Ga naar de inhoud

De Carolushoeve te Babelom

t’hof te Hoochberghe

Meldert (Hoegaarden) Carolushoeve koerzijde van de poort met duiventil © Foto P. Reekmans

De huidige naam van de hoeve is recent; in 1614 werd ze t’hof te Hoochberghe genoemd. Ze is gesitueerd op een hoogte op de rand van de Molenbeekvallei. Volgens de hogervermelde werkhypothese zou de oorsprong van deze hoeve mogelijk kunnen teruggaan op een Merovingische woonkern.

In de 15de eeuw bezat de familie Pinnock er een belangrijke heerlijkheid. 

In 1505 verkocht Philippe Pinnock zijn goed aan Jan Van den Poele, afgevaardigde van Nicolas Ruster, voorheen provoost van het Sint-Pieterskapittel te Leuven, nadien bisschop van Atrecht. Het college van Atrecht, in 1508 door Ruster opgericht ten behoeve van de arme scholieren in de theologie en het canoniek recht, kwam aldus in het bezit van deze hoeve.

De meeste gebouwen dateren uit het midden van de 18de eeuw. De poort met duiventil geeft uit op de met witte kalkzandsteen geplaveide binnenkoer. Het woonhuis staat recht tegenover de poort. De stallen vormen de linkervleugel; rechts staat de grote langsschuur, die in 1875 werd opgetrokken.

De vier lindebomen

De charme van het site wordt in grote mate mede bepaald door vier oude lindebomen die het poortgebouw overschaduwen.

Meldert (Hoegaarden) Carolushoeve woonhuis voorgevel

De Carolushoeve

Het 18de-eeuwse woonhuis is opgetrokken in baksteen op een hoge sokkel in witte kalkzandsteen (Afb. 2). De hoekkettingen, de steigergaten en de omramingen zijn, of waren, in dezelfde steensoort uitgevoerd. Boven de overwelfde kelder ligt een verhoogd gelijkvloers en één verdieping.

De voorgevel was oorspronkelijk verdeeld in zeven gelijke traveeën. Het gelijkvloers was verlicht door hoge rechthoekige vensters, waarschijnlijk kloosterkozijnen. Op de verdieping hadden de kleinere vensters bredere beneden- en bovendorpels, deze laatste afgedekt met een druiplijst. Al deze vensters hadden rabatten voor luiken. De kelderruimten worden verlicht door lage rechthoekige keldergaten met bakstenen ontlastingsboog. 

De deur stond in de middenste travee. Tijdens een verbouwing omstreeks 1900, waarbij de ganse gevel werd bepleisterd, heeft men de meeste 18de-eeuwse muuropeningen vergroot en vier vensters dichtgemetseld. De nieuwe vensters en de deur hebben boven- en benedendorpels in grijze kalksteen; de stijlen in witte kalk- zandsteen die men vandaag ziet werden pas aangebracht tijdens de restauratie van ca. 1978, waarbij men de op de hoeve nog aanwezige stenen van de uitgebroken 18de-eeuwse vensters opnieuw heeft gebruikt in de stijlen van de vergrote omramingen. De gemouleerde houten kornis met klossen dateert eveneens van omstreeks 1900 en vervangt of verstopt de dakoverkraging op voluutvormige houten modillons, versierd met diamantkoppen. Deze zijn nog steeds zichtbaar aan de achterzijde.

De achtergevel is verdeeld in zes ongelijke traveeën, met op het gelijkvloers een excentrisch opgestelde deur en vijf rechthoekige vensters in kalkzandsteen met rabatten voor luiken; er zijn negen keldergaten die beantwoorden aan evenveel traveeën in de kelder. Al deze elementen behoren tot de oorspronkelijke 18de-eeuwse bouw; op de verdieping zijn de vensters omstreeks 1900 vergroot, juist zoals in de voorgevel. Twee vierkante schouwen priemen doorheen de afwolvingen van het dak.

De kelder is toegankelijk via een korfboogdeur in de oostelijke zijgevel en is verdeeld in drieëntwintig traveeën, gescheiden door bakstenen korfbogen, waartussen telkens een troggewelf, opgebouwd uit ruitvormig geplaatste bakstenen. Deze traveeën zijn gegroepeerd in door muren gescheiden opslagruimten of ze vormen de centrale gang vanaf de deur. De kelder is eveneens toegankelijk vanuit de gang van de woning via een draaitrap.

Binnen is het gelijkvloers door de gang in twee verdeeld met zowel links als rechts twee grote kamers achter elkaar. Aan de voorzijde is de gang zeer breed en herbergt een monumentale houten trap. Voorbij de trap heeft de gang, eerder uitzonderlijk, een S-vormig verloop. In het achterste deel van de woning is hij nauwelijks zo breed als de achterdeur. Ter hoogte van de knik in de gang vertrekken trappen naar de kelder en de zolder. De meeste deuren hebben rechthoekige panelen doch in de rechter voorkamer zijn de muurkasten aan weerszijden van de schouw in provinciaalse Régence-stijl.

Boven de korfboogvormige toegangspoort in bak- en kalkzandsteen bevindt zich een duiventil die afgedekt is met een mansardedak met peervormige bekroning en smeedijzeren windwijzer. Aan de straatzijde is het gebouw gedateerd ANNO 1760 terwijl de toegang tot de duiventil aan de neerhofzijde bestaat uit een steen met zeven vlieggaten onder een Frondboog (Afb. 3).

De puntgevel van de stalvleugel aan de straatzijde is afgewerkt met muurvlechtingen, schouderstukken en een topstuk. Elke stal is afzonderlijk toegankelijk door een korfboogdeur in kalkzandsteen en, enkel aan de neerhofzijde, verlicht door kleine rechthoekige venstertjes. De stalgevel is bovenaan versierd met een overhoekse muizetandfries en voorzien van steigergaten in kalkzandsteen. De bakstenen troggewelven tussen de balken zijn op dezelfde wijze geconstrueerd als die van de kelder van het woonhuis. Het in 1935 vernieuwde dak is afgedekt met leien schalies met afgeknotte hoeken en vorstpannen met kam in geglazuurd rood aardewerk.

© Vzw Hoegaards Erfgoed 

Print Friendly, PDF & Email