESTEM TIMEO, FESTA DECORO. KIK/IRPA 6382 [4] toont deze Mariaklok die herhaaldelijk hergoten werd, beginnend met 1363 en eindigend met 1836. Uit de tekst blijkt dat aan een klok heel wat opdrachten worden gegeven die een intense band scheppen tus sen de klok en het volk.

MICHAEL. 

Deze klok dateert van 1869 en is door Andreas Van Aerschodt gegoten. Haar hoogte is 107 cm, diame ter 120 cm en haar toon mi.
KIK/IRPA 6388 [5]http://balat.kikirpa.be/search_photo.php toont heel wat details. Bovenaan staat een afbeelding van de engel Michael met schild en speer. Hieronder staat over een zeven regels verdeeld de volgende tekst: JOANNES DE COSTER PASTOOR / PE TER MIJNHEER LUDOVICUS ALEXANDER PUTZEYS / BURGEMEESTER VAN HOEGAERDEN / METER MEVROUW ZIJ NE ECHTGENOTE, CATHARINA ROSIERS BIERIENT (?) / ME FUDIT / A.L.J. VANAERSCHODT MAJOR SUCCESSOR
A.L. VANDENGHEYN / LOVANII 1869. Langs de andere zijde stond een voorstelling van H. Gorgonius.

ADOINUS. 

Hier ook worden verschillende data vermeld 1503, 1758 en 1853. De laatste gieters zijn Severinus Van Aerschodt en Felix Van Espen. De klok heeft hoogte 105 cm, diameter 113 cm en toon fa#. Bovenaan staan de 12 apostelen afgebeeld, verder priester Adoinus in kazuifel die een schop in de hand houdt waarmee hem het hoofd werd ingeslagen. Als tekst staat er: H. ADOINUS, ORA PRO NOBIS, PROPTER JUSTITIAM LATAM, ERGO ET MARTYR. KIK/IRPA 6386 [6]http://balat.kikirpa.be/search_photo.php toont de fries met de 12 apostelen en de tekst ADOINUS, ORA PRO NOBIS boven de slagring, waar de klepel de klok raakt.
Fig.1. KIK/IRPA 6382 Fig.2. KIK/IRPA 6386 Fig.3. KIK/IRPA 6388
56ste jaargang, nr. 219, 2/2020 / 9

Klokkenpatrimonium Sint Gorgonius ©Hoegaardserfgoed.be

HENRICUS-JOSEPHUS. 

Ook hier is weer een reeks data gegeven 1303, 1758, 1833, 1839. De laatste gieter was weerom Andreas Van Aerschodt. De klok heeft als hoogte 80 cm, als diameter 104 cm en als toon la. Op de klok staat een afbeelding van O.-L.-Vrouw met Jezus op de arm.

DE CAMPANILE

(5) In de campanile aan de epistelkant hangt een klok die op 8 december 1758 door Andreas Vanden Gheyn ge goten is. Haar hoogte is 45 cm en haar diameter 60 cm.

MICHAEL.

In de campanile aan de evangeliekant hangt een klok die oorspronkelijk in 1610 was gegoten maar in 1907 door Félix Van Aerschodt werd hergoten. Als afbeelding prijkt een St. Michael bovenaan. De hoogte van de klok is 35 cm en de diameter 48 cm.

Klokkenpatrimonium Sint Gorgonius ©Hoegaardserfgoed.be

Over deze drie laatste klokken is echter geen bijkomende informatie beschikbaar.

Huidige toestand

In de bijzonder grote klokkenkamer hangen vier klokken, alle vier uit de gieterij van Slégers uit Tellin. De grootste klok Salvator hangt in het midden, links Gorgonius en rechts de kleinste klok Oduine met de Mariaklok er achter.

Klokkenpatrimonium Sint Gorgonius ©Hoegaardserfgoed.be

SALVATOR.

Even onder de schouder is een sierband aangebracht met afwisselend driebladige en vierbladige roosjes. Op een zijflank staat een grote afbeelding van de gekruisigde Christus.

Op een zijdelingse flank staat een uitgebreide tekst over 8 lijnen.

CHRISTE SALVATOR MISERERE NOBIS
LAUDO DEUM VERUM PLEBEM VOCO DISSIPO VENTUM
DEFUNCTOS PLORO PESTEM FUGO FESTA DECORO
PATR: MICHEL GIROULLE, BURGIMAGISTER
MATER: SYLVIA VANDERMOLEN – PIRARD
PASTORE R.D.A. HEUYSDENS
ME FUDIT G. SLEGERS – CAUSARD NEPOS TELLIN
ANNO 1951

Deze klok is een mooi voorbeeld van een sprekende klok die in haar tekst duidelijk maakt waarvoor ze gemaakt is. Alle taken die op de klok zijn vermeld behoren tot de klassieke opdrachten. Alleen dissipo ventum is een weinig voorkomende taak. We merken wel op dat deze taken al werden vermeld op de verdwenen Mariaklok van Guillard waarnaar verwezen wordt in het oorlogsverslag.

Klokkenpatrimonium Sint Gorgonius ©Hoegaardserfgoed.be

GORGONIUS.

Deze klok is de rijkst versierde van het viertal. Onder de schouder prijken twee sierbanden, de bovenste met aan elkaar hangende bladeren, de tweede met hangende druivenbladeren. Op een flank staat een grote afbeelding van St.-Gorgonius met in de linkerhand een rooster. Hieronder staat de korte tekst

STE GORGONI O.P.N.

Op de tegenoverliggende flank staat een tekst in hetzelfde schrift als op de Salvatorklok. De tekst is gespreid over zeven lijnen.

ANNO MCMXLVII

IN MEM. MILITUM CIVIUMQUE
BELLE MCMXL-MCMXLV CAUSA DEFUNCTUM
PAROCHIANI DONO DEDT.
PAT: D. JULIUS LOWET – OURY
MAT: D. MARIA LORIERS
PASTORE R.D.A. HEUYSDENS

In deze tekst staan twee eigenaardige symbolen die ook op andere klokken van Slégers voorkomen. Een eerste is een gedraaide hoofdletter Ɔ die als een D moet worden gelezen. Het andere symbool is een hoofdletter L waar een / doorsteekt. Door vergelijking met teksten op de andere klokken wordt duidelijk dat het om een hoofdletter Y gaat.
Boven de slagring is nog een sierband met opstekende bladeren aangebracht met daarboven de tekst 

FONDUE PAR G. SLEGERS – LE PETIT FILS DES CAUSARD L’AN MCMXLVII

ODUINE. 

Deze klok heeft bovenaan twee sierbanden met in elkaar gevlochten bladeren en daaronder een band met wijnranken. Het gebruikte schrift is hier echter gewoon. Op de flank staat een tekst over acht lijnen verspreid:

STE ODUINE O.P.N.
IN MEM. MILITUM HOUGARD. QUI BELLE 1914-1918
PRO PATRIA SANGUINEM FUDERUNT
PATR: PROSPERUS STOCKMANS ECCL. FABR. PRESIDENS
MATR: ADRIANA MATTEESSENS – DE BROECK
PASTORE: R.D.A. HEUYSDENS
ME FUDIT G. SLEGERS – CAUSARD NEPOS TELLIN
ANNO 1951

Klokkenpatrimonium Sint Gorgonius ©Hoegaardserfgoed.be
Klokkenpatrimonium Sint Gorgonius ©Hoegaardserfgoed.be

O.-L.-VROUW VAN LOURDES.

Deze klok heeft dezelfde sierbanden als de voorgaande en gebruikt hetzelfde letter type als op de Salvatorklok. Op een flank staat een tekst in vijf lijnen

PAT: R.D.A. VERHOEVEN OLIM IN HAC PAROCHUS
MATR: D. MARIA VANDERMOLEN – GOOSSENS
PASTORE: R.D.A. HEUYSDENS
ME FUDIT G. SLEGERS – CAUSARD NEPOS
TELLINI ANNO MCMXLVII

Boven de slagring staat nog een sierband met opstekende bladeren. Op de zijkant van de klok prijkt een heel mooie afbeelding van de maagd die het serpent vertrapt. Hieronder staat

BMA VIRGO DE LOURDES
AB OMNI NOS HOSTE FAC SECUROS

Over de gieterij Slégers-Causard, zie [7]. Op de CD [8] is een klankopname van de klokken van de St.-Gorgoniuskerk opgenomen.

Klokkenpatrimonium Sint Gorgonius ©Hoegaardserfgoed.be

SACRISTIEKLOK. 

Vooraan in de kerk hangt in een fraaie smeedijzeren drager een eenvoudige sacristieklok. Er zijn geen versieringen op aangebracht evenmin als een verwijzing naar een mogelijke gieter.

DAKRUITER. 

Momenteel hangt in de dakruiter van de St.-Gorgoniuskerk ook een klok, die naar alle waarschijn lijkheid in het oorlogsverslag vermeld werd. Mogelijkheden zijn de Vanden Gheynklok uit 1758 en deze van Félix Vanaerschodt uit 1907. De toegang tot de dakruiter was voor ons echter onmogelijk zonder onnodig risico.

PASTORIE.

De deurbel van de Dekenij Hoegaarden, Pastoriestraat 30 is een kostbaar kleinood waarvan we echter de gieter niet hebben kunnen achterhalen. In een tekstband bovenaan staat

® ANNO 1699

waar ® staat voor een embleem dat we nog niet hebben ontcijferd maar allicht naar een gieter verwijst. Als verdere decoraties staan boven de slagring drie gietringen en nog eens twee op de lip. Voor haar leeft ijd is deze klok nog in goede staat.

Hoegaarden – Sint Gorgoniuskerk: Technische gegevens

KlokGieterH[footnote]Hoogte[/footnote]Dia[footnote]Diameter[/footnote] LD [footnote]Lipdikte[/footnote]ToonKgJaar 
         
SALVATORSlégers10413410.1D15491951 
GORGONIUSSlégers 941229E11501957 
OLV LOURDESSlégers 771017.2G6751957 
ODUINESlégers 891148.1F9501951 
Sacristieklok 18221.4FIS   
Pastorij 15181.4C 1699 

 

Referenties
[1] BEARDA, T., SERGEYS, J. & TEUGELS, J.L.,
Campanae Lovanienses, Inventaris van Beiaarden en Klokken in Groot-Leuven, Uitgeverij Peeters Leuven, 2008
[2] HUYBENS, G., De klokkenroof tijdens W.O.II, Vlaamse Beiaardvereniging Magazine, 4, 1998
[3] LEJEUNE, M., De Klokkenroof in de Tweede Wereldoorlog, Nieuwsbrief Campanae Lovanienses, 22, 3 afleveringen, 2012.
[4] ROMBOUTS, L., Zingend Brons, 500 jaar beiaardmuziek in de Lage Landen en de Nieuwe Wereld, Davidsfonds, Leuven, 2010
[5] SAELEMAEKERS, G. & TEUGELS, J.L., Welluidend Erfgoed: Klokkenpatrimonium van Herent, Kampenhout & Kortenberg, Uitgeverij Peeters Leuven, ISBN: 978-90-815-44139, pp.152, 2018.
[6] SLEGERS, P., Il était une fonderie de cloches à Tellin, Stavelot, 2011
[7] TEUGELS, J. L., VANZAVELBERG, G. & WOUTERS, W., Lubbeek, Klokkenpatrimonium, Digitaal Archief Libbeke, txt 18121401
[8] TEUGELS, J.L. & WOUTERS, W. , Klokkenpatrimonium Federatie Glabbeek, Jaarboek Heemkundige Kring Glabbeek 2018, (ed. S. Vandergaer), 87–122, 2018.
[9] TEUGELS, J.L. & WOUTERS, W., Klokkenpatrimonium in Tienen, Deel 1, Oost-Brabant, 56, 4—39, 2019.
[10] TEUGELS, J.L. & WOUTERS, W. , Klinkend Erfgoed – Herwaardering van het Klokkenbestand in Vlaanderen, Monumenten, Landschappen en Archeologie, 37, (4), 50–62, 2018
[11]  https://search.arch.be/nl/zoeken-naar-archieven/zoekresultaat/index/
[12] http://balat.kikirpa.be/search_photo.php
[13] dubbel-CD KLOKSLAG, Klokkengelui en Voorslagen in Vlaams-Brabant en Brussel, uitgegeven in 2001 door de Dienst Cultuur van de Provincie Vlaams-Brabant en Campanae Lovanienses onder de referentie D/2001/8495/4.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

Bronnen en citaten[+]

Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

‘Tuur den Est was ne Hacour, maar het was geen “Kraam”, die ook Hacour noemen .Voor wat de Hacour’s betreft, die in Meldert “dei van Kraam” genoemd worden, verwijs ik naar “De bende van Juul”, terug te vinden op het internet. De broers Juul Kraam en Joow (Léon) Kraam (Hacour) waren wagenmakers/schrijnwerkers, die afstammelingen zou den zijn geweest van een Waalse ambulante wagenmaker, die in Meldert is blijven plakken, wellicht aan een boerendochter. Zij waren getrouwd met twee zussen, dochters van Remi Beullekens, mijn grootvader. Wat die tak Beullekens betreft: mijn vader noemde men “Tjen (Etienne) van Remy Kemp”. Op één of andere manier zou Remy Beullekens een familieband hebben met de familie Trolin in Meldert, die men ook “dei van Kemp” noemt.

Beullekens Sylvaan, grootvader van mijn vrouw, noemde men “de witte Bₔlle (met de e van het). In Willebringen boerde zijn broer die men Armand Bₔlle noemde, en waarvan de zoon, gepensioneerd, nu in Hoegaarden woont. Een andere broer van Sylvaan, ik denk Staaf, wiens boerderij in de Molenstraat werd ver bouwd en waar nu baron Gaston Roelants woont, noemde men dan weer “Lap”. “Dei van Lap” dus, waarvan één van de dochters getrouwd was met Armand Collin, die onderwijzer geweest is in de broederschool van Hoegaarden. Als die Armand Collin en Albert Merckx, de vader van mijn vrouw mekaar tegenkwamen dan ging hun discussie steeds over hun respectievelijke schoonvader, “Lap” en “de witte Bₔlle” , maar dat leg ik u bij gelegenheid nog wel uit. U zult dan moeten toegeven dat ik geluk heb dat ik “iene van Tjen van Remeej Kemp” ben, en “giejne Bₔlle” of “giejne van Lap”.
Willy Beullekens

Bijnamen 

Dar PijpBonjeanTiensestraat
DauwDesmetVroente / Kloosterstr
De BaamanLambrechtsOut-Hoogstraat
De BazaarMombaertsTiensestraat
De BekkerLochyNerm/Aalst
De Bietel ( beatle)Sweerts EmileNerm -100
De Boek van KemmePeetersGasthuisstraat
De flupkesFamilie MichelGasthuisstraat
De GaaperLebeggeOut-Jongensschoolstraat
De gébber (???)LebeggeCafé Out-St Niklaasstraat
De grau van Lewies VirgileVanhagendorenStoopkensstraat
De Kaa Smet  
De Kadies(J-R-M-A)  
De kasjresChille LoriersGemeenteplein
De KaysterLoriersArthur Putzeysstraat
De KeusterDe Keuster Van Rickstal [footnote] koster in Hoegaarden, ook pandulleke genaamd omdat hij de klok van de kerk regelde en herstel de ook horloges [/footnote]Arthur Putzeysstraat
   

 

©Hoegaardserfgoed.be
©Hoegaardserfgoed.be

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

Een nieuwe Steenweg naar Tienen (1771)

Ondanks de zware last veroorzaakt door de heropbouw van de kerk, heeft de gemeente Hoegaarden in 1771, een tweede groot werk durven aanpakken, nl. de aanleg vaneen nieuwe Steenweg naar Tienen. 

Ten gevolge van de zeer drukke bierhandel, was het verkeer der zwaarbeladen bierwagens zeer druk en hadden onze oude straten en wegen het erg te verduren. 

De afstand te verrijden op Hoegaards grondgebied was gering in vergelijking met de lange reizen die moesten ondernomen worden; waarom dan die hoge kosten?
Een greintje pronkzucht en wat reclamegeest zullen niet vreemd zijn geweest aan de aanleg van deze nieuwe Steenweg; de talrijke vreemde bierhandelaars die Hoegaarden aandeden om hun waren af te halen, moesten toch een goede indruk meedragen van die bloeiende Gemeente waar het “Hoegaards” werd gefabriceerd.
Ten andere, Leuven had in 1750, zijn kanaal Leuven-Mechelen aangelegd om zijn handel uit te breiden; daar kon Hoegaarden niet tegenop en zou het met wat minder stellen: een goede verbinding met Tienen, waar de grote Steenweg Luik-Brussel werd vervoegd.

Op 15-11-1770 werd aan de Gemeente de nodige toelating verleend om dit groot werk uit te voeren. De nieuwe bestrating zou 31.641 florijnen kosten. De graaf d’Oultremont zou dit beginkapitaal voor schieten: het zou nadien afgelost worden door een speciale taksheffing op de brouwerijen en door inning van bareelgelden.
Om die Steenweg naar behoren te leggen, dienden twee bruggen gebouwd te worden: één te Groot-Overlaar en één te Klein-Overlaar.

Enorm veel zand en kassei was ook vereist: juist geteld moesten 280.248 kasseien gekapt een aan gebracht worden. De “slaegers”, de steenkappers zouden de steen wel kappen en 43 boeren van Hoegaarden zouden met hun “bottelkarren” de kasseien en de zavel wel ter plaatse brengen. Alle kasseien en 7.000 voet borduurstenen kwamen uit de steenkuilen van Overlaar en Rommersom. 

Er waren toen 7 steenkuilen in uitbating, groeven die toebehoorden: één aan de Gemeente en de overige aan eigenaars van Hoegaarden.

  1.  De steengroeve van de “gemeynteberch
  2.  De steengroeve van ‘s “meyerslandt (Rommersom)
  3.  De steengroeve van de Reugelstraat (straat tegenover het kasteeltje van Overlaar)
  4. De steengroeve van het land van Damsien.
  5. De steengroeve van de Oorbeekse Straat.
  6. De steengroeve van het Sweertsland (te Rommersom).
  7. De steengroeve van Orbaen en Botsonland.

De ondernemers-steenkappers, de “slaegers” schijnen meestal walen uit de streek van Jodoigne te zijn geweest.

  • Lambert Vandermolen
  • Martin Le Cler
  • Théodore Wagnieux
  • Jean de Diest
  • Moné
  • Fr. Michiel
  • Rochus.

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

Kasseiwegen zijn erfgoed

De eerste foto is een bewust behouden stuk kassei in de ruilverkaveling, voorbij Aalst, richting Sluizen. Plus de tweede: kassei vanaf St.-Catharinakapel in Hauthem richting Pieter van Molstraat (Hoeg); derde: de Doornstraat in Hoksem. Nr. 4. weg naar Kleine Molen in Klein Overlaar.

Kasseien tijdschrift Alpaidis 219 ©Hoegaardserfgoed.be

Op volgende foto de oude weg van Altenaken naar Rommersom die nu deels onder de oprit ligt. Dit is de Zuidkant ter hoogte van de rotonde; Aanhet uiteinde in Rommersom ligt er ook nog zo’n stukje.

Hoegaarden secteur pavé ©Hoegaardserfgoed.be
Hoegaarden secteur pavé ©2021 Hoegaardserfgoed.be

Lambert Michiels (Bare Brem), geboren in 1897 opende ‘Café Brem’ in 1934. Hij was aanne mer-steenbakker en bakte de karelen op de bouwplaats, terwijl men de kelder uitgroef. Hij en zijn vrouw Eufrasie Smets woonden aan de Stoopkensstraat toen ze bij hem in 1931-32 een nier uit haalden. Dat gaf een wonde van 25 centimeter die 7 maanden lang openbleef. Het was gedaan met werken. Bare bleef lang te bed. Ze hadden tien centimeter zagemeel op de kasseien voor het huis gestrooid om het dokkeren van de wagens van de brouwerij te dempen.

Café Brem ©Hoegaardserfgoed.be

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020

© Vzw Hoegaards Erfgoed Alpaidis-nr-219-56ste-jaargang-2-2020