Ga naar de inhoud

De watermolens van Hoegaarden

De watermolens van Hoegaarden

Op het huidige grondgebied van Hoegaarden waren zes watermolens in gebruik, nl. de Grote Molen en de Kleine Molen op de Grote Gete; de molen van Schoor op de Beek in Schoor; de molen van Meldert en de molen van Hoksem, beide op de Molenbeek of Mene, en tenslotte de molen van Mulken op de Beek tussen Hoegaarden en Nerm[1].

Behalve de molens van Schoor en van Mulken, die respectievelijk in 1843 en op het einde van de 18de eeuw verdwenen, bestaan de vier andere molens nog in min of meer gewijzigde toestand. Het molenmechanisme is volledig bewaard in de Kleine Molen en gedeeltelijk in de molen van Hoksem.
In de twee andere molens is alles volledig verdwenen.

De molens op de Grote Gete

De Grote Molen

De Grote Molen, ook molen van Steenbergen genaamd, hing af van de abdij Bonne Espérance, doch was in 1342 reeds in het bezit van de Parkabdij te Heverlee [2].
Hij werd in 1798 verkocht aan H.-D. d’Astier. Omstreeks 1930-1940 verworven door de Tiense Suikerraffinaderij verloor de molen zijn functie.
Het molenmechanisme met drie maalkoppels werd, op de sluizen na, verwijderd en vervangen door twee pompen die water leverden aan de suikerfabriek te Hoegaarden. Toen werd ook het molengebouw in appartementen verdeeld als tijdelijk verblijf voor de seizoenarbeiders van de suikerfabriek.

De gebouwen die samen het complex van de Grote Molen vormen zijn opgesteld rond een rechthoekig binnenplein, voorheen met een dreef langs de Grote Gete uitgevend op de E. Curystraat.
Zij dateren allemaal uit de 19de eeuw en zijn grotendeels opgetrokken in baksteen. Voor enkele details zoals hoekkettingen, deuren, onderdelen van bepaalde vensters en steigergaten werd kalkzandsteen van Gobertange aangewend.

Het eigenlijke molengebouw is gebouwd volgens een L-vormig grondplan en telt vijf bouwlagen. De deuren zijn rechthoekig en de vensters zijn afgedekt met een bakstenen segmentboog. Het molenmechanisme stond op het gelijkvloers, terwijl minstens de drie bovenste verdiepingen dienst deden als graanzolder. Op elk van deze verdiepingen bevindt zich een laadvenster terwijl de windas op de hoogste verdieping staat. De molenaarswoning telt twee bouwlagen boven de kelder. De oorspronkelijke voordeur is in Gobertangesteen. De deur en de vensters zijn segmentboogvormig afgedekt. De oorspronkelijke stallingen en de schuur (straatzijde) werden volledig verbouwd tot woningen.

Het sluizensysteem is in twee verdeeld door een muur in grijze kalksteen met afgerond stroomopwaarts uiteinde en met rabatten voor de sluisdeuren. De twee maalsluizen zijn vervangen door een ijzeren raster. Elke sluisdeur van de lossluis bestaat uit drie gelijke delen, die in gesloten stand op trappen in de kademuren en in de centrale ijzeren pijler rusten. Een tandradmechanisme beweegt de onderste plank, die met twee haken de hogere plank mee optrekt en die op haar beurt ook de bovenste mee naar boven haalt.

Van het houten waterwiel blijven nog alleen twee gebogen gleuven over van de gebogen helling die het water onder het middenslagrad leidde.

Stroomopwaarts van de molen bedient een kleine sluis een bypass. Stroom afwaarts van de molen controleerden twee andere verdwenen sluizen de wederaansluiting van de bypass met de Grote Gete [3].

De Kleine Molen

De Kleine Molen, ook Nieuwermolen of Arentsmolen genoemd, werd reeds vermeld in de tweede helft van de 14de eeuw.

In 1476 wordt hij door Willem, hertog van Gulik, verkocht aan de Bogaarden van Overlaar omdat de herstellingskosten te hoog waren opgelopen [4]. De Bogaarden laten hun molen in 1625 opnieuw helemaal herstellen. Dit leidde tot een dispuut met de Parkabdij, eigenaar van de stroom opwaarts gelegen Grote Molen, waarbij werd besloten de pegel van de Kleine Molen op 18 duim vast te leggen. Tussen 1670 en 1759 werden regelmatig herstellingen gedaan aan de molen, het woonhuis, de stallen, de schuur, de brug, de sluizen, het waterwiel en het mechanisme.

In 1758-59 werd de molen en het huis helemaal op nieuw opgetrokken. De molen werd in 1798 verkocht als nationaal goed. In 1909, toen de familie Celis de molen overnam, werd het ijzeren middenslagrad met houten schoepen vervangen door een turbine. Onder het oude molengebouw werd toen een met een bakstenen tongewelf overkluisde bypass, voorzien van twee ijzeren filters, gebouwd. Toen werden ook alle gebouwen vernieuwd op het molengebouw na. Het molenbedrijf werd gestopt in 1986.

De gebouwen staan U-vormig opgesteld rond een binnenkoer.

Het molengebouw, daterend uit 1758, is opgetrokken op een rechthoekig grondplan in baksteen met hoekkettingen in Gobertangesteen. Ook het onderste gedeelte van de muur palend aan de Grote Gete en de kettingen van de rechthoekige vensters zijn in kalkzandsteen. Het wolfsdak met smeedijzeren windwijzer, waarvan de arend tijdens de Eerste Wereldoorlog werd afgeschoten, wordt gesteund door één gebint, bestaande uit twee schaargebinten waarop een geschoorde stijl staat. Het tweede gebint is in 1910 afgebroken.

De waarschijnlijk vanaf 1909 en later opgetrokken gebouwen zijn: een grote poort waarvan de bogen in Gobertangesteen afkomstig zijn van een gebouw te Tienen; het woonhuis van drie traveeën met verhoogd onderkelderd gelijkvloers en één verdieping. Stroomafwaarts van het molengebouw bevindt zich een opslagplaats evenals een haaks daarop gebouwde stapelruimte, verlicht door grote rechthoekige ramen op het gelijkvloers. De eerste verdieping is voorzien van laadvensters. In deze nieuwe gebouwen werden enkele deuren en vensters, bekroond met een segmentboog, in Gobertangesteen, gerecupereerd van de gebouwen van 1758-59.

Er waren twee pegels, één in het molengebouw en één aan de kleine sluis van de in 1734 gegraven bypass door de weiden ten noordwesten van de molen. Vier houten sluisdeuren glijden tussen vijf ijzeren pijlers. Zij worden bediend door een tandradmechanisme.

In 1909 werd onder het oude molengebouw een turbine PHENIX van 20 pk door de firma SCHNEIDER, JAQUET & Co, STRASBOURG geïnstalleerd. 

Zij drijft er via een systeem van conische tandwielen [5] drie maalstoelen aan. Op de turbine is tevens een stroomgenerator aangesloten. Tot in 1951 werd de bijkomende energie geleverd door een gaz-pauvre van 100 pk met een vliegwiel van 7 ton.

Toen werd een Dieselmotor met één cilinder van 40 B.H.P. (PETTER-FIELDING-Type “FH” installeerd [6].

De steenkisten met slagbak, graanbak, tremen en meelgoot zijn grotendeels in hout; de gebogen wanden zijn in gegalvaniseerd ijzer. Naast de steenkisten staat telkens een steenlichter met handwieltje voor het regelen van de afstand tussen ligger en loper. Er zijn twee galgen voor het lichten van de stenen.

Door een systeem van drie hoofdassen met riemschijven worden alle andere toestellen aangedreven.

Op het gelijkvloers staat, behalve een hamermolen en een haverpletter, een MIDGET-bloemmolen, bestaande uit een cilindermolen en een buil, die vier fracties van tarvezemelen tot meel opleverde. Hij werd in 1922-23 geïnstalleerd door de firma ALBERT SELOSSE uit Brussel.

Op de eerste verdieping staat de graanreiniger, de koekbreker voor het pletten van het residu van de lijnzaadoliebereiding, evenals het ijzeren luiwiel met aandrukrol. Twee elevatoren bevoorraden respectievelijk de graanreiniger en twee van de drie maalstoelen.

De molens op de Molenbeek

De molen van Meldert

Meldert was een heerlijkheid van het hertogdom Brabant met de donjon als centrum. De eerste vermelding van de heren van Meldert dateert van 1279. Men moet echter wachten tot in 1408 vooraleer voor het eerst melding wordt gemaakt van een versterkte woning te Meldert. Deze had toebehoord aan Gautier vander Quaderbruggen. Lybrecht (VIII) van Meldert (1356-1428) is de eerste van Meldert die expliciet wordt vermeld in verband met de donjon toen in 1433 zijn goederen werden verdeeld onder zijn kinderen.

Gautier vander Quaderbruggen hield in de 14de eeuw een molen in leen van het hertogelijk domein. Deze kwam in 1412 in de handen van Lybrecht (VIII) van Meldert. Deze graanmolen was dubbel, waarbij één deel afhankelijk was van de heerlijkheid Bierbeek, het tweede deel van het hertogdom Brabant.

Volgens de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, tussen 1771 en 1778 opgemaakt op initiatief van graaf de Ferraris, lag de molen op een bypass, stromend langs twee vijvers. Zeker tot ca. 1843-47 bestond het molencomplex uit vijf losse gebouwen. Omstreeks 1860 bestonden het huidige molengebouw-molenaars- woning en de schuurstallingen als twee evenwijdige langwerpige gebouwen. Op één der balken van het huidige woonhuis staat trouwens de datum 1857. Stroomopwaarts van de molen was de bypass verbreed tot een kanaal-vergaarbekken.

Het molengebouw-molenaarswoning omvat twee bouwlagen van vijf traveeën boven een kelder. Het gebouw is opgetrokken in baksteen met hoekkettingen in kalkzandsteen. De middenste rechthoekige deur en de rechthoekige vensters hebben een kader in kalkzandsteen. De tweede deur is een verbouwd venster. Boven de deur bevindt zich het wapenschild van de familie d’Oyenbrugghe, die de heerlijkheid Meldert heeft bezeten van de 16de tot de 18de eeuw. De aanwezigheid van deze steen in een gebouw van het midden van de 19de eeuw doet ons besluiten dat het hier gaat om een recuperatie uit het oude molenhuis.De plaats van het verdwenen waterwiel wordt nog aangeduid door een parement in kalkzandsteen op het zuidwestelijk uiteinde van de gevel palend aan de bypass. In de zijgevels bevinden zich halfronde vensters.

In de voormalige schuur-stallingen, heden omgebouwd tot woning, zijn nog de grote rondbogige poort, twee rondbogige staldeurtjes en vier halfronde vensters aan de binnenkoerzijde bewaard gebleven. Aan de straatkant is alleen de tot venster verbouwde rondboogdeur en in de zijgevels zijn de halfronde vensters oorspronkelijk. Al deze openingen zijn in kalkzandsteen uitgevoerd. De andere openingen zijn recent en zijn in kunststeen.

De twee kleine stallen tussen het woonhuis en de schuurstallingen zijn opgetrokken tussen 1860 en 1884. De gevel aan de koerzijde heeft twee gekoppelde rondboogdeuren en één halfrond venster. De kleine vensters aan de veldzijde en de grote korfbogen van de tweede stal zijn recent.

In 1876 had de molen van Meldert één waterwiel van 6 pk. Op het einde van de 19de eeuw en in de eerste helft van de 20ste eeuw worden wijzigingen aangebracht aan het tracé van de bypass, die vanaf 1956 niet meer langs de molen loopt. Van het molenmechanisme blijven nog alleen twee molenstenen, één in kwartsiet en één gegoten met regenboogscherpsel, over, heden opgesteld in de tuin doch afkomstig uit de kelder van het molengebouw.

De molen van Hoksem

Deze molen was eigendom van het Kapittel van Hoksem, opgericht in 1348. Hij werd in 1798 verkocht aan N. Meys. Daarbij hoorde ook een brouwerij. In 1824 was er benevens een graanmolen ook een volmolen en een okermolen geïnstalleerd.

Vermoedelijk heeft men na de Eerste Wereldoorlog het houten bovenslagrad vervangen door een turbine. De molen werd stilgelegd bij de dood van de laatste molenaar A. Gellens in 1981.

De oudste gebouwen staan opgesteld langs de rechteroever van de Molenbeek. Voor de laatste verbouwingen stond het oude molengebouw los van de molenaarswoning met schuur. Het oude molengebouw werd opgetrokken in witte kalkzandsteen op een rechthoekig grondplan en omvat een gelijkvloers en een verdieping. Het dateert waarschijnlijk uit de 17de eeuw. De molenkamer wordt aan de kant van de Molenbeek verlicht door twee kleine rechthoekige vensters met kettingen. Een verbouwde deur met kettingen in kalkzandsteen geeft toegang tot de sluizen. De gevel in baksteen aan de kant van de binnenkoer is een verbouwing van na 1884. Op de verdieping geeft een laadvenster uit op de binnenkoer. 

Het onderste gedeelte van de gevel van de voormalige molenaarswoning aan de kant van de Molenbeek is opgetrokken in kalkzandsteen en wordt verlicht door één klein rechthoekig venster met kettingen. Aan de binnenkoerzijde is er een rechthoekige deur, eveneens met kettingen, doch met een houten bovendorpel. Ernaast bevinden zich twee dichtgemetselde bakstenen vensters onder een door- lopende houten bovendorpel en die van houten luikjes waren voorzien. De verdieping is volledig in baksteen. Dit gebouw wordt nu als bergruimte gebruikt. De schuur, palend aan dit voormalige woonhuis, is aan de kant van de Molenbeek eveneens opgetrokken in kalkzandsteen voor wat betreft de onderste helft en in baksteen hogerop. Aan de kant van de binnenkoer bevindt zich een grote rechthoekige poort in de volledig bakstenen muur.

De gebouwen die na 1884 werden opgericht zijn praktisch volledig in baksteen opgetrokken. De ruimte tussen het oude molengebouw en de voormalige molenaarswoning werd op een vrij onhandige wijze met een bakstenen gebouw opgevuld teneinde het nieuwe mechanisme met lange bovenste drijfas te kunnen aanbrengen. Dit gebouw is voorzien van een rechthoekige deur uitgevend op de binnenkoer en een tweede, heden dichtgemetselde, deur, uitgevend op de Molenbeek. Op de eerste verdieping bevindt zich een laadvenster met katrol. Het nieuwe woonhuis, haaks op het molengebouw in twee fazen opgetrokken, heeft een verhoogd gelijkvloers en een eerste verdieping. Tegenover het oude molengebouw bestond reeds vóór 1884 een kleine bakstenen stal op een sokkel in kalkzandsteen.

De pegel bevindt zich in de muur van het molengebouw, rechts van het ijzeren raster voor de sluis die de waterinlaat in de turbinekamer onder het molengebouw regelt. Deze sluis is alleen van in het molengebouw te bedienen. De turbineuitlaat is zichtbaar aan de voet van het oude molengebouw, stroomafwaarts van de sluizen. Boven deze turbineuitlaat zijn nog enkele stenen zichtbaar van het gat voor de molenboom. De houten maal- en lossluizen bovenaan een stenen trapvormige dam zijn verdwenen. Ze functioneerden zonder tandlat maar wel met een platte stang waarin op regelmatige afstanden gaten waren aangebracht waarin een klein staafje werd gestoken.

De turbine dreef via ijzeren conische tandwielen een bovenste drijfas aan waarop zich een aantal riemschijven bevinden voor het aandrijven van de verschillende aanwezige mechanismen. Het andere uiteinde van de bovenste drijfas kon ook mede worden aangedreven, eerst door een watergekoelde LISTER-Dieselmotor met twee cilinders, nadien met een luchtgekoelde BERNHARD-Dieselmotor en tenslotte met een watergekoelde tractormotor, die er nu nog staat. De onderste drijfas, met een riemschijf verbonden met de bovenste, dreef via een systeem van ijzeren conische tandwielen op wielen met houten tanden, twee maalstoelen aan. Eén houten steenkist met slagbak, tremen en meelgoot is nog bewaard gebleven. De andere ligt gedemonteerd op de eerste verdieping en de maalstenen zijn verdwenen. Naast de steenkist staat een steenlichter met handwieltje. Er is één galg. Op de eerste verdieping ligt ook nog een gedemonteerde elevator.

Op het gelijkvloers van het oude molengebouw stond een haverpletter. In het recentere gebouw tussen het oude molengebouw en de voormalige molenaarswoning stond een bloemmolen met cilindermolen en buil opgesteld evenals een hamermolen. Deze laatste werd pas in 1945-46 in gebruik genomen. Op de eerste verdieping staat een graanreiniger LE-SIMPLEX, geleverd door F. WAYEZ uit Loupoigne (Genappe). Tenslotte werd op de eerste verdieping ook nog een cirkelzaag en een slijpsteen aangedreven. Daar bevinden zich ook twee houten klauwwielen, voorzien van ijzeren geleidingshaken en een zeel. Het zijn oude kamwielen van de aandrijving van de lantaarns van de twee maalstoelen. Deze wielen zijn de enige overblijfselen van het houten mechanisme van de door het waterwiel aangedreven molen.

Algemene bibliografie

DOPERE, F., De watermolens van Hoegaarden, in voorbereiding. Beschrijving van de architectuur en het molenmechanisme, aangevuld met archivalisch onderzoek.  [7]

DOPERE, F., Bijdrage tot de studie van de vochtige gebieden in Oost-Brabant.
De Molenbeekvallei te Meldert (Hoegaarden). Het rietland Rasop te Tienen (onuitgeg.), Tienen, 1988, p. 26-33. Cartografische en historische gegevens over de molen van Meldert. [8]

KEMPENEERS, P., Hoegaardse plaatsnamen, Tienen, 1985, p. 240-245. Toponymische en historische gegevens. [9]

VAN NERUM, H., De molens van Hoegaarden, in Alpaidis, 28, 1972, p. 25-28; 31, 1973,
p. 23-26; 32, 1973, p. 23-25. Historische gegevens.[10]

WAUTERS, A., La Belgique ancienne et moderne. Géographie et histoire des communes belges. Continuation. Arrondissement de Louvain. Canton de Tirlemont (Communes rurales, 2), anast. herdruk (van de uitgave uit 1876), Brussel, 1963, p. 2, 5, 7-10, 16-18, 38, 64 en 74. Historische gegevens. [11]

F. DOPERE

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed 

Print Friendly, PDF & Email