Ga naar de inhoud

De Schuttersgildes te Hoegaarden

Alhoewel er, in de 19e als in de 20ste eeuw, er heel wat over de schuttersgilden werd geschreven, toch bleef het onderwerp in de officiele geschiedschrijving onverdiend verwaarloosd.

De rol die de schuttersgilden in de geschiedenis van onze geweste op sociaal-ekonomisch en kultureel gebied hebben gespeeld is nochtans niet te onderschatten. In de eerste plaats deze die ontstonden in de gemeenten – de latere steden – als later on het platteland; de rurale gilden.

Schuttersgilden komen reeds voor tegen het einde van de I3e eeuw en dan vooral in het Graafschap Vlaanderen en in Artois, echter zeer spoedig gevolgd door het Hertogdom Brabant.

De schuttersgilden zullen de “scuterrere” opvolgen; de gewapende mannen die de gemeenschap moesten”(be) schutten” ttz. het vee dat op de geineenschappelijke weidegronden graast bevaken, de wegen die naar de gemeente leiden bewaken en waarschuwen voor naderende benden of vijandelijke eenheden. [1]

De schuttersgilden zullen deze taken overnemen en terecht zal men ze dus eerder “schutsgilden” dan schuttersgilden noemen, daar het schieten slechts het middel, of één der middelen, zal zijn waarmede de gilden hun taak van beschutters zullen uitoefenen.

Te Brussel zal en hen “erfschutters” noemen en het is in deze benaming zeer deuidelijk dat ze “schutten” zijn die het “erf” moeten beschermen [2]

De gemeentelijke schuttersgilden zullen meestal bewapend zijn met voetbogen; het te dien tijde meest geduchte wapen.

Deze gilden zullen gevormd worden door vrije burgers (poorters) die ook financieel welstellend waren want de aanschaffing van een voetboog was zeer kostelijk, dit gezien de omslachtige en langdurende aanmaak van zulk een wapen en de vereiste hoge stielvaardigheid van de bogenmaker.

Deze betere stand, tingieters, handelaars, kooplui e.d.waren meestal ook eigenaars van huizen en werkplaatsen en hadden er dus alle belang bij medezeggingsschap te hebben in eventuele krijgsverrichtingen en dit niet alleenlijk overte laten aan soldaten (soldeniers) of ainbachtsgilden. Daarenboven kan alleen deze klasse zich de weelde veroorloven tijd vrij te inaken om zich met de wapens te oefenen.

Het afbranden van bepaalde wijken werd zeer dikwijls als krijgstaktiek toegepast. Deze begoede poorters bekomen dan ook van de gemeentelijke overheid en van de landheer een “Caert” zijnde een statuut (op perkament geschreven “charte”  [3] waarin wederzijdse rechten en plichten vermeld staan.

Al deze “caerten” behelzen ongeveer dezelfde voorwaarden :

  1. De plichten van de gildebroeders zijn te herleiden tot :
    – het afleggen van de eed van trouw aan de Magistraat der gemeente en/of de Prins (Graaf, Hertog of dgl.)
    – de plicht om regelmatig met de wapens te oefenen
    – de gehoorzaamheid aan de Hoofdman, Dekens en Overheid der gilde.
    – bij “alarm”, aanval op de gemeente, brand of oproer, gewapend aan te treden onder het bevel van de Hoofdman.
  2. De Magistraat en/of de Landsoverheid verbindt er zich toe:
    – een oefenterrein ter beschikking van de gilde te stellen.
    – een kledij (jaarlijks ) te bezorgen of te bekostigen.
    – betaling van soldij ingeval van wachtdienst e.d.
    – vrijstelling van vervolging bij ongevallen op het schietveld (de doelen)
    – vergoeding te betalen voor diensten gepresteerd in krijgsdienst.

Bij de slotformule wordt, in de geest van de tijd, meestal om de bijstand van de beschermheilige gebeden om deze eed gestand te blijven.

Zeer belangrijk is het hierbij op te merken dat voor het eerst in de geschiedenis de gewone burger (poorter) het rech verkrijgt een schietwapen te bezitten en zich hiermede te oefenen. Dit merkwaardig feit past bij de sociale ont voogding die zich in de tweede helft van de 13e eeuw ingezet heeft.

De oudst gekende “Caerten” of soms schepenbrieven dateren uit deze periode.

Afbeelding 2. Optocht van het St.-Jorisgilde. Vaar de muurschilderingen van St.-Jans- en St.-Pauwels hospitaal 14de eeuw. Reconstructierekening op litho : A. Heins – S.A.G. A.G. L.9 – Foto : S.A.G. Uit:De Geschiedenis van het Aloude St.Jorisgild te Gent.

Afbeelding 6. “Schiectspele binnen Ghendt in Vlaenderen” in de 15de eeuw. Aldruk houtsnede: Verzameling Piet Janssens, Kessel.

De gilden zullen steeds aan een beperking gebonden zijn in het aantal van hun gildebroeders. Inderdaad, een te groot aantal zou wel eens een gevaar kunnen opleveren voor de overheid.

Na de voetbooggilden vormen zich ook de handbooggilden. De verklaring hiervoor wordt gezocht in het feit dat, een handboog veel eenvoudiger zijnde van makelij, dus veel goedkoper, aangeschaft werd door de “poorters” die niet zo welstellend waren om zich een voetboog aan te schaffen, doch zich steunend op het voorbeeld der voetboog gilden, eveneens voorrechten eisen.

In de gemeentelijke krijgsmacht zullen de schuttersgilden, waarbij zich na de kolveniers in de tweede helft van de I5e eeuw ook de schermers – geen schutters doch wel schutten – gaan voegen, de enigen zijn , die schiettuigen mogen gebruiken in tegenstelling dus met de ambachtsgilden die alleen steekwapens mogen gebruiken en deze dienen- in te leveren bij het einde van de gevechten.

Oorspronkelijk zullen deze schutsgilden diverse taken vervullen :

  • Militair : de gemeente verdedigen bij aanval.
  • Politionnel: de scout bijstaan bij ordehandhaving.
  • Wachtdiensten verrichten op:wallen, belfort, poorten en markten.
  • Een vriendelijk sociaal milieu bieden aan de gilde broeders en hun familie.
  • Een religieuze funktie door het bieden van een geschikte omlijsting ter beleving van hun religie, door het bouwen van eigen kerken, altaren of kapellen.
  • Ze hadden een niet te onderschtten culturele funktie door het bouwen van gildecamers, hun lokalen, die uitzonderlijk groot en mooi waren om aan de prestige van de gildan bij te dragen vooral dan in de 15e eeuw.

Op het einde van de 16e eeuw verliezen de schuttersgilden door het wegvallen van belangrijke taken, zoals militaire en politionele. Ook de wachtdiensten worden stilaan over genomen door bezoldigde dienaars van de gemeente.

Het is in de loop van de tweede helft der I6e eeuw dat we vele rurale gilden zien ontstaan. Gilden die veelal ten dienste staan van de plaatselijke adel. Ze worden ingericht volledig naar het model van hun stedelijke voorgangers.

Vanzelfsprekend zullen de militaire en politieke taken van geen belang meer zijn, doch ze zullen des te meer belang hebben bij het opluisteren van de plaatselijke feesten, de erehaag vormen en saluutschoten lossen, steeds aan de processies deelnemen, teerfeesten inrichten enz…

Te Hoegaarden zal men de algemene trend volgen. Er wordt een kruisbooggilde ingericht, gevolgd door een handbooggilde met de traditionele St. Sebastiaan als beschermheilige en dan nog een St. Ambrosiusgilde die de plaatselijke imkers (bijenhouders) groepeert.

Met de Franse Revolutie worden alle instellingen van het “Ancien Régime” afgeschaft en dus ook de schuttersgilden. Hun goederen worden verbeurd verklaard. Rurale gilden kunnen er zeer dikwijls aan ontsnappen door de geslotenheid van hun gemeenschap en de weinige volgelingen die de nieuwe ideeën er vonden.

Wat er aan gilde bezittingen overblijft, zowel van de stedelijke als van de rurale gilden, getuigt van een opmerkelijke goede smaak en van een sterke wil om zich te doen gelden. Deze getuigenissen die nog tot ons gekomen zijn behoren nog steeds tot het waardevolste patrimonium van onze gemeenschap.

De schuttersgilden van dorpen die voor 1500 werden ingericht zijn uiterst zeldzaam.

Het is ook van belang te mogen vaststellen dat overal op de tornooien schutterijen verschenen die zich oefenden in de “const der retoriken” en ” esbattementen” opvoerden. 

Dit wijst erop dat er tussen een schutterij en een kamer van rhetorika tijdens de Middeleeuwen een grote verwant schap bestond.
[4]

Op vele plaatsen legden de gilden zich niet zo maar neer bij het afschaffinsdekreet van 1796. Reeds begin 19e eeuw onder Napoleon, vragen leden van oude gilden de toestemming om terug te mogen vergaderen en een ” société d’aggément” te mogen vormen. Rond het midden van de I9e eeuw ontstaan er zeer vele van deze schietverenigingen. Ze zijn de af stammelingen van de oude schuttersgilden. Velen echter zijn zich dit niet meer bewust. 

Thans echter, in de loop der laatste decenia, stelt men vast dat weer waarde gehecht wordt aan die oude afstamming en op vele plaatsen worden de oude tradities, in zoverre nog bruikbaar, in de hedendaagse sociale kontekst, in ere hersteld.

Vele “gilden” worden hierin geholpen door hun “Federatie” of door de “Conventie”. (zie verder: Cursus “Gildebegeleider”).

Deze herwaardering gebeurde niet alleen in onze streken doch is een algemeen verschijnsel in West-Europa. Het gevolg hiervan was de stichting van de “Europese Ge meenschap der Schuttersgilden” in 1971 te Antwerpen.

Het gildewezen heeft wind in de zeilen !

Marc de Schrijver Secret.
Generaal van de Conventie der Schuttersgilden.

Kruisbooggilde St. Maarten te Hoegaarden

Het is zeer ongewoon voor een kruisbooggilde om St. Maarten als beschermheilige te hebben. Deze wordt meestal door de kolveniersgilden [5], vereerd en dit zowel in Nederlands als Belgisch Limburg.

Het was Ferdinand van Beirenen, 1612 tot 1650, die op 28 november 1617 de “Caert” met de statuten aan de Hoegaardse gilde van de kruisboog verleende, met als beschermheilige St. Maarten.

Deze statuten werden hernieuwd en bekrachtigd door de Frins Bisschop Vilbruck op 21 oktober 1769.De Overheid bestond uit een Koning en een Kapitein, een Deken en twee gezworenen.De Deken en de twee gezworenen werden jaarlijks verkozen en moesten, bij het einde van hun dienstjaar rekenschap afleggen van hun beheer.

Dit gebeurde na het jaarlijks schietfeest.

Er was een “Knaep” in dienst van de gilde die men ook “sergeant” noemde en die beëedigd was.
Zijn verklaringen hadden kracht van wet en wij kunnen daaruit afleiden dat hij ook instond voor de goede orde op de schiet stand en in de gilde in het algemeen.

Desbetreffend waren de reglementen niet zacht.

  • Zo werd het vloeken o.a. gestraft met een bedevaart naar Hal of het neertellen van een boete van een gulden en 5 stuivers. (zie Wauters, Arr. Louvain, c.Tirlemont 35)
  • De uitdagingen, de slagen, een messteek werd gestraft met een bedevaart naar St. Jan te Luik of een boete van een Gulden vijf stuivers.
  • Bij verwonding van een derde werden, naargelang de ernst van de wonde gestraft met een bedevaart naar 0.LV. ter Aken of naar St. Pieter te Keulen. Ook dit kon afgekocht worden door het betalen van een boete van twee of vier gulden.

De traditie om zich in gildeverband alle zondagen in het kruis boogschieten te oefenen werd stipt in ere gehouden en de afwezigheid werd beboet met 3,5 of 7 stuivers.
Tijdens deze vergaderingen was het toegelaten telkens een halve maat tarwe, zes pond vlees en een kaas van zes stuivers te verbruiken.

Ook te Hoegaarden schijnt de kruisbooggilde de rijkste en de meest vooraanstaande te zijn geweest. In ieder geval waren hun bezittingen niet onaanzienlijk, het bestond uit een grond van 75 roeden palende oost de losweg van de beek naar de kerk, zuid M. Stottmans, west Jacob Troost en noord Antoon Jozef Collart. Dit goed werd door de Republiek op 5 april 1799 openbaar ver kocht aan citoyen Evrard Hubert Putzeys van Hoegaarden voor 90 fr. [6]

De St. Sebastiaansgilde

Alhoewel er geen tastbare bewijzen van bestaan, kan men redelijk aannemen dat de zandboosgilde reeds rond 1550 bestond.

De statuten der “Broederschap vander Groote Gulde vanden edelen hantboghe” werden in I698 vernieuwd en goedgekeurd door Maximiliaan Henri, Prinsbisschop van Luik. [7]

Uit het dokument verleend door de Prins-Bisschop lichten wij een paragraaf waaruit wel blijkt dat de gilde reeds vele jaren bestond :

“alsoo het kennelijck is aende autste [8] gebruederen deser caemere ende bruederschap die henne voersaeten saligher hebben hoeren segghen dat Joncker Guilliaum Fontigny, wijlen vaeder van joncker A. Fontigny, teghe woordighen hooftman. Here van Schoer, henne directeur is geweest, gelijck oock ghetoent wordt dat henne voerouders van over 100 ende meer jaeren, altijt sijn geweest”

Hieruit blijkt ook dathet steeds de Heren van Schoor geweest zijn die de erfelijke Hoofdmannen van de Gilde waren, Men krijgt hierdoor het vermoeden dat deze schuttersgilde ontstaan is als lijf- of burgerwacht van de plaatselijke kasteelheer(1)

De Heren van Schoor stamden uit een zeer oude adellijke familie van “ridders”, edele krijgslieden. Deze ridders moesten bij oproep ter” Heivaart” door hun leenheer, aantreden en ontrekken met eigen krijgsvolk. Ook de verdediging van het eigen erf werd door dit krijgsvolk verzekerd. Bij het opkomen van de georganiseerde legers verliezen dezen hun militair nut en worden eerder als paradawacht verder gebruikt.

Ze zullen alle gemeentelijke feesten en processies opluisteren.  Ze bleven echter in dienst van de Heer en oefenden zich verde in de kunst van de “edelen bentboghe”.

(1)
De familie “de Scora” werd voortgezet door de familie “de Beeclaman de Schore”. Deze heren zijn tot op het einde der 18e eeuw de hoofdmannen der Gilde zoals blijkt uit “Lettre de Mr Sweerts à son maitre Beeckman de Schore …..

Monsieur le Capitaine,

Come notre confrérie honoro le 20 de ce mois la fête de le glorieux martyr St. Sébastien, c’est à cette fête que j’ai l’honneur et le plaisir de vous inviter et prier au nom de notre Confrérie de la vouloir honorer de votre présence.

Votre très humble serviteur,
A.SVEERTS,
greffier de la franchise de H. et lieutenant capitaine de la Confrérie.

Deze funktie Lieutenant-kapitein werd in de tweede lielft van de 18e eeuw bekleed door Antoon Balthasar Sweerts, griffier van Hoegaarden, zoon van de vorige sekretaris Servaes Sweerts en bijgevolg neef van Charles van Nerum en Barbe Sweerts. Hij huwde eel eerste mas!!et Lucie Schepers, zuster van de Meier Schepers en nadien in 1792 met zijn kleinnicht Dorotlhée Van Nerum [9],  kleindochter van Charles en Barbe en zuster van Burgemeester Henri Van Nerum.

Zoals nagenoeg alle handbooggilden is de beschermheilige te Hoegaarden ook St. Sebastiaan (zie verder)

Kregen de handbooggilden hun bestaansrecht door een “Caert” verleend door de Heer, of in gemeenten en steden door de Burgemeester(s) en Schepenen, ze dienden daarenboven erkend te worden door de Hoofdgilde van Leuven die ben dan ook een “Caert” verleende.

In de archieven va de Leuvense Hoofdgilde staat vermeld:
“Gejondt eene pampiere Caert aende Gulde bij Hoegaarden tot Autgaerde – 23 Sbris 1729”.
[10]

Deze “Caerten” belielzer dan eerder de reglementen en de organisatie van de gilde. Ook voor het inrichten van schietspelen diende de toestemming van de Hofdgilde van Leuven gevraagd.

Inzake organisatie en overheid vertoonde de gilde van Hoegaarden dezelfde struktuur als algemeen voorkomend bij dergelijke Brabantse gilden.

De Hoofdman; traditioneel en erfelijk de Heer va: Schoor. Uit de leden die “gildebroeders” of “gebroeders” zijn werd in algemene vergadering jaarlijks een “Deken” en twee “gezworenen” gekozen, die het hoofdbesuur vormden.

Belangrijke funkties ware:i eveneens de “Luitenant Alsveris” [11], de knaepe” die griffier [12] was en ook diverse taken lad te vervullen. Bij overlijden van een gildebroeder moest “de knaep” het bericht aan de gildebroeders laten geworden, hij moest de doelen onderhouden, was dikwijls tamboer en kreeg allerlei taken toegewezen. llet schijnen vaste funkties te zijn geweest. Werd de “Knaep” bezoldigd, de funktie van “Alveris” werd zeer dikwijls verracht. Het was een eeretaak.

De verkiezing van de Deken en de twee gezworen had jaarlijks plaats on St. Sebastiaansdag 20 januari)

Die verkiezing was geheim en met moest zijn “voise stille kens aende knaene oft secretaris” mededele. Men moet er rekening mee houden dat de meesten te dien tijde noch ! ezen noch schrijven konden .

Eens per jaar moest elke broeder, en dit om beurt, een “provinghe” [13] aan hun gildebroeders aanbieden. Deze “provinghe bestond uit een molevat terf, 9 pond vlees enz.. 

De proefheer moest zijn huisvrouw meebrengen (wellicht om het eten te bereiden) Had hij geen huisvrouw dan mocht hij evenwel in de plaats een “kitte aft kruyck biers verlenen”

Op zulks een “provinghe dag” moest iedere gildebroeder aanwezig zijn, op straffe van boete.

De gildebroeders waren zeer begaan met hun heil in het hiernamaals. Zo één der gildebroeders kwam te overlijden dan bracht “de knaep” de droeve mare rond en riep hen allen op om de begrafenis bij te wonen, voor hem te bidden en ten offer te gaan. Niet nakoming van deze verplichting werd beboet met één pond was. De broeder rekende tool op zijn medebroeders om hem met hun gebeden de weg naar de hemel te effenen.

Zoals iedere gilde kende ook de St. Sebastiaansgilde van Hoegaarden haar teerfeest jaarlijks en was dit dan tot in de puntjes verzorgd. Waar verbroedert men beter da ! rond een welgevulde tafel ?

Zoals van alle gilden werden de goederen aangeslagien bij de ontbinding der gilden in 1796.

De afbeelding van hun rijk versierd via del echter bleef via liet geslac!it Loivet bewaard, nadat het oor spronkelijk banier in het bezit gekomen was van de leer WAhanges [14] 

Beschrijving van het vaandel: 

“Een centaur (paardmens) gewapend met pijl en handboog, in de voorpoten een wapenschild houdend zonder kleuren. “

Wellicht is dit het wapenschild van de Heren van Schoor. 

De St. Ambrosiusgilde

(Neere)

De gilde die Sint Ambrosius als beschermheilige had, was een vereniging van imkers bijenhouders-, eigenaars van “biestokken”. De oudste St. Ambrosiusgilden dateren reeds  van het begin der 16e Eeuw. Te Mechelen trouwens schonk de magistraat op 7 januari 1511 een “Caert” of reglement aan enkele poorters en ingezetenen, imkers, die een gilde wensten te vormen.

Deze bijengilden bekwamen het voorrecht dat alleen hun gildebroeders bijen mochten houden.

De St. Ambrosiusgilden kenden een grote bloei in de 2e helft van de 17e.E., met een hoogtepunt in de 18e.E. De later ontstane bijengilden zullen vervreemden van het gildeleven en zich nog uitsluitend met de bijenteelt bezig houden.

Economisch was de bijenteelt in die jaren van groot belang aangezien men hierdoor niet alleen een degelijk en gezond voedingsprodukt, doch ook de nodige was voor de waskaarten van de eredienst bekwam.

Alle St. Ambrosius gilden organiseerden zich naar het model der schuttersgilden. Aan de gildebroeders werden dus eveneens sociale en godsdienstige plichten opgelegd.

De meeste bijengilden beoefend en ook het schieten met de boog of met de buks. Te Hoegaarden (Neerem) echter met de handboog.

Aangezien alle “Caerten” van schuttersgilden en dus ook van de bijengilden eenzelfde stramien vertonen, mag men geredelijk aannemen dat ook deze van Hoegaarden gelijk luidend geweest is. De nieuwkomer moest zijn “intredegeld” betalen  door het schenken van een bijenkorf aan de gilde.  Deze werd, samen met de andere korven van gilde op een vaste datum verpacht. Bij het verlaten van de gilde door verhuis of afsterven, bleef de korf eigendom der gilde.

Op 7 december werd de feestdag van de beschermheilige gevierd met een mis die door alle confreers diende bijgewoond te worden. ‘s Anderendaags werd dan een mis relezen voor de overleden gildebroeders. Op het niet bijwonen van deze plechtigheden stonden boetes.

Zoals bij alle schuttersgilden werd de overleden confreer door zijn gildebroeders in en uit de kerk gedragen.

Een reglement voorzag in het verpachten van “bievaten.

De verkiezing van de Overheid gebeurde volgens de algemene regels geldend bij de schuttersgilden.

Aangezien van de St. Ambrosiusgilde de gildebreuk nog bestaat, staat het vast dat jaarlijks (?) een koning geschoten werd. Ook dit gebruik werd van de schuttersgilden overgenomen.

Men zal wel kun en aannemen dat het gebruik van een wanen, buks, kruisboor of handboog soms te pas kwam on bepaalde annspraken op geschikte plaatsen voor de bijenteelt te doen gelden tegenover vreemde bijentelers en deze uit te drijven.

Wellicht had ook deze imkergilde een heiligenbeeld dat zich dan wel in de parochiekerk, waar jaarlijkse missen werden opgedragen, zal bevonden hebben.

Ook de bijengilden vielen als slachtoffers van de nieuwe wetgeving onder franse revolutie en werden evenals de schuttersgilden afgeschaft.

De verplichting tot een gilde te behoren om bijen te rogen houden verviel, als strijdig met de individuele vrijheid. Te Mechelen gebeurde dit in 1791 en de bijengilden waren dus afgeschaft.
Nochtans bleven de ordonnanties van kracht die betrekking hadden op vreemde “bielieden” die op ander territorium hun korven kwamen plaatsen. [15]

De mooie gildebreuk, de waardigheidskentekens van de Gilde koning, bestaat nog. Aan een keten waarvan de schakels gesteld zijn uit afbeeldingen van de bourgondische vuurslag hangt een koningsgaai (zonder jaartal)

Het middenmedaillon is in Rococostijl en is een afbeelding van St.Ambrosius de schutsheilige. Het medaillon wordt geacht te dateren uit het begin van de 17e.Eeuw [16]
[17]

De beschermheiligen der schuttersgilden

De verering der schutspatronen was niet alleen een door de gilde voorgeschreven en opgelegde verplichting, doch behoord mede tot de levensbeschouwing van elke gildebroeder.

De schutspatroon werd beschouwd als een zeer belangrijk deel van de gilde. Iedere gilde had zijn beeltenis in de parochie kerk hangen of staan, soms zelfs in een eigen kapel.

Bij ommegangen werd dit beeld devotievol “uitgehaald” en door de gilde in de processie rondgedragen.

De feestdag van de gildeheilige was de aanleiding en het gepast ogenblik voor belangrijke gebeurtenissen in de gilde ; koningschieten, teerfeest, gildemis ter ere van de overleden gildebroeders.

Veelal werd de beeltenis van de schutsheilige in het gilde vaandel centraal in een riedaillon opgenomen en vormde, samen met het bourgondische knoesten St. Andrieskruis – de gekruiste knoestenstokken, het hoofdmotief der symboliek.

Nu nog bekleden de schutspatroons der gilden een belangrijke plaats in hun gebruiken. De Gilde van St. Hermetis te Ronse heeft als taak en rekent zich als een eer de enigen te zijn die het schrijn van St. Hermetis (pestheilige) uit de kerk mogen afhalen voor de jaarlijkse “Fiertel” ommegang (36 KM.)

De St.Jorisgilde van Brecht heeft een gildebreuk waar in het middenmedaillon, centraal op de borst gedragen, relieken van St. Joris geborgen zijn. En menig ander voorbeeld kan nog aangehaald worden.

Nochtans dient niet uit het oog verloren te worden dat het gebruik, een schutspatroon voor een gilde te hebben, uit een ver verleden stamt, uit de voorkristelijke tijden, toen in onze streke nog de oud-germaanse goden aanbeden werden.

We weten dat er toen reeds “gheldonia” bestonden, weliswaar niet volledig naar de vorm noch de inhoud gelijk aan deze die wij als normatief voor onze “Schuttersgilden” nemen, doch die wel als prefiguraties aangenomen worden. Welnu ook deze “gleldonia” stelden zich reeds onder de bescherming van een “heidense” godheid.

En zelfs dat is dan nog geen innovatie want in de ganse geschiedenis vinden we steeds maar voorbeelden terug waarin zelfs in de oudste kulturen reeds het zoeken naar kontakt tussen onze wereld en de wereld der goden door de stérveling en door middel van “bemiddelaars” (i.c.heiligen) gezocht wordt.

De schutspatroon was voor onze voorvaderen niet alleen een lichtend voorbeeld, wiens leven en gode voorbeelden men zou trachten te benaderen, doch hij was ook de helper, toeverlaat in nood en dikwijls zelfs, in hedendaagse termen uitgedrukt, de “psychiater” en / of “geneesheer”.

Een dergelijk belangrijke taak verdiende dus ook wel vanwege de gildebroeders een diepe verering en verzorging. Dit blijkt dan ook uit de zo talrijke kunstwerken, schilderijer en beeldhouwwerken die hun lof en verering moeten illustreren.

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed

Print Friendly, PDF & Email