Ga naar de inhoud

De kapel van Sint-Katharina-Houtem

De kapel van Sint-Katharina-Houtem te Hoegaarden

Aan de rand van een landelijke baan vlak bij de oude heerbaan Tienen-Waver, midden de driehoek gevormd door Hoegaarden, Oorbeek en Meldert, ligt de schilderachtige kapel van Sint-Katharina-Houtem te Hoegaarden. De plaatsnaam, afgeleid van het Frankische Holthem (holt hout) (1) [1] wijst op een heim aan het bos » zoals het plaatsje toen in feite gelegen was. 

Om reden van zijn hoge en droge ligging komt deze plaats vaak voor onder de benaming « Droeghouthem »>, “Droechouthen in Latijnse oorkonden « Houthem Siccum » (2) [2] . Van de 16 eeuw af werd de naam van de schutsheilige eraan toegevoegd om het van gelijknamige plaatsen te onderscheiden.

Houtem heeft zijn ontstaan te danken aan een hoeve midden of op de rand van het bosgebied dat de hoogvlakte van Hoegaarden bedekte (3) [3]. In 1297 behoorde de heerlijkheid “Ten Brule” onder Hoegaarden aan de heren van Heverlee. Door erfernis kwam ze in het bezit van Elisabeth van Heverlee, echtgenote van ridder Geraard van Coeckelberge.

Door acte van 6 oktober 1297 droeg de weduwe van Joannes genaamd de Brule, negen bunceren land te Houtem gelegen, aan de abdij van Park op. Wellicht ligt hier de oorzaak van de jaarlijkse cijns die de kapelmeesters van Houten aan de Parkabdij verschuldigd waren. Het dodenboek (4) [4] van dit klooster citeert bovendien nog op de verjaardag van het afsterven van de vermelde heer, een rente van twee mudden koren en zestig solidi.

(1) J. VANDER VELPEN, Geschiedenis tun Hoegaarden, Leuve… 19, p. 15.
(2) A. WAUTERS, Géographie et Histoire des communes belges. Canton de Tirlemont, Bruxelles, 1882, II, p. 3.
(3) J. VANDER Velpen, op. cit., p. 11.
(4) R. VAN WAEFELGHEM, Le Nécrologe de l’Abbaye du Pure, Bruxelles, p. 493: « Decimo Kalendas Januarii. Joannis de Hugardis dict de Brule, in jus anniversario statuti sunt duo modii frumenti et sexaginta solidi ..

In de 15 eeuw worden verschillende wijngaarden ter plaatse vermeld (5),[5]  waarvan in de 18 eeuw de sporen nog herhaaldelijk in de kapelrekeningen (6) [6] voorkwamen.

Afbeelding : 
De kapel (begin 16″ eeuw, zuiderkant) is vooral opvallend door haar bevallige architectonische verhoudingen die met het omgevende landschap harmoniseren. Maar al te opvallend is de verbijsterende toestand van het dak waaruit slechts aanzienlijke schade kon voortvloeien.

Op kerkelijk gebied ressorteerde Houtem onder de parochie Hoegaarden en maakte dan ook deel uit van het bisdom Luik, aartsdiakenij van Brabant.

In de 13″ eeuw, bezaten verschillende kloosters goederen aldaar nl. de abdijen van Park en van Vlierbeek.
De “poort” (7) [7] van de Parkabdij, gelast met de uitdelingen aan de behoeftigen, bezat er haar cijnsboek dat op 24 november 1549 vernieuwd werd.

(5) F. DE RIDDER, lets over de wijngaarden in het Hoegaardsch gebergte, in Hagelandsche Gedenkschriften, Jrg. 1909, 3 afl., p. 128.
(6) Archief van de St. Gorgoniuskerk te Hoegaarden (AGH). Register der kapel van Houtem. (Bevat de volledige kapelrekeningen van 1719 tot 1792).
(7) Archief van de Abdij van Park te Heverlee (AP.). Bundel Houtem, I, fo I. Liber censualis porte monasterij Parcensis renovatus anno dni millesimo quingentesimo quadragesimo nono, die XXIIlla mensis novembris, tempore administrationis Domini Martini Peetermans portarij porte antedicte ».
Aangaande de “poort” zie F. J. RAYMAEKERS, Geschiedkundige navorschingen over de aloude Abdij van ‘t Park, Antwerpen, 1904, pp. 44-45.

Wat de Houtemse kapel betreft, deze moet wellicht door een plaatselijke heer gesticht geweest zijn.

Vermoedelijk kwam zij tot stand ten tijde van de kruistochten toen de verering van de heilige Katharina van Alexandrië (8)[8], maagd en martelares († 307) in onze streken toenam.

Wellicht werden toen haar relikwieën naar hier overgebracht uit het oosten waar zij buitengewoon vereerd werd.

Wat daar ook moge van zijn, met zekerheid vernemen wij in acte van 1328 (9)  [9] dat Henricus de Molendino zich ertoe een jaarlijkse cijns aan het Luikse kapittel als leenheerecht te betalen.

Hieruit blijkt dat de Houtemse kapel aan de H. Katharina was toegewijd. Haar bediening geschiedde door de pastoor van Hoegaarden die zich meestal voor het celebreren der gewone missen door een « beneficiant » of door een onderpastoor liet vervangen. Slechts bij uitzondering werd de kapel bediend in 1602, door de Bogaarden die op het gehucht Overlaar hun klooster bezaten (10) [10]

De kapel had echter haar zelfstandig finantieel beheer. Was dit misschien een gevolg van haar verre oorsprong? Dit beheer was in handen van een kapelmeester, die jaarlijks opnieuw moest aangeduid worden en die in de 18 eeuw doorgaans een vergoeding ontving van 4 gl. voor zijn moeite. Hij moest voor het behoorlijke onderhoud van het gebouw instaan en voor het opmaken der jaarlijkse kapelrekeningen zorgen. In 1736 werd de rekening goedgekeurd in bijzijn van pastoor Henricus Sweerts en van de oud kapelmeester Geert Finoels. De kapelmeesters werden doorgaans onder de notabelen van het gehucht gekozen.

(8) Over deze heilige en de verspreiding van haar eredienst, zie A. BUTLER, Vies des Pères, des Martyrs, etc., Louvain, 1832, pp. 53-57. BÉNÉDICTINS DE PARIS, Vies des Saints et des Bienheureux, Paris, 1954, XI. pp. 854-872.

(9) A. P. Cartularium Liberti de Pape. Hoegaarden, fo 160 « et ut supradictus Dnus Gerardus de solutione dictorum centum solidorum dicte monete singulis annis magis securus esset et in perpetuum remaneret antedictus Henricus de Molendino coram nobis obligavit et in titulum verti pignoris posuit antedicto Dno Gerardo dimidium bonnuarium curtis sive mansionis in qua residet, jacentis apud houthem inter domum qua moratur et cappellam Beate Virginis Katharine jure heriditario ad curiam dicti Capituli Leodiensis tamquam ad Dnum. fundi sub annuo censu pertinentibus pro quinquagintis solidis monete predicto singulis annis persolvendis ».
(10) A. WAUTERS, op. cit., p. 44.

In 1757 werd de rekening « gedaen, gerekent ende gesloten » ten huize van de kapelmeester Joannes Bastin, in aanwezigheid van pastoor Sweerts, van Lambert Van Hulst, Goris Geerts, Franciscus Preuveneers, Bernard Collart en andere inwoners van Houtem.

In 1759 vernemen wij dat de kapelrekening moest « gesloten >> worden ten huize van << de rendant >> de secretaris van Hoegaarden, J. Sweerts in aanwezigheid van de pastoor, van Joannes Dumont en Goris Geerts « synde de inwoonders van Hauthem daer toe te vorens geadverteert ».
De gehuchtbewoners waren dus rechtstreeks in het beheer van hun kapel geïnteresseerd. Tijdens die vergadering waar men rond de tafel geschaard zat, had er ook << een verteer oft tracktement >> plaats.

Wij geven hier een lijst van bekende kapelmeesters :

1549 Joannes Bocx (11) [11]

1615 Joannes Salomons (12) [12]
Henricus De Kinder (13) [13]
Joannes Geis (14) [14]

1663 Waltherus de Wellen (15) [15]

1719 Hubert Geerts (16) [16]

1720/21 Peeter Janssens

1722 Ant. Peeters
1723 Joannes Bastin
1724/25 Albert Vanden Bempd
1725 Anthoen Geerts
1727/28 (G. Jacobs, tevens onderpastoor te Hoegaarden)

1727 Louis Finoels
1730 Lambert Finoels
1731 Lambert Hubens
1732 Guilliam Loos
1734/35 Joannes Gregoir
1736 Henricus Humblé
1737 Guilliam Loos
1737 Henricus Struys

(11) A. P. Bundel Houtem 2, fo 7.
(12) Ibid.
(13) Archief van het Bisdom te Luik (ABL). Visitationes archidiaconales. F. I. 44. f 29vo. voor.
(14) Ibid.
(15) Ibid.
(16) Al de overige kapelmeesters komen in de hogervermelde kapelrekeningen

1738 Guilliam Fredrickx
1739 Peeter Van Herbergen.
1746 Geeraert
1741/42 Anthoen Collaert
1744 Joannes Bastin
1745 Joseph Vanden Bempd
1746 L. Finoulst
1747 Louis Finoulst
1749/50 Bernaert Collaert
1753/54 Joannes Bastin
1757 idem
1758 idem
1759/60 Jacobus Finoulst
1761/62 Joannes Finoulst
1763/64 Anthoon Loos
1765/66 Joannes Janssens
1767/68 N. Van Montenaken
1769 Joannes Bastin
1770/71/72 Guilliam Van Hulst
1773/74 Joannes-Baptiste Dumont
1774/75 Joannes Janssens
1775/76 Joannes Janssens
1777/78 Joannes Finoulst
1779/80 Ludovicus Finoulst
1781/82 Henricus Janssens
1783/84 Joannes Van der Molen
1783/84 Joannes Baptista Dumont
1785/86 Joannes Van der Molen
1787/88 Jacobus Finoulst
1789 Ludovicus Finoulst
1791/92 Henricus Janssens

Om haar onderhoud te verzekeren, beschikte de kapel over een vast inkomen waarin door enkele weldoeners werd voorzien. Vermelden wij dat volgens een «acte antenuptiael beschreven door E. H. Joannes Van den Putte, pastoor van Hoegaarden, op 24 oktober 1669 (17) [17] , dank zij een legaat van Elisabeth Pierarts, de kapel een dagmaal land bezat « in het opperveldt, reg. de straet uyt Hauthem naer Hoxembosch, Everart Dumont tevooren Geert Jannen, Nicolaes Van Osmael tevooren den voors. Jannen en Daniel Wauters tevooren Jacq. Sauvaige ». Dit goed was belast met een jaargetijde van 12 stuivers ten laste van de kapel. In de jaren 1727-1728 was Everart Dumont, huurder van dit stuk tegen 3 gl. 17 st. Wat deze mis betreft, zij moest in de kapel gelezen worden en door de kapelmeester betaald.

Ook had de kapel nog in eigendom een half bunder gelegen bij <<Hoxem bosch », belast met een molenvat tarwe in natura uit te keren aan het kapittel van de H. Bartholomeus te Luik, door de huurder. In 1728 was het verhuurd aan Mattheys De Samber voor 7 gl. 15 st. Op 26 februari 1729 werd het voor een termijn van tien jaar aan Servaas Hubens uitgegeven  <<midts twee mael loffelyck te mesten »>, maar de verschuldigde cijns was ten laste van de kapelmeester.

Op de hoogvlakte waar zij stond bezat de kapel ook een stuk land in de wijngaert, reg. de straet van de cappelle naer Hougaerden» dat een jaarlijkse opbrengst van 2 gl 19 st. bezorgde.

Verder bezat zij nog een << daghmael min vier royen in den wyngaert>>. De helft ervan was afkomstig van een legaat van Peeter Cornet, krachtens zijn testament van 22 januari 1728; de andere helft echter bij aankoop door acte van 4 februari van het zelfde jaar. Het was belast met een jaarlijkse mis die in de kapel moest opgedragen worden en waarvoor de kapelmeester 10 stuivers betaalde Huurder van het perceel was in dit jaar, Librecht Munsters, voor 5 gulden.

In het « Memorien boeck » van pastoor Henricus Peeters lezen wij volgende nota « in de capelle van Hauthem staet van audts te geschieden een jaergetydt oft een gesonge requiem misse en woort betaelt door den capelmeester en woort niet onderhauden in veel jaren als in het jaer 1729 is het wedrom aengestelt en woort gedaen en betaelt ».

De kapel had haar cijnsboek waarin niet minder dan vijfendertig percelen voorkomen welke in de jaren 1727-1728 een jaarlijkse opbrengst van 23 gl. 4 st. bezorgden.

Dank zij de verslagen van de aartsdiakonale bezoeken waaraan de bidplaats onderworpen was, vernemen wij enkele typische biezonderheden. Tijdens zijn visiet van 18 mei 1663 maakt de aartsdiaken gewag van een beneficie aan de kapel verbonden. Rector hiervan was Vincentius Renson die nog als « studiosus >> te Tienen vermeld wordt. Dit beneficie was met drie missen om de veertien dagen belast. De « fabrica » hiermede wordt het tijdelijke beheer der kapel bedoeld had een globaal inkomen van veertig gulden. naar Lambertus Heussens verzekerde.

Kapelmeester was toen Waltherus de Wellen, zijn voorgangers in dit ambt waren resp. Joannes Geis en Henricus De Kinder maar zij dienden hun rekeningen niet in. Dit was natuurlijk niet naar de zin van de pastoor die dan ook vroeg dat de goederen der kapel uit de handen zouden genomen worden van hen die maar al te weinig vou: he… droegen en dat verder aan die landlieden de verplichting opgelegd niets uit te geven zonder zijn toestemming (18) [18].

In het visiet van 21 augustus 1685, wordt als rector voor het beneficie, N. Vandereycken uit Beauvechain vermeld, die toen te Leuven resideerde. De kapel was toen ook voldoende versierd (19).

Uit het relaas van 6 mei 1732 blijkt dat het vermelde beneficie ter begeving van het Hoegaardse kapittel was. De rector van het beneficie droeg niet de minste zorg voor de kapel, om deze reden werden de schuldenaars Henricus Van Houbroeck, Petrus Beckers en Guilielmus Loos tot betaling vermaand. Het jaarlijkse inkomen bedroeg nog steeds veertig gulden, kapelmeester was toen Guilielmus Loos (20).

Het aartsdiakonale verslag van 23 september 1741 maakt uitdrukkelijk gewag van het beneficie onder de titel van de H. Katharina. Rector hiervan was M. Liben die evenmin voor de bediening der kapel zorg droeg, alhoewel er dan twee missen om de veertien dagen moesten worden opgedragen. De kapel bezat toen een kelk waarvan slechts de « cuppa » in zilver was, zoals de synodale statuten het streng vereisten; de voet echter was in koper. De gewaden waren in goede staat (21).

(17) AGH, « Memorien boeck » van pastoor Henricus Peeters, aangelegd in 1715.
(18) ABL. Visitationes archidiaconales. F. I. 44, fo 29: « … conqueritur D. pastor quod eadem bona maneant in manibus illorum qui suum pastorem parum curant. Imponendum rusticis ut nihil exponant absque aviso D. pastoris ».
(19) ABL. Visit. archid. F. I. 45, fo 130vo.
(20) ABL. Visit. archid. F. 1. 47, fo 99.
(21) ABL. Visit. archid. F. I. 47, fo 274

In hun bediening werden de celebranten door een koster bijgestaan die de « solemnele missen » met zijn zang moest begeleiden. In 1719 werden de kosters (was deze van de St.Gorgonius misschien hierbij geteld ?) op twee maaltijden genodigd welke resp. plaats hadden op de eerste zondag zondag van mei, wanneer de “groote kermisse” (22) [19] werd gevierd en op 25 november, het feest van de H. Katharina.

Op die beide dagen vooral kwam het vrome volk naar de geliefde kapel toegestroomd en de processie die dan telkens, na de dienst, langs die landelijke wegen stapte, was een enig schilderachtig tafereeltje. Die « groote kermisse » was vermoedelijk een herinnering aan de kapelwijding.

Desaangaande geeft de rekening van de jaren 1734-1735 volgende biezonderheid:

“item aen die spelien (speellieden) over t spelen van de twee diensten jaerl. te weten op de groote kermisse en Ste Catharine dagh, vier en twintigh stuyv. dus pro A” 1734, 1735 is 2 g. 3 st. ».

Aangaande de devotie tot de H. Katharina, beschermheilige der kapel weten wij met zekerheid dat deze volksheilige, een onder de noodhelpers, reeds in de primitieve bidplaats vereerd werd. Wanneer in het begin van de 16″ eeuw de huidige kapel opgebouwd werd, werden van meetaf twee deuren in de beuk geopend om het in- en uitgaan op de meest drukke dagen te vergemakkelijken. Haar sierlijk houten gepolichromeerd beeld dat thans nog in de kapel vereerd wordt, werd in het midden van de 16″ eeuw vervaardigd. Aangaande de aloude verering noteerde pastoor H. Peeters, in 1715, volgende bijzonderheden:

Hauthem. Op den eersten sondagh van de maent mey woort geviert de wydinge van de capelle van Hauthem, den heer Pastoor officieert met processie en de Pater minderbroeder predickt.

Op den feestdag van de H. Catharina, Patronesse van de capelle van Hauthem woort door den heer pastoor gesongen een solemnele misse ende den Pater minderbroeder predickt ende den capelmeester trackteert de dienaers.
Den heer Pastoir heeft voor syne twee dinsten en overstaen der rekeninge 2 guld (23) [20].

Alhoewel vanouds de kapel in het bezit moet geweest zijn van relikwieën der beschermheilige, staan deze echter niet in de oudst bewaarde rekeningen vermeld. Deze relikwieën zullen wellicht tijdens de Oostenrijkse Successie oorlog zoek geraakt zijn want uit de rekening van 1769 blijkt dat de Karmelieten van het klooster van Neten tot viermaal toe in de jaren 1767-1768 het bezoek van de Houtemse kapelmeester ontvingen, door wie zij verzocht waren geworden hem relikwieën van de H. Katharina te bezorgen. Deze kwamen ten slotte aan en uit die tijd dateert de koperen relikwiemonstrans die heden nog gebruikt wordt.

(22) AGH. Memorien boeck, fo 82.
(23) Ibid.

In 1761 werd de vloer van de kapel vernieuwd. Hiertoe werden 900 plaveien bij J. Jacquet te Namen gekocht, aan 144 gl. Zij werden geplaatst door Jean Pierre « steenmetser » die de stenen te Namen had afgehaald.

De koperslager de Mary ontving 6 g 6 st. « voor den haen ende bol van den thoren » en bovendien nog 2 g. 9 st. voor het vergulden van deze beide stukken.

Peeter Peeters (24) [21] , klokkengieter te Tienen werd gelast met het hergieten van de oude klok der kapel. Voor de geleverde nieuwe klokspijs en een paar nieuwe pannen werd hem de som van 77 gl. 6 st. betaald. De oude klok werd naar Tienen overgebracht, de nieuwe kwam te Houtem samen met het belfroid » aan. De landdeken kwam de plechtige wijding verrichten. Vier werklieden. hingen nadien de klok in het torentje en er werd hen gegeven «< een plaquet brandewyn ».

In 1765-1766 werd de huidige sacristie gebouwd door de meester metser Hendrik Marchal. Godgaff Van Molle leverde de stenen hiertoe en de schrijnwerker Jan Homblé vervaardigde de deur. Het volgende jaar werkte deze laatste ook aan de communiebank. De beide thans nog bestaande processietronen die de kenmerken vertonen van de Lodewijk XVI-stijl, werden vervaardigd door de beeldhouwer Gilis in de jaren 1785-1786.

Aan de zuidkant van de bidplaats strekte zich in 1615 een kleine boomgaard uit, van 13 dagwanden. In 1757 was « den boomgaert der cappelle » verhuurd. Vier appelaars werden er toen bijgeplant. Deze boomgaard komt eveneens voor op de gelijktijdige kaart van Ferraris (25)  [22] . In 1789 werden daar populieren, wilgen en olmen geveld.

(24) Deze staat als de laatste Tierse klokkengieter vermeld in: D FAGOT, Enkele documenten over de beiaard van Tienen, in De Brabantse Folklore, nr 142 (juni 1959), p. 246.
(25) Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Sectie: Kaarten en plannen.

De huidige kapel dateert uit het begin van de 16″ eeuw. Het is een laatgotisch gebouw dat uit een vierhoekige beuk en een driezijdig gesloten koor bestaat.

De beuk, ong. 10,50 m lang, 8 m breed en 5,40 m hoog (aan de noordzijde) is langs deze kant in Gobertangesteen met banden in steen van Overlaar. Aan de overzijde en aan de westergevel werd alleen van Gobertangesteen gebruik gemaakt.

Aan de noordkant is de huidige toegang nl. een deur met segmentboog en aan weerszijden hiervan, een venster zonder meneel. Dat van de rechterzijde werd onderaan toegemetseld. Aan de zuidkant komt juist tegenover de vermelde deur, mortgelijk. gang voor welke echter sedert lang dichtgemetsel werd om praktische redenen. Er komt ook een plint op ong. 1,20 m en een druiplijst ter hoogte van 2,40 m voor. De top van de westgevel is buitengewoon bevallig door zijn slankheid die door het steile dak beinvloed werd. Ook de schouderstukken van de aanzetten van de top zijn zeer opvallend. Verder is deze gevel blind.

Afbeelding : De noordgevel met de typische segmentboogdeur en het oude muurtje vanaf de hoofdweg gezien.

Het koor, 5 m lang, ong. 6 m breed, en waarvan ieder vak van de absis ong. 2 m breedte vertoont, is gans in steen van Gobertange en van Overlaar. Aan beide zijmuren komt een venster zonder meneel voor, het venster van de koorsluiting werd in het midden van de 17 eeuw dichtgemetseld bij het plaatsen van het huidige hoogaltaar. De huidige sacristie, in Gobertangesteen, werd in 1765-1766 heropgebouwd.

De westergevel wordt beheerst door het vierkante houten klokketorentje met puntige achthoekige spits dat, zoals hoger vermeld, in 1763-1764 vervaardigd werd. Het berust deels op het dakgeraamte en gedeeltelijk op de afgeknotte geveltop. In dit torentje hangt nog steeds de hogervermelde klok waarvan het opschrift luidt:

A. Loos
Cappelmeester
P. Peeters me fudit 1764
Meeter Anna Margarita
Van Osmael
Peeter Heer Joannes Janssens

Vermelden wij ook nog de 16″ eeuwse muur welke het beluik aan de noord- en oostkant zoomt en als bescherming voor de kapel langs de beide openbare wegen bedoeld werd. Sedert lang zouden de verwaarloosde ruimten tussen de stenen moeten hervoegd worden. Samen met de twee oude lindebomen vormt deze typische omheining een aantrekkelijk tafereel.

Wat het interieur betreft, dit is gans bepleisterd zoals het de traditie ten onzent wil. Dit verhoogt trouwens in hoge mate het specifiek landelijke karakter van het gebouw. Het fraaie plafond in stucwerk, in regence-stijl met weinig relief, onder Luikse invloed, werd in 1751 uitgevoerd. Dit jaartal komt nog duidelijk voor in een cartouche die het centrale motief boven de koorabsis vormt. Deze zoldering is in symmetrische vakken verdeeld, en in dat van het koor komt een “geestelijke duif” zinnebeeld van de H. Geest voor. Dit geheel is op zichzelf reeds een kunstwerk en het zou zeker niet mogen prijsgegeven worden aan vernieling.

De kapel bezit drie altaren in Vlaamse renaissance-stijl, in gemarmerd hout. Het hoofdaltaar dat uit het midden van de 17° eeuw stamt, is van een imponerend retabel voorzien, waarvan het driehoekige fronton door twee ionische geribde zuilen gedragen. wordt. De fijn gebeeldhouwde basissen hiervan vertonen mooi snijwerk waarop een bevallig gevleugeld engelhoofdje voorkomt. In het midden van dit retabel bemerkt men een schilderij op doek, wellicht van het begin der 18 eeuw, dat een voorstelling geeft van de Marteling van de H. Gorgonius, de patroon van Hoegaarden.

Afbeelding: Hoofdaltaar. Fijn gebeeldhouwde basis een der beide geribde zuilen van het retabel (circa 1650).

Het fronton is versierd met drie houten beelden uit hetzelfde tijdperk als het altaar, en die resp. voorstellen de H. Margareta van Antiochië (vaak toendertijd samen met de H. Katharina vereerd), de H. Eligius en de H. Hieronymus. Het toppunt wordt beheerst door een prachtig laatgotisch kruis (hout, begin 16 eeuw) waarvan de vierlobbige uiteinden het zinnebeeld van een Evangelist voorstellen.

Verder bezit de kapel nog enkele andere houten beelden die een blijvend getuigenis afleggen van het voorvaderlijke geloof, nl. in het koor, een staande Mariabeeld (begin 16° eeuw), wellicht van een calvariegroep afkomstig, waarin de Boergondische invloed nog klaar tot uiting komt, terwijl het St.Barbarabeeld (midden 16″ eeuw) ook zeer expressief is. 

Valt ook nog op te merken een St.Rochusbeeld (2 kwart van de 17e eeuw) waarvan de  louter folkloristische uitdrukking veelzeggend is. Dit beeld herinnert aan de pestkwaal die ook te Houtem in 1635 heerste, toen de inwoners van het gehucht hun toevlucht tot deze volksheilige namen.

Deze devotie bleef er trouwens lang in ere, vermist nog op het einde van de volgende eeuw, de H. Rochus op het schilderij van het linker zijaltaar afgebeeld werd.

De beide zijaltaren, resp. toegewijd aan O.-L.-Vrouw en aan de H. Katharina, staan overhoeks in de as van het koor geplaatst. Dat van O.-L.-V., aan de linkerkant, heeft een retabel in Vlaamse renaissance-stijl. In het midden ervan bemerkt men een schoon. Mariabeeld (midden 17e eeuw), dat nog typisch barok aandoet. Het retabel wordt door het beeld van een heilige bisschop (midden. 16 eeuw) beheerst. Het rechterzijaltaar dat met zijn tegenhanger overeenstemt, bezit een folkloristisch schilderij (doek, circa 1780) dat een voorstelling uit het leven van de H. Rochus geeft. Het is kenmerkend voor het Lodewijk XVI-tijdperk nl. het landschap op de achtergrond dat een heerlijk brokje natuurschoon wil geven, met burcht, toren en ook nog een windmolen. In het midden van het retabel, staat een beeld van de H. Katharina (midden 16″ eeuw) waarvan de eigenaardigheid niet weinig opvallend is nl. door het zinnebeeldige grote zwaard en het folterrad, het zgn. « St.-Katharinawiel ». Een groep welke en in de streek zeer bekende voorstelling geeft van St.-Anna-ten-Drieën (16° eeuw) kan men boven het altaarstuk bewonderen. Aan de rechterzijde van de beuk, dient verder nog een Rust van Christus op Calvarie (1 kwart 16″ eeuw) te worden vermeld. Ook deze devotie was in die tijd zeer levendig in de streek.

Tegen de blinde westgevel, bemerkt men een kleine tribune (2,20 m hoog, 1,75 m diep) waarvan de draagbalk, in het midden, het jaarmerk 1712 draagt, terwijl op de bovenrand van de leuning, volgende tekst gebeiteld staat: Anno 1755, den 30 april. IBT.  [23]

Afbeelding: St.-Barbarabeeld (hout, midden 16″ eeuw). In haar rechterhand heeft zij het gewijde boek. In de toren: een laatgotisch venster

Afbeelding: St.Katharinabeeld (hout, midden 16 eeuw). Onderaan staat de keizer afgebeeld die haar dood veroordeelde alsook het gebroken folterrad dat door een engel vernield werd.

Wat de renaissance-communiebank betreft, zij is met stevige stijlen versierd en haar kroonlijst draagt het jaarmerk : 1676. Een nieuwe ambo dat niet de minste kunstwaarde bezit en dat bovendien door zijn onevenredige breedte een betreurenswaardige wanverhouding heeft tot stand gebracht, schaadt het algemeen zicht op het koor.

De Houtemse kapel geniet van een prachtige, ongekunstelde ligging. Van waar men ook het gebouwtje ontwaart, is het dadelijk opvallend door het sterk hellende dak en de zeer evenwichtige bouwkundige verhoudingen. Ook is het de algemene belangstelling overwaard.

Afbeelding: St.-Anna-ten-Drieën. (hout, begin 16″ eeuw). In de linkerhand op het gewijde boek, houdt de H. Anna een druiventros, waarvan zij een twijgje aan het Goddelijk Kind aanbiedt.

Hoe paradoxaal dit ook moge voorkomen, werd het gebouw, eigendom van de kerkfabriek van St.Gorgonius, sedert enkele jaren niet meer voldoende onderhouden, alhoewel het ‘s zondags nochtans sedert een tiental jaren werkelijk dienstig is tot de eredienst voor een plaatselijke bevolking van ruim 300 zielen, over meer dan honderd woningen verspreid die een paar km. van de parochiekerk verwijderd zijn.

Bij Koninklijk besluit van 6 juli 1957 werd de kapel met de haar overlommerende beide oude lindebomen, door de Koninklijke Commissie voor monumenten gerangschikt.

Maar door het uitblijven van de sedertdien aangevraagde officiële toelagen, is inmiddels het gebouw verder beschadigd geraakt. De schouderstukken aan de aanzet van de top van de zuidgevel zijn door water en bevriezing uiteengerukt en weerstaan nog nauwelijks aan de druk van het dak dat voorlopig met bitumekarton werd bedekt.

Van het liefelijke klokketorentje dat op een gevaarlijke wijze naar de beuk overhelde en het interieur bedreigde, werd zopas noodgedwongen de uitgerotte spits met het smeedijzeren kruis en de koperen haan neergehaald. Indien tijdelijk het ergste gevaar schijnt geweken te zijn, toch ontbeert nu de kapel haar normale bekroning.

Bij de Minister van openbare werken werd onlangs nog door het provincie- en het gemeentebestuur, alsmede door de Koninklijke Commissie voor monumenten op de hoogdringendheid der uit te voeren herstellingen gewezen.

Moge ten slotte, in een der mooiste landschappen van het Leuvense arrondissement, dit merkwaardige geheel onverwijld aan verder verval onttrokken worden en de algemene belangstelling gaande houden

 

Afbeeldingen

[24]

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed 

Print Friendly, PDF & Email