Ga naar de inhoud

Van Kapittelhuys naar Pastorie 1831-1981

Opgedragen ter nagedachtenis aan Marie Anne Sweerts die in 1831 een pastorij aan de gemeente Hoegaarden schonk

Bronnen

  • Histoire des Communes Belges (Hougaerde) door Alph. Wauters. 1876 [1]
  • Geschiedenis van Hoegaarden door J. Vander Velpen . [2]
  • Archief der v Geslachten (Bundels Sweerts en Van Nerum) Familie-archief Dumont (Bail) [3])
  • Persoonlijke nota’s van E.H. Heuysdens, Past, van Hoegaarden ( 1935/53) [4]

Kapittelstichting

Het rijkelijk begiftigde Kapittel Van Hoegaarden, door Gravin Alpaidis in het jaar 980 gesticht naar het voorbeeld van Bisschop Chrodegang (zie Alpaidis nrs. 58 tot 61), hing rechtstreeks af van het Domkapittel van Keulen en zulks ingevolge een bijzondere wilsbeschikking van de Gravin, uit dank voor de bekomen gunsten van Aartsbisschop Bruno van Keulen, die… haar gemaal Graaf Godfried I, Heer van Rumigny, in 959 tot Hertog (of Onder-Hertog) van Neder-Lotharingen had benoemd.

Het Kapittel had als hoofdbestaanreden, het zingen van het koorofficie, om alzo meer luister bij te brengen in de celebratie der kerkelijke diensten, tot het afsmeken van God’s bescherming.

Alleen voorname kerken beschikten overeen Kapittel en daarom werd te Hoegaarden op het Castrum van de Gravin, een ruime en prachtige tempel gebouwd, zoals er uren in de omtrek geen enkele te zien was en waar de goddelijke officies met grote pracht en praal geschiedden.

Deze kerk waar de relieken van de Romeinse martelaar Sint Gorgonius, door bisschop Chrodegang meegebracht, werden bij gelegd, was echter niet alleen een Kapittel of Collegiale kerk, afhangend van het Keulse Domkapittel, maar werd ook pa rochiekerk onder het toezicht van de Luikse Prinsbisschop, hetgeen zeven eeuwen na de stichting aanleiding zou geven tot een openbare breuk tussen het Kapittelcollege en de Parochie.

Kapittelinrichting  

Het Hoegaards Kapittel bestond uit een College van 12 Kanunnikken (naar het woord canon=onderworpen aan vaste regels en wetten) te weten een Proost, een Vice-Proost, een Scholaster, een Plebaan en acht gewone Kanunnikken.

De Proost was van rechtswege de Scholaster van het Domkapittel van Keulen en behoorde tot de hoogste Duitse adel. Hij stond aan het hoofd van het Kapittel en bezat een uitgebreide macht over dit laatste en over de kerk. Hij had het benoemingsrecht van de andere Kanunnikken en was verantwoordelijk voor het beheer, de orde en de tucht.
Daarom grepen er regelmatig kerkvisitaties plaats, door hem zelf, of door een afgevaardigde uitgevoerd. Ziehier enkele namen van Proosten: [5]

  • Wido van Alvane, kleinzoon van Hendrik I van Ieuven, 1245
  • Wicbold van Holte, 1275-1291.
  • Gerard van Virneburg ca 1344
    Johann of Arnold, Graaf van Manderscheid-Blanckenheim 1579-1604
  • Ericus, Graaf van Limborch en Bronckhorst, ca, 1620
  • Berthold, Graaf van Königseg en Rotenfels, ca. 1640
  • Franz Adolf, Graaf van Oost-Friesland en Ritberg, 1684
  • de Bisschop van Trier, ca. 1750
  • de Prins van Hohenloh, ca. 1775
  • de Prinsbisschop van Ratisborne, ca. 1726

De Vice-Proost moest de Proost vervangen en vervulde daarom de funktie van Kapitteldeken (niet te verwarren met Landdeken of Conciliedeken=Deken van verschillende parochies), maar hij vertoefde zelden te Hoegaarden, zodat het gezag over het Kapittel slecht vertegenwoordigd was en waaronder de orde en tucht veel te lijden hadden.

De Scholaster was aanvankelijk belast met het onderwijs in het dorp, doch hij werd later wegens zijn vele afwezigheden en zwakke plaatsvervanging, door een leek vervangen.

De Plebaan ten slotte moest instaan voor de zielezorg der parochianen, maar zou later in botsing komen met de andere Kanunnikken, met als gevolg dat hij zich geleidelijk zou weten te verwijderen en af te zonderen van het Kapittel, of schoon hij toch als bezoldigd Kanunnik wilde beschouwd blijven, om zijn prebender (dotatie) te kunnen innen, De Plebaan werd later “Pastoor” genoemd en zou door de Luikse Bisschop worden benoemd en niet meer door de Proost, zoals dat in den beginne was.

Alle Kapittelbroeders werden bij de geestelijke stand opgenomen, doch de meeste hadden enkel de kleine wijding gekregen, waardoor zij geen priester waren, zodat niets hun verbood het Kapittel te verlaten en in het huwelijk te treden. Doch in zulk geval verloren zij hun prebende, zelfs als de wettige echtgenote verklaarde zich in continentie te willen terug trekken.”

Met uitzondering van de Proost waren zij allen verplicht, om minstens 9 maanden per jaar binnen Hoegaarden te resideren. Maar deze standregel werd zeer slecht nageleefd, want doorgaans verbleven er amper 2 à 3 Kanunnikken vast in de Parochie, al de anderen stelden “Kapelanen” aan, om in hun plaats de missen te celebreren en het koorofficie te zingen. En bovendien gebeurde het vaak dat ben enkele Kapelaan, soms 3 à 4 Kanunnikken verving, hetgeen ook inbreuk maakte op de Kapittelregels.

De plaats van Kanunnik werd zeer begeerd, niet zozeer voor de geestelijke verplichtingen, maar wel voor de prebenden op te strijken, want het Kapittel beschikte over de tienden (10de deel der vruchten en gewassen) van 2.000 bunder land te Hoegaarden en nog een deel in de omliggende dorpen.

Bovendien bezat het Kapittel ook nog zijn eigen gronden in en buiten Hoegaarden, waarvan het de renten en cijnsen optrok.

Als de Kapittelheren in den beginne alles gelijkmatig en evenredig met hun waardigheid verdeelden, dan zou iedere broeder weldra zijn eigen prebende regelen, zo rijkelijk bedeeld dat zij zelf ieder hun eigen register bijhielden om de persoonlijke  goederen en inkomsten te boeken.

Misbruiken en overtredingen

Vanaf 1242 deden zich reeds enkele ernstige misbruiken voor in het beheer van het Kapittel, maar met de tijd namen deze zodanig toe, dat er weldra schandelijke toestanden ontstonden.

De tucht werd volledig verwaarloosd, geen enkele Kanunnik kende nog de statuten en standregels van hun Kapittelorde.

De Kanunnikken werden soms in dronken toestand en in de tavernen van het dorp gevonden en van dronkenschap ging het tot erger. Zij deden onder elkaar ruilingen en verhuurd en gronden aan hun naastbestaanden en vrienden en dit alles ondanks de zwaarste straffen. De aflossing der pachtprijzen van het gezamenlijk Kapittelbezit werd slecht of niet aangetekend, alleen de verrijking van hun eigen bezit werd beoogd.

Het archief, de akten en registers var het Kapittel lagen zowat overal verspreid en gingen teloor, zodat door de nalatigheid vele bescheiden in persoonlijk en vreemd bezit kwam en dit alles niettegenstaande de Vice-Proost belast was met de bewaring en beveiliging ervan.

Uit een rapport van het kerkbezoek van 1618, uitgevoerd door de Apostolische Nuntius Antonio Albergati, Bisschop van Viglia, bleek dat de overtredingen en misbruiken aanzienlijk waren toegenomen.

Sancties werden getroffen en het Kanunnikkencollege heringedeeld in 3 priesterlijke, 3 diakonale, 3 sub-diakonale en 3 kerkelijke kanunikaten, maar het was alles boter aan de galg, er kwam weinig verbetering in de zaak.

In 1644 kwam Franciscus Adolphus; Kanunnik van Keulen, in naam van de Bisschop een bezoek brengen aan Hoegaarden. Hij stelde met ontzetting vast dat er geen archief meer voorhanden was en dat alles in de grootste wanorde lag. Het ging zelfs zover dat de kerkelijke diensten verwaarloosd werden, ondanks de dreigementen en sancties van de Proost.

Rond 1680 waren de koorofficies haast onbestaande en dreigde de kerk in puin te storten. Meermaals had de Plebaan nochtans aanklacht tegen al deze toestanden ingediend bij de Vice-Proost, doch zonder gevolg.

Eindelijk dan toch kwam er in 1684 een nieuw reglement tot stand, om de vele misbruiken streng te beteugelen, doch het kwaad was te diep ingeworteld, zodat de standregels niet beter dan vroeger werden nageleefd. De Kanunnikken kweten zich niet in eer en geweten van hun plicht en deden slechts het hoogst nodige, om te vermijden dat de Plebaan (de enige die nog een plichtsgevoel had) nieuwe aanklachten zou opstellen.

De verplichte residentie bijzonderlijk had hieraan schuld, maar deze werd volledig over het hoofd gezien, wijl ook het beheer van de kerkgoederen tal van fouten inhield en veel te wensen overliet.

En nochtans werden jaarlijks twee Kanunnikken (later een leek) met het beheer van het kerkfabriek belast en zulks vooral voor wat de rechten der begrafenissen in de kerk betroffen en het tegoed dat aan de kerkfabriek moest toekomen. Noteer dat alleen de geestelijken en meest vooraanstaande ingezetenen van het dorp in de kerk mochten begraven worden; al de andere parochianen op het kerkhof rond de kerk.

Er waren ook misbruiken gegleden in het Beheer van het St. Eloye-Gasthuis (in de Gasthuisstraat gelegen), dat onder de bevoegdheid van het Kapittel stond en wellicht even oud was. Uitsluitend dienend om reizigers en doortrekkende pelgrims onderdak en voedsel te verschaffen, zulks op wil der stichters die hiervoor hun goederen hadden geschonken, werd de opbrengst van deze goederen, tegen alle voorschriften in, onder de armen van het dorp verdeeld.

Nochtans had Hoegaarden een H. Geest- of Armentafel, speciaal belast met de zorg der ärmen uit de Parochie. Doch in 1618 waren de Armentafel en het St. Eloye-Gasthuis reeds ten onrechte met elkaar versmolten, zodat de Plebaan die samen met zijn Tafelmeesters, het beheer over de Armentafel had, er niets meer kon aan veranderen, zonder in hevige botsing te komen met het Kapittel.

En ten slotte was er nog de Lazarije, het Leprozen- of Lazarius huys, waar de zieken werden ondergebracht, die uit vrees voor besmetting van hun omgeving moesten afgezonderd worden. Maar zowel in het Leprozenhuis als elders, grepen misbruiken plaats, zodat het Kapittel dat alles onder zijn beheer had, zich nooit aan de standregels van zijn stichting heeft gehouden. Allen stelden zich slechts tevreden met het innen van hun rijke prebenden, die zij bestendig trachten uit te breiden.

En in de meeste gevallen lieten ze zich nog vervangen, om ook elders te kunnen benoemd worden, ten einde zoveel mogelijk bijverdiensten te bekomen. Hun enige betrachting bestond uit, hun persoonlijke verrijking. Het woord “kumul” bestond toen nog niet, maar het was onder een andere vorm door de Kanunnikken gekend. Niet verwonderlijk dat bij het afschaffen van het Kapittel onder het frans bewind, de revolutionaire Notaris en latere Burgemeester Jean Baptist Van Autgaerden, de Kanunnikken betitelde als “une cohorte de chanoines qui nous ont dévoré de tous temps” en dat Van Autgaerden op de voorpagina van het Resolutiebock der oude Regentie van Hoegaarden, de opmerking schreef “Merde pour les armes du Prince”, nadat hij het wapenzegel van de Prinsbisschop had afgerukt. (dokument in ons bezit)

Het Kapittelhuys

In de Cuype van Hoegaarden rond de kerk gelegen, hebben van oudsher vier “blocken” (grote en vaste grondpercelen) bestaan, die hun naam en ontstaan te danken hebben aan reële feiten of legenden:

  1. Het “Kapittel block” (later Pastoorsblock genaamd), gelegen tussen de Walenstraat en de weg naar Elst, de Houtmarkt, de Pastorijstraat [6] en de veldwegel dwars door het Elstveld lopende [7]. Vermoedelijk kreeg dit “block” zijn naam door een schenking van Gravin Alpaïdis, bestemd voor het door haar gestichte Kapittel en waarop het Kapittelhuys [8], met park en aanpalende hoeve (Kapittelhoeve, Pastoorshoeve en nadien Arendsnest genoemd), werden gebouwd.
  2. Het “Maeghaenblock” liggende tussen de hoger vernoemde Neskensstraat, de Pastorijstraat en de weg naar St. Remigius-Geest (verlengenis van de Tommestraat), toegeschreven aan de Sint Ursulalogende en de 11.000 Maeghden (waaronder Erlinde, dochter van Gravin Alpaidis ?), die in de Refugie (huidige woonst Vandermolen) zouden verbleven hebben. Een prachtige gevelsteen herinnert nog aan deze legende.
  3. De Kerekblock” waarop eens het “castrum” van Alpaidis heeft gestaan en waar de St. Gorgoniuskerk werd gebouwd, lag tussen de Gemeenteplaats, de A. Putzeysstraat (vroegere Koffiestraat), de Doelstraat (voorheen ‘s Heerenwegh), het Pastoorstraatje, de Pastorijstraat en de Houtmarkt.
    Op dit “block” bevond zich ook de Paradijsheeve (stamhuis Sweerts) met de aanpalende Sweertstuin (Paradijstuin) en de afspanning met zaal genaamd ” ‘t Cleyn Paradis”.
    Het heeft zijn naam te danken aan de daar opgerezen eerste kerk of kapel van Hoegaarden ” ‘t Pardys des Heeren”.
  4. Het “Cruysblock” gelegen tussen het Pastoorstraatje, de Doelstraat, de Tommestraat en de Pastorijstraat. Op deze grond bevond zich de hoeve van de Cruysblock(woonst van griffier Servaes Sweerts en nu hoeve Cipers), liggende aan het kruispunt van de oude aftakkingsbaan (diverticulum) Tienen-Nijvel en en ‘s Heerenwegh (Doelstraat en E. Ourystraat).
    De hoeve lag juist over de oude Romeinse afspanning van ‘t Nieuwhuys (huidig museum), waar in de kelders onder de voeten van de Witte Dame een mirakelbron opborrelde. De naam “Cruysblock” komt dus van “block aan het kruispunt”. Op een deel van dit block bouwde Schepen en Meester Brouwer Carolus van Nerum in 1747 zijn woonst (huidige pastorij), met in de tuin een speelhuisje uitgevend op de Doelstraat.

Deze vier blocken maakten eens deel uit van de uitgestrekte grafelijke domeinen “Alpaidisgaarden” en vormen nog steeds de gevolgde weg (Processieweg) van de ommegang (rondgang der vermaarde Palmprocessie der XII Apostelen.
Langs deze weg bevonden zich ook de huizen en hoeven van de voornaamste wethouders en notabelen van het dorp, ten tijde der dorpstwisten van 1749, te weten:

  • Griffier Servaes Sweerts, in de Cruysblock (hoeve Cipers)
  • Schepen Bernard Vandermolen, in de Refugie der 11.00 Maeghden.
  • Schepen Carolus Van Nerum, in de huidige Pastorij.

Het “block” dat ons in dit werk rechtstreeks aanbelangt, is het Kapittel- of Pastoorsblock. We weten nochtans niet wanneer daar het eerste Kapittelhuys is ontstaan, maar het is wel bekend dat rond 1632, toen Graaf Jan van Nassau en Generaal Luc Cairo, met hun paarden- en voetvolk gedurende verschillende weken te Hoegaarden legerden, het oud Kapittelhuys afbrandde. Dus stond het er toen al sedert lange jaren en was het reeds oud geworden.

Bijgevolg mogen we besluiten dat de enkele Kanunnikken of hun plaatsvervangers die te Hoegaarden resideerden, aanvankelijk misschien in het dorp verspreid woonden en waarschijnlijk in de huizen op de plaats rond de kerk, maar hun lokaal hadden in een huis gebouwd op de grond van het Kapittel. En het was in dit lokaal op de Houtmarkt, dat zij hun kerkelijke diensten bespraken en regelden.

Na de brand van 1632 werd daar een nieuw en ruim Kapittelhuys opgetrokken, waarin van toen af de Kanunnikken konden samen wonen.

Aan dit huis was een aanpalende hoeve (huidige hoeve Smolders) verbonden. Deze opbouw gebeurde onder het Meierschap van Lambert de Pas, ten tijde dat Kanunnik Arnoldus Houwen Deken van het Concilie was.

Kapittel conflict

Lambert de Pas behoorde tot de adel en was een trouwe volgeling en dienaar van de Luikse Prinsbisschop, zodat hij partij had gekozen voor de “Chiroux” (adel, geestelijkheid en hogere burgerij), in hun strijd tegen de “Grignoux” (ambachten en volksklasse), die van het Prinsbisdom een Republiek wilden maken. Het zou ook Meier de Pas zijn geweest die zich op de kapittelhoeve vestigde.

Houwen en de Pas waren goede vrienden, die te Hoegaarden plichtsbewust de politiekvoering van de Bisschop dienden en de wederverheffing van de aristocratische stand bewerkten, hetgeen te Hoegaarden aan de basis lag van de latere Vroedschap (zie Alpaidis nr. 27).

Houwen werd volledig door de Regentie gewonnen. Hij was immers de schoonbroeder van Jan Hermans, die de Hoegaardse Schepenbank voorzat en had met de steun van deze Regentie en het Korps der Wethouders, de zaak van het nieuw Kapittelhuys aan het rollen gebracht waardoor zij de gunst verwierven van de Luikse overheid,

Het Kapittelhuys (met park en aanpalende hoeve) was ruim en misschien wat groots opgevat, maar zulks lag juist in de bedoeling van de Regentie. Een onderaardse gang liep naar de hoeve en een andere naar de Collegiale kerk, zodat de Kanunnikken en Kapelanen zich niet meer op straat moesten begeven, om hun kerkelijke diensten te gaan vervullen.

Ondanks de weigering van het College der Kanunnikken, om hun prebenden in te zetten tot de afbetaling van het nieuw Kapittelhuys en aan Houwen het verwijt stuurden, dat hij zich door de Regentie had laten meeslepen, kwam het nieuw Kapittelhuys er toch vroeger dan verwacht.

De plechtige inhuldiging greep plaats in 1634 en vanaf toen werd het Kapittelhuys allengs “Dekeny” en later “Pastorie” genoemd, omdat de Pastoor-Deken van het Concilie er woonde, die na de Proost en de Vice-Proost, de eerste plaats bekleedde in het kerkkoor en stilaan de grote man was geworden. Zulks was niet verwonderlijk, want noch de Proost, noch de Vice-Proost woonden te Hoegaarden, zodat de Plebaan (de Pastoor Deken de voornaamste Kanunnik was die ter plaatse resideerde. Hij had buiten de kerk van Hoegaarden, ook deze van Hoksem en Overlaar onder zijn bevoegdheid en was zowat de vertrouwensman en z.g. plaatsvervanger van de Vice-Proost geworden, tot grote afgunst der andere Kanunnikken.

Maar hierdoor kwam Houwen in conflikt met zijn collegas uit. het Kapittel en begon er zich gedeeltelijk van af te zonderen, Het conflikt werd nog verergd toen de Plebaan tegen het Kapittel pleitte, om een verhoging van prebende te bekomen voor de uitvoering van zijn pastoraat. (Rond dat tijdstip moest hij weliswaar instaan voor de zielezorg van meer dan 1400 parochianen, maar eigen belang zal ook wel niet vreemd geweest zijn aan de aanvraag tot een bijkomende prebende).

De onenigheden met het Kapittel, moeten echter niet volledig op de rug van Houwen worden geduwd, want in feite waren zij reeds begonnen rond 1599 onder Pastoor Florent Hoegaerts. Deze had ook reeds bij de Vice-Proost, de vele misbruiken aangeklaagd en bijzonderlijk het geval van het slecht Kapittel beheer, waardoor het gezamenlijk bezit aanzienlijk verzwakte (verschillende grondeigendommen waren hierdoor teloor gegaan of in vreemde handen gevallen).

In deze verarming lag misschien wel de oorzaak waarom verscheidene Kanunnikken zoveel mogelijk kanonikaten trachtten te bekomen en zich zowat overal door Kapelanen lieten vervangen, alleen en uitsluitend om hun bijverdiensten op te drijven. Zo gebeurde het dat soms één en dezelfde Kapelaan 2 of 3 Kanunnikken verving.

Maar buiten deze onenigheden was er nog wat anders bijgekomen. Begin XVIIe eeuw was de toren van de kerk van Hoegaarden ingestort, hetgeen grote ruzie uitlokte met de gemeente, omdat de Kapittelheren weigerden hun deel te betalen voor de herstelling, terwijl de gemeente zich wel akkoord had verklaard het grootste deel der onkosten op haar rekening te nemen. Het zou zelfs tot een proces komen, waarin de Paus uit Rome betrokken werd. Maar het ligt niet in onze bedoeling dit proces hier nader te bespreken. We verwijzen hiervoor naar het werk van Pastoor Vander Volpen “De Geschiedenis van Hoegaarden”, waarin alles nauwkeurig staat vermeld, evenals voor wat het kerkbezoek betreft, in 1618 uitgevoerd door Antonius Albergati, Bisschop van Viglia en Apostolisch Nuntius. Deze had in een rapport voor de Proost Ericus, Graaf van Limborch on Bronckhorst en de Vice-Proost Jan de Bocholts, de heersende wantoestanden aangeklaagd.

De koppigheid der Kapittelheren, met misschien een paar uitzonderingen na waaronder de Plebaan, dreef het Kapittel in harnas tegen de Regentie en de gemeente, Tot de Kapittelheren behoorden: Henri Pillex, Carolus Drogenius, Nicolas Sothea, Gengolfus Schaegen, Arnold Dullaerts, Gregoris de Lamine, Pieter Pollaert, Willem Hassels, Nathalis de Hault en Jan Margret (die tegelijkertijd Kanunnik was to Hoksem), met Florent Hougaerts als Plebaan.

Doch zo er onder Florent Hougaerts een kloof was ontstaan met de andere Kanunnikken, dan zou deze kloof nog groter worden onder Deken Houwen, om volgende redenen:

  1. Houwen had partij gekozen voor Meier de Pas tegen het Kapittel.
  2. Houwen ging lelijk te keer tegen de misbruiken en wantoestanden van het Kapittel.
  3. Houwen wilde de Kanunnikken verplichten hun deel te betalen voor de heropbouw van de kerktoren.
  4. Houwen had samen met de Regentie het plan ontworpen van het te duur en te luxueus Kapittelhuys” zoals de Kanunnikken beweerden.

De Kapittelheren bleven koppig weigeren en deden het proces opzettelijk aanslepen, waardoor een vijandelijke houding ontstond tegen de Plebaan. En door al deze onenigheden was er een dubbel conflict opgerezen; enerzijds vanwege de Kapittelheren tegen de Plebaan en anderzijds vanwege het Kapittel tegen de Regentie.

Maar Houwen stoorde zich weinig aan hun verwijten en meldde andermaal aan de Proost de vele misbruiken die zich in de orde van het Kapittel afspeelden en met de dag toenamen.

Dit viel echter niet in de smaak van de Kanunnikken die de Plebaan als overdrager betitelden.

Doch de Deken van het Concilie voelde zich gesteund door de Luikse Bisschop en het Korps der Wethouders. Dat alleen was voor hem van tel.

In 1636 brak een nieuwe brand uit in de Dekenij en het zou lange jaren duren alvorens alle schade terug was hersteld, want de Kanunnikken weigerden opnieuw hun prebenden af te staan voor de herstellingswerken.

In 1641 overleed Meier de Pas en alsdan zou zijn zoon Lambert Joseph de Pas, later ook Meier, zich op de Pastoorshoeve hebben gevestigd.

De plebaan verlaat het kapittelhuys

In 1650 bewerkte Houwen de benoeming van zijn neef en discipel Arnold Hermans tot Kanunnik in het Kapittel van Hoegaarden. Zo gebeurde het ook met Pierre Van Goidsnoven, die buiten zijn kanunnikaat te Hoegaarden, ook Kapelaan werd van St. Ermelindis te Meldert. Zij stamden uit oude Hoegaardse geslachten, die bij de vooraanstaande families werden gerekend.

Door deze benoemingen had Houwen twee trouwe volgelingen gewonnen en de basis gelegd van een rijp overwogen vroedplan, om in het kader van de wederverheffing der aristocratie, het pastoorsambt en de geestelijke funkties, mot de daaraan verbonden voordelen, zo lang mogelijk in eigen- of bevriende families te houden, ten einde het politiek leven te Hoegaarden door de Kerk te laten beinvloeden.

Het Vroedplan-Houwen begon vaste vormen aan te nemen in 1663, toen Jan Vandenputte, ter opvolging van Houwen, tot Pastoor (Plebaan) werd benoemd. Rond die tijd was Henri Coenen de scholaster van het Kapittel en steunde Vandenputte in zijn strijd tegen de misbruiken door de andere Kanunnikken begaan. Met klem kloeg Vandenputte de wantoestanden aan en stelde zelfs bepaalde eisen, en verhoogde zelfs aanzienlijk zijn prebende tot het vierde deel der Kapittelinkomsten.

Alsdan bevool de Proost in 1684, om een streng onderzoek in to stellen. Hij legde aan de Kanunnikken nieuwe standregels op, maar ook deze werden weldra verwaarloosd. Vandenputte bekwam nochtans van de Bisschop een bijkomende prebende voor de uitvoering van zijn pastoraat, dat hij met zoveel ijver vervulde. De som werd echter tot de 2/3 herleid, ingevolge een smeekschrift van de Kanunnikken die zich beriepen op de geringheid van hun inkomsten.

Dit smeekschrift was ook ondertekend door Jan Van Volxem die in 1677 als Kapelaan in het Kapittel was getreden.

Het proces sleepte een lange tijd aan en vergrootte de kloof die tussen de Pastoor en de andere Kapittelheren (op een paar uitzonderingen na) was ontstaan.

Gesteund door de Bisschop van Luik en de Regentie van het dorp, weigerde Vandenputte nog langer in het Kapittelhuys te wonen. Op bevel van de Proost kocht het Kapittel alsdan een huis aan Voor de som van 1.400 florijnen, bestemd voor de Pastoor, Dit huis, door grachten omringd, zou zich bevonden hebben “achter de kerk tussen het kerkhof en de weg van Tienen naar Elst”.

Het valt moeilijk te bepalen waar dit huis juist zou gestaan hebben, maar in elk geval toch ergens in de huidige Pastorijstraat. (1) [9] of in de Walenstraat (volgens andere bron)

In 1692 werd Vandenputto tot Landdeken van verschillende Parochies (Deken van het Hoegaards Concilie) benoemd. Datzelfde jaar werd zijn neef en discipel Henricus Peeters tot priester gewijd en verwierf in 1705 het pastoorsambt. Dit was de kroon op het werk. De Vroedende families die te Hoegaarden de belangen en betrachtingen van de Bisschop trouwelijk dienden en hiervoor bepaalde voorrechten genoten, waardoor zij de machtsposities verwierven, hadden hun slag thuis gehaald. Het geestelijk en politick Vroedplan was ten uitvoer gebracht.

Ondertussen heersten in het Kapittel de grootste wanorde, waardoor de Vice-Proost het dikwijls aan de stok kreeg met de Kanunnikken, Hij had werkelijk een ondankbare taak, want als vreemde (niet te Hoegaarden residerend) moest de Vice-Proost al het werk opknappen van de Proost en hiervoor vaak de Kanunnikken tot de orde roepen.

Einde XVIIe, begin XVIIIe eeuw kwam het zelfs tot vechtpartijen in de kerk. De Vice-Proost was gaan plaats nemen in het koor en werd er door de Kanunnikken brutaal uitgesleurd. Hij werd gehaat omdat hij alles aan de Proost ging overdragen.

(1) zou het eigendom geweest zijn van de familie Vinalef, Bijgevolg is het verkeerd te beweren dat het huis op de Houtmarkt (huis Bail) tot aan de Franse Revolutie, als Pastorij heeft gediend, maar wel tot rond 1684.

De vechtpartijen, dronkenschap en baldadigheden staan duidelijk vermeld in het archief te Keulen, maar zij waren zo onstichtelijk dat de navorsers en de geestelijkheid het geraad zamer achtten er geen nota van te nemen. Ingevolge de voortdurende onenigheden met de Vice-Proost, heeft men deze laatste in de XVIIIe eeuw voorgoed buiten geworpen en door een Vice-Decanus vervangen, verkozen onder de residerende Kanunnikken.

Het archief van Keulen reikt opvallend niet verder dan eind XVII en begin XVIIIe eeuw. Heeft Luik vanaf dat ogenblik, dat samenvalt met de opkomst van Pastoor (later Deken) Peeters, de bovenhand genomen en zich met de kerk van Hoegaarden gaan bemoeien? De Plebaan-Landdeken zal hierin wel zijn rol hebben gespeeld.

Deken Vandenputte overleed in 1712 en het volgend jaar volgde Peeters zijn oom als Landdeken op. Hij werkte het Vroedplan van zijn oom verder uit en werd de “promotor” van de Sweerts-dynastie die uit de Vroedplan is gegroeid.

Angstvallig bleven zij waken opdat het pastoorsambt in eigen Hoegaardse families bleef. Deken Peeters werd de geestelijke en morele vader en bezieler van het Sweertshuys, waar de basissen werden gelegd voor de latere Confrerie der V Notabele Geslachten.

Deze laatste ontstond ingevolge een bijzondere testamentaire wilsbeschikking van Deken Peeters, namelijk de fundatie van een studiebeurs ten voordele van zijn naaste verwanten, geboren uit de schoot van zijn zuster Catharina, gehuwd met Servatius Sweerts (zie Alpaidis nrs. 16 tot 18).

Deken Peeters beheerste ook onder bedekte vorm de Hoegaardse politickvoering en regelde de berekende huwelijken binnen de Geslachten (zie Familieschoon nr. 140).

Peeters verbleef eveneens in het huis “door grachten omringd” waar zijn oom Vandenputte zich had gevestigd, nadat hij het Kapittelhuys had verlaten, maar woonde terug bij de andere Kanunnikken.

Vanaf dat tijdstip werd er meer en meer gesproken van het “pastoraalhuys”, vanwaar Deken Peeters de teugels in hand en hield Deken Peeters en zijn opvolgers oenoorden niet meer tot het College der Kanunnikken, maar bleven toch hun prebenden optrekken.

De schuur van 1734

In 1703 was Antoon Sweerts, griffier der Regentie en vriend van de oud-meier Lambert Joseph de Pas, zich op de Pastoorshoeve komen vestigen. Peeters had voor hem ten goede gesproken bij en colleges de Kapittelheren.

In 1717, op voorspraak van Deken Peeters, werd diens schoonbroeder Servatius Sweerts voor het leven tot Schepen en Wethouder benoemd en als Keurheer van het Sweertshuys uitgeroepen.

En in 1734 koppelde hij (Deken Peeters) Angelina Sweerts, dochter van Griffier Antoon Sweerts uit de Pastoorshoeve, aan Servaes Sweerts (zoon van Schepen Servatius Sweerts), die zijn schoonvader als griffier opvolgde.

Antoon Sweerts had in de hoeve in 1734 een grote schuur laten bouwen ter gelegenheid van het huwelijk van zijn dochter, ten einde alle genodigden te kunnen plaatsen. In de voorgevel van deze schuur werd een steen aangebracht met het jaartal 1734, ter herinnering aan dit huwelijk. Boven een zijingang van deze schuur prijkt nog steeds een andere muursteen, met een arend uit het hoofdschild van het blazoen der familie de Pas (en niet uit Oostenrijksgezindheid, zoals velen denken), terwijl de rijkversierde koperen deursloten ook uit dezelfde periode dateren.

En steeds ging de groei van het Sweertshuys verder. In 1736 liet Deken Peeters zijn neef Henricus Sweerts (zoon van Servatius) tot Pastoor van Hoegaarden benoemen. In 1739 schreef hij zijn hogervernoemde testamentaire wilsbeschikkingen neer.

Dat was zijn laatste weldaad voor het Sweertshuys en de latere Geslachten, want hij overleed in 1741 en werd in de kerk voor het altaar van het H. Sakrament begraven.

Ruzie met het kapittel

Pastoor Henricus Sweerts volgde zijn oom Deken Peeters op. Hij werd de geestelijke vader der parochie, naar wie iedereen met eerbied opkeek en wiens woord heilig was. Dat jaar (1741) kwam ook de Confrerie der V Geslachten tot stand en hiermede was het geestelijk en politiek gezag te Hoegaarden voor meerdere generaties verzekerd. De Schepenfamilies waren nu heer en meester, maar zouden er ook de verantwoordelijkheden moeten van dragen en dat kwam hun duur te staan bij de intrede van het Nieuw-Regiem.

Ondertussen ging het leven der Kanunnikken zijn gewone gang, was niets aan verbeterd en niets aan verslecht, het proces nopens de betaling voor de heropbouw van de ingestorte kerktoren ging nog immer verder, met dat verschil dat de nieuwe Kanunnikken weigerden te betalen voor de begane fouten van hun voorgangers. Dat alles maakte de zaak nog ingewikkelder dan voorheen en rond deze warboel moest Pastoor Sweerts leven, zijn pastoraat vervullen en het Mombaarvad erschap der Geslachten verzekeren.

In 1749 brak te Hoegaarden een dorpsruzie uit omwille van het kasseien van de Molenweg. In deze ruzie speelde Pastoor Sweerts een niet geringe rol ten voordele van de Regentie, waarin al zijn naaste verwanten zetelden. En in 1754 ging hij samen met zijn broeder Griffier Servaes Sweerts, over tot de bouw van een nieuwe kerk, want de oude stond op instorten. Maar dat bracht de katten uit het Kapittel aan het dansen, want weer zouden zij geldelijk moeten tussen komen. Sweerts dreef echter zijn wil door. Hij voelt zich immers gesteund door de Regentie en de ingezetenen van het dorp.

De Kanunnikken spanden een nieuw proces in tegen de Gemeente want zij vonden de prijs voor de bouw van de nieuwe kerk veel te hoog. Alleen Kanunnik Louvreux wilde zijn deel bijdragen, de anderen niet. En bovendien was het proces van de ingestorte toren nog niet beslecht, toren die bijna 150 jaar geleden instortte en nog steeds niet was hersteld. Dat alles maakte Pastoor Sweerts razend, maar rond 1756 kwam het toch tot een regeling. Het Kapittel zou tussen de hoge kosten komen door afhoudingen op hun jaarlijkse prebenden, maar de nieuw toegekomene Kapittelheren gingen hiermede niet akkoord en het proces zou nog lange jaren duren, namelijk tot in 1853, toen het Kapittel reeds meer dan een halve eeuw was afgeschaft,

Rond het tijdstip dat de nieuwe kerk werd gebouwd, werden ook het Kapittelhuys en de Pastoor shoeve gerestaureerd, die vanaf toen hun huidige vormen aannamen. Volgens sommige beweringen zou de restauratie van de Pastoorshoeve gebeurd zijn tijdens de opbouw van de grote schuur in 1734, maar volgens anderen zou alles samen geschiedt zijn met de overgebleven materialen van de nieuwe kerk.

De nieuwe kerk, waarvan Sweerts de eerste steen had gelegd in 1754, werd officieel ingehuldigd op 8 sept. 1759 door de hulpbisschop van Luik. Pastoor Sweerts hield de feestpreek.

De afgunst tegen Sweerts vanwege de Kanunnikken verhoogde met de dag. Zij verweten hem al de kapittelgelden te hebben aangewend voor de bouw van een te grote, te dure en te luxueuse kerk, uitsluitend om in de ogen van de Regentie en de ganse gemeente “de man” te zijn.

Maar in feite was Pastoor Sweerts “de man” die te Hoegaarden zijn woord van spreken had. Hij was niet alleen de dorpspastoor, maar ook Mombaarvader der V Geslachten die alle teugels in handen hielden. Bovendien beinvloedde hij alle gildeleven bij de Schepenfamilies en regelde er de huwelijken van zijn neven en nichten. En ten slotte was hij ook Proost van het Genootschap der XII Apostelen, waar hij samen met de Regentie de jaarlijkse ommegang der Palmzondagprocessie regelde, zonder te spreken van de Brouwersgilde, waar hij eveneens inspraak had

Pastoor Sweerts beriep zich met fierheid, de bloedneef te zijn van de grote Landdeken Peeters, de kleinneef van Plebaan-Deken Vanden putte en de achterkleinneef van de Kanunnik-Deken Houwen.

Hij was tevens de broeder van de griffier Servaes Sweerts uit de Regentie en van de rekenplichtige uit de Dorpsraad Hubertus Sweerts. En uiteindelijk was hij de zoon van Schepen en Meester-Brouwer Servatius Sweerts.

Hij hield het kerkarchief bij, het register der testamenten, de jaargetijden, huwelijkscontracten en schenkingen, evenals het fundatieboek der Geslachten (begevingsrecht der familiale studiebeurzen) de parochieregisters (dopen, huwelijken en begrafenissen), zijn persoonlijke notabundel, het Sweerts-cartularium en diverse bescheiden uit het Kapittelarchief.

Niet verwonderlijk dat hij “de man” was, die grote invloed uitoefende in het dorp.

In 1766 kwam Antoon Balthazar Sweerts (zoon van Servaes en neef van Pastoor Sweerts), op de Pastoorshoeve wonen en volgde zijn vader op als griffier in de Regentie. Wegens geldmoeilijkheden, om het hoofd te kunnen bieden aan de heropbouw van de kerk en de restauratie van het Kapittelhuys, had het Kapittel de Pastoorshoeve aan Ant. Balth. Sweerts verkocht, zodat de hoeve niet langer tot het Kapittel behoorde. Volgens familieverhalen zou deze hoeve reeds vroeger, ten tijde van Deken Peeters, gehypothekeerd zijn geweest. Maar hoe het ook zij, Pastoor Sweerts zal er wel zijn rol hebben gespeeld.

De nieuwe eigenaar van de Pastoor shoeve was gehuwd met Lucie Schepers (zuster van de latere Meier) en hertrouwde in 1792 met Dorothea Van Nerum (dochter van Notaris Schepen Joannes Van Nerum). Hij was de laatste adelaar uit het Oud Regiem [10].

Pastoor Sweerts had nu nog enkele betrachtingen, namelijk tot Deken te worden verkozen. Dit gelukte hem na door zijn collegas eenparig te zijn verkozen en werd in 1771 plechtig door het Luiks gezag, tot Deken van het Hoegaards Concilie benoemd. De personen die hem eenparig tot deze hogere geestelijke funktie hadden verheven, waren de pastoors uit Attenhoven, Bevekom, Berbroek, Boyenhoven, Donck, Halle, Nieuwerkerken, Overlaar, Tourinnes en Wilre, allen tot het Concilie van Hoegaarden behorend.

Het “huis met grachten omringd” waar Sweerts na de dood van Deken Peeters zijn intrek had genomen, was bouwvallig en onbewoonbaar geworden. Wegens de gerezen geschillen tussen het Kapittel en de gemeente, weigerden de Kanunnikken het huis te laten herstellen. Als dan ging Deken Sweerts zich rond 1771/75 vestigen bij zijn zuster Barbara (weduwe van Schepen en Meester Brouwer Carolus Van Nerum), wonende in haar huis op de Molenweg (de huidige Pastorij).
Barbara stierf echter in 1778 en werd in de crypte van de kerk begraven, doch de erfgenamen lieten hun oom in het ouderlijk huis wonen.

In 1779 diende Sweerts echter zijn ontslag in en stond zijn plaats af aan zijn neef Joannes Hubertus Sweerts (zoon van zijn broeder Hubertus), die in 1786 ook tot Deken van het Concilie opklom. Deze kwam bij zijn oom inwonen. De oude Deken Sweerts overleed in 1785 en werd in de crypte van de kerk bijgelegd. Toen traden de erfgenamen Van Nerum uit de onverdeeldheid.

Vanaf dit ogenblik trad het huis op de Molenweg in de geschiedenis, maar over deze woonst, die nochtans later de Pastorij van Hoegaarden zou worden, is, niet veel geweten (een bundel familiedokumenten lopende over de jaren 1785 tot 1800 blijft onvindbaar).

Het huis werd gebouwd door Carolus Van Nerum in 1747 op een gedeelte van de Cruysblock, eigendom van zijn schoonbroeder griffier Servaes Sweerts, waardoor de woonst door de erfgenamen Sweerts gehypothekeerd bleef ter waarde van de grond.

Na 1785 werd het huis bewoond door Deken Joannes Hubertus Sweerts die aan het hoofd stond van het Hoegaards Concilie. Dit Concilie was toen samengesteld uit de parochies Overlaar onder Pastoor Henri Van Autgaerden, Attenhoven onder Pastoor Melotte, Bevekom onder Houbar, Tourinnes onder Matagne, Halle onder Goessens, Boy enhoven onder Herfstens, Berbroeck onder Groeven, Donck onder Stalmans, Niewerkerken onder Bouwens en Wilre onder Lenaerts.

Deken Sweerts had ook verschillende beneficiën voor de St. Gorgoniuskerk bekomen, zoals dit voor het altaar van St. Sylvester geschonken door Recheur, voor het altaar van St. Nicolaes door Houbar, Sint Geneveva door Janssens, Sint Anna door Billen en Sint Martinus door Kenor (of Kinar).

Rond 1786, stond het Kapittel van Hoegaarden en Hoksem onder het gezag van de Proost Mgr. Antoine Ignace, Prinsbisschop van Ratisborne, Prins en Proost van Evelange, Graaf van Kirchberg enz… en tegelijkertijd scholaster van de Moederkerk van Keulen..

Hij werd bijgestaan door de Vice-Deken Herman Van Leeuwen (sinds 1767) die te Hoegaarden in het Kapittelhuys verbleef, in 1789 overleed en in de kerkcrypte begraven werd. De andere Kapittelheren uit die tijd waren Fontenelly (sinds 1743), Jan Gabriel Cremers (1759), Urbain Stauber (1761), Konrad Tritsmans (1771), Antoine Joseph Durbuto (1771), Gilles Arnold Sluis (1772), Gerard Guillaume Fourneaux (1772); Dotremont, scholaster (sinds 1779), Jacques Antoine (1781) en Festraerts (1782).

Deken Sweerts had de verstandhouding met het Kapittel gedeeltelijk hersteld en was bijzonder goed bevriend met Kanunnik Durbuto. Evenals de Dekens Peeters en Henricus Sweerts bleef hij zijn prebende opstrijken zonder Kanunnik te zijn.

Verdere lotsbestemming van het Kapittelhuys en Arendsnest

In 1789 waren te Hoegaarden de revolutionaire onlusten uitgebroken, die aanleiding gaven tot de ontroning van de oude Regentie, waarin Antoon Balthazar Sweerts uit de voormalige Pastoorshoeve, griffier was. Bij de komst der Fransen werd hij zelfs in zijn eigen woning onder voorlopig arrest geplaatst, omdat hij weigerde het gemeentearchief aan de nieuwe bewindsploeg af te staan  [11] .

Een samenzwering (conspiratie) ontstond, waarvan Deken Joannes Hubertus Sweerts, die geweigerd had de eed van trouw aan de Franse Republiek af te leggen en ondergedoken leefde, de ziel was.

Tot deze Conspiratie behoorde ook Kanunnik Durbuto. Het Kapittelhuys en de Pastoorshoeve, ondanks deze laatste niet meer tot een geestelijke instelling behoorde, werden onder bewaking gesteld en in 1795 grepen er zelfs huiszoekingen plaats.

Het Kapittel werd bij Frans dekreet afgeschaft, maar er is geen enkel bewijs voorhanden om te beweren dat het huis als zwart goed” verkocht werd, ofschoon zulks gans waarschijnlijk blijkt. In geheime bergplaatsen van beide gebouwen werden dokumenten verborgen, waarvan een gedeelte later in het bezit kwam van de V Geslachten.

Zwart goed of niet, het Kapittelhuys kwam in elk geval in handen van Jean Baptist Dumont (gehuwd met Madeleine Ruttens), terwijl Ant. Balth. Sweerts de eigenaar bleef van het Arendsnest (benaming vanaf toen gegeven aan de oude Pastoorshoeve, omdat de laatste adelaar van het Oud Regiem en woonde).

In 1808 stierf de “Laatste Adelaar en zijn weduwe Dorothea Van Nerum kwam in het bezit van de hoeve (alles aan de langstlevende) Zij hertrouwde met Joseph Philippe De Zangré, later Burgemeester van Hoegaarden. In 1813 na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig werd voor haar huis op de Houtmarkt een vreugdesvuur ontstoken. Dorothea Van Nerum overleed in 1814 en werd in de crypte van de kerk begraven. Het Arendsnest ging over op haar tweede echtgenoot Burgemeester De Zangré, die er als weduwnaar bleef wonen tot aan zijn dood in 1849.

Als dan kwam de hoeve in handen van Marie Catherine De Zangré (weduwe van Jacques Philippe Coquilhat), vooreerst gevestigd te Aken, dan te Tienen en vervolgens in Luik, waar zij als rentenierster stond ingeschreven. Zij was een nauwe verwante van oud burgemeester De Zangré, maar schijnt nooit te Hoegaarden te hebben verbleven, zodat zij de hoeve wel zal verhuurd hebben, doch de huurder is niet bekend.

Op 7 februari 1850 verkocht zij echter het historisch geworden Arendsnest, groot 1 Ha. 44 a. 50 ca., ter studie van Not, Philippe Janssens te Tienen, aan Weduwe Jean Bapt. Dumont, de jonge, (Jean Baptist Dumont was burgemeester van Hoegaarden van 1831 tot 1836), geboren Maria Magdalena Ruttens. Deze was de schoondochter van weduwe Jean Baptist Dumont, de oude, die rond 1800 het Kapittelhuys had verworven en dat na haar dood in 1801 op haar zoon was overgegaan.
Hierdoor kwamen de twee eigendommen terug samen onder één en dezelfde persoon, zoals ten tijde van het Kapittel.

Op 20 maart 1854 greep ter studie van Not. Martinquet te Tienen de laatste afbetaling op deze verkoop plaats, hetzij de resterende som van 21.500 fr.

Doch de hoeve bleef, wegens onbekende reden, niet lang in haar bezit, want in 1860 stond zij reeds op naam van Henri Joseph Van Dormael uit Beausart (zoon van Grégoire Van Dormael), die er rond 1870 Liévin Hagondoron (gehuwd met Florence Lodewijckx) als huurder had.

Op 16 oktober 1883 verkocht weduwe Van Dormael (geboren Stephanie Eugenie Lebrun) en haar kinderen, de hoeve aan Clement Dumont, gehuwd met Eliza Rosseeuw.

Deze Clement Dumont had in 1882 ook na de dood van zijn moeder Magdalena Ruttens, bij erfenis van zijn vader, het oude Kapittelhuys bekomen, zodat alles weer verenigd werd. Hij maakte een prachtig park ca liet het gebouw rijk en weelderig inrichten.

Van Hagendoren bleef ondertussen als huurder op het Arendsnest wonen tot in 1902 na het overlijden van zijn vrouw, Florence Lodewijckx. Op 3 maart 1903 werd Urbain Massa als nieuwe huurder aanvaard.

Op 3 maart 1903 werd Urbain Massa als nieuwe huurder aanvaard.

Clement Dumont had in 1883 ook van de weduwe Van Dormael een huis gekocht met hof en boomgaard, gelegen in de Walenstraat, dat in huur gehouden werd door veearts Michotte (huidige woning van veearts Dekeyzer).

Clement Dumont kende de geschiedenis van beide huizen en had er alles op gezet ze terug onder dezelfde eigenaar te verenigen. Hij stierf op 19 mei 1909 (Clement Dumont werd in de familiekelder Dumont op het oud kerkhorf rond de kerk bijgelegd.

Het is het enige graf dat bewaard bleef en onder Burgemeester Kerrijn als mausoleum werd gerestaureerd), en na de dood van zijn echtgenote Eliza Rosseeuw, ging het voormalig Kapittelhuys en de hoove over op hun dochter Dymphna Sylvie Maria Magdalena Dumont, die in 1911 in het huwelijk trad met Albert Charles Bail, Vrederechter te Brussel (zoon van Celestin Joseph Bail, Advokaat te Brussel en van Marie Thérèse Rosseeuw

Later gingen de beide eigendommen bij erfenis over op hun zoon Paul Bail, geboren te Vorst (Brussel) in 1917. (zie plan hierbij)

Kapittelhuys Verzekeringspolis 1910

Massa bleef de hoeve in huur houden tot in 1948, toen Kamiel Smolders hem opvolgde en na hem in 1975 op zijn zoon Max.

Paul Bail was langs de familie Dumont verwant met Julien Van Nerum uit het Nieuwhuys. Ondanks hun verwantschap “à la façon de Bretagne” noemden zij elkaar “kozijn” en vaak bracht Van Nerum een bezoek aan het oud Kapittelhuys, waar ook de ligging van de onderaardse gang, de weelderige vertrekken en het prachtig park werden bewonderd.

Later bij de heropleving van de gilden uit de V Goslachten en de openstelling van het Nieuwhuys-museum, schonk Bail aan Hubert Van Nerum (zoon van Julien), Voorzitter van het museum en Griffier der Geslachten, verschillende dokumenten, die via geheime bergplaatsen van het Arendsnest en het Kapittelhuys zijn bewaard gebleven.

Hiertussen bevonden zich onder meer de

  • dokumenten van het voormalig Kapittel
  • benoemingsakten der Sweertsen tot Schepen en Griffier
  • verkoopakten van de historische huizen op de Houtmarkt.
  • enz..

In 1980 werkte het Nieuwhuys-museum, in gemeen akkoord met Paul Bail, het plan uit, om aan het weelderig park de officiële benaming “Kapittelhof” te geven, gepaard met een kleine plechtigheid binnen de muren van het huis, waarin zich zoveel geschiedenis heeft afgespeeld. (de briefwisseling hieromtrent bleef bewaard).

Helaas, op 15 augustus 1980, juist 1000 jaar na de stichting van het Kapittel door Gravin Alpaidis, werd Paul Bail, de rijkste man van Hoegaarden, rentenier en groot weldoener van het dorp, in zijn woning vermoord. Lag er een vloek op het Kapittelhuys of …. ?

De gemeente Hoegaarden schafte zich het kapittelhuys met park en hoeve (Arendsnest) aan.

Zo bleef het geheel van vernieling gespaard. De Vlaamse toontuinen zorgde voor het onderhoud van de prachtige toontuinen.

Afbeeldingen

Sint Gorgoniuskerk potlood front
Kapittelhuys en Arendsnest

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed 

Print Friendly, PDF & Email