Ga naar de inhoud

De voormalige Bogaardenkerk te Hoegaarden

Inleiding

A. SIRAUX
Zuster Marie-Louise,
van de Congregatie der Zusters van de Vereniging met het H. Hart


De voormalige Bogaardenkerk te Hoegaarden



Overdruk uit
Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring
voor Leuven en omgeving, Deel VII, 1967, 2de af.


LEUVEN
1967

Voorwoord

De voormalige Bogaardenkerk te Hoegaarden [1]

De oorsprong

In de herfst van 1013 geraakten de prinsbisschop van Luik Balderic, en de graaf van Leuven, Lambrecht met de baard, slaags op het grondgebied van het allodium Hoegaarden; het gevecht verliep in het voordeel van de graaf. De oorzaak, of veeleer de aanleiding tot deze strijd was wel het feit dat de bisschop zijn allodiale villa had laten versterken en daarin had de graaf van Leuven een bedreiging gezien. Hij deed dan ook de versterkingen met de grond gelijk maken en bouwde op de puinen een kerk. Een oude overlevering wil dat deze versterking zich bevond op de plaats zelf waar nu het instituut der Zusters van de Vereniging met het Heilig Hart zich bevindt.

In de XIV eeuw stond alleszins op de plaats van dit instituut het kasteel van Overlaer. Werner de Longchamps kocht het in 1439. Een akte van 18 december 1496 spreekt van vrouwe Catharina van Mosmale, weduwe van Werner de Longchamps. Op dat ogenblik werd vrouwe Catharina door de meier van Kercoverlaer erkend als wettige erfgename van de goederen van haar man. Daar het huwelijk zonder kinderen was gebleven, ging zij, op gevorderde leeftijd, ertoe over haar bezittingen te schenken aan de Bogaarden [2] opdat deze er een klooster van hun orde zouden vestigen.

De oorsprong

Enkele Bogaarden uit het klooster van Zepperen in Limburg kwamen zich vestigen in het kasteel van Overlaer en vormden aldus de kern van de kloostergemeenschap die zou bekend worden onder de naam van Mariadal. Zij komen in die periode voor onder de benaming van Bruederen vanden derde Ordenen Sinti Francisci, geheyten vander Penitentie. Ter herinnering aan de ontvangen gift droegen de Bogaarden ieder jaar in de maand januari een dienst op voor de zielerust van Werner de Longchamps en van Catharina van Mosmale, zoals blijkt uit de thans nog in het klooster bewaarde XVIII-eeuwse kopij van het register der jaargetijden.

Om het nieuwe klooster te kunnen oprichten was de toestemming vereist van de pastoor der parochie. Ze werd verleend door Henricus de Humine, plebaan van Hoegaarden, op 28 april 1453. Tegelijkertijd werd aan de kloosterlingen de vergunning gegeven een kapel in hun bezitting te bouwen en een eigen kerkhof aan te leggen bij dit bedehuis.

Gedurende drie eeuwen hebben de Bogaarden in deze zelfde kerk gebeden. Slechts in 1766 legden ze de eerste steen voor de huidige kerk en voor hun nieuw klooster. Vermoedelijk hebben ze ten dele de oude grondvesten benut om de nieuwe bouw op te richten. Daar ze toen erg verarmd waren, zullen ze het voordeel dat voortspruit uit het benutten van de oude fundamenten wel niet hebben misprezen.

Het archief der Bogaarden heeft toegelaten de namen terug te vinden van de meeste werklui die hen hebben geholpen de kerk op te richten. Renier Falla en Petrus Damsin hebben het geel zand en de stenen vervoerd. Petrus Rolan en Jan Mitis hebben het hout gezaagd. Antheunis Corbon, Symon en H. Klevinck hebben de stenen gehouwen. Petrus Dothé was de meester-metselaar die in zijn dienst had: 18 metselaars en 21 handlangers. N. J. Charlot van Geldenaken en Jean-Dieudonné Guillaume uit Roux-Miroir leverden en plaatsten het glas in 1768.

Jan Rouette, meester-schrijnwerker, begon op 23 april 1767 het werk met de hulp van zes ambachtslieden. Arnold Delgasse smeedde het kruis van de kerk en plaatste het op 21 december 1767. Petrus Jozef Collion heeft de toren gedekt en werd betaald op 13 februari 1768. Antoine Dagnaix werd op 9 mei 1768 betaald voor het vervaardigen en plaatsen van de ijzeren kerkramen. De stucadoor Psarr en zijn handlanger beëindigden hun werk op 12 juni 1768. Verschillende brieven die in het archief bewaard worden vermelden een bestelling van schaliën te Namen bij juffrouw Laloux doch slechts in 1777.

Wijding van de kerk, afschaffing der Bogaarden

Op 25 juni 1772 kwam de suffragaanbisschop van Luik, Z. Hoogw. Mgr. Carolus-Alexander, graaf d’Arberg et Vallengin, de plechtige kerkwijding verrichten ter ere van de H. Rochus. Een broederschap van de H. Hubertus, die op 26 october 1781 opgericht werd, kende een buitengewone bloei en talrijke vooraanstaanden uit Hoegaarden en de streek lieten zich in de confrerie opnemen. Het feest van de heilige patroon der jagers werd jaarlijks schitterend gevierd onder een grote volkstoeloop. Na de afschaffing van het Bogaardenklooster, werd de Sint-Hubertusbroederschap naar de hoofdkerk van Hoegaarden overgebracht.

Kerk en klooster der Bogaarden onderstonden de plagerijen en de plunderingen in de tijd van de Franse omwenteling. In 1797 werden de paters verdreven en nadien zijn ze er niet meer in geslaagd zich te hergroeperen. De vier overlevende Bogaarden waaronder pater Hendrik Coenegras kochten hun eigen bezit van het Republikeinse bestuur af tegen 39.000 Franse ponden. Ze vertrouwden de eigendom toe aan twee pachters, in afwachting, zo dachten ze, dat de moeilijkheden een einde namen en ze weer zelf hun klooster konden betrekken. Het was een ijdele hoop. De Franse revolutie werd noodlottig voor de orde van de Bogaarden die langzaam verkwijnde. Het klooster van Overlaer zou in andere handen overgaan.

De Zusters van de Vereniging met het H. Hart

Wanneer in 1817 de kloosterzusters van E. H. François-Joseph Delfosse [3], voorlopig te Tienen ondergebracht in het oude Karmelietenklooster, een ander tehuis zochten, zagen ze uit naar een vaste vestigingsplaats. Wanneer pater H. Coenegras dit vernam bood hij hun het domein Mariadal aan. De aankoop greep plaats in 1817 maar de Zusters betrokken hun nieuwe verblijfplaats slechts in 1820. Sindsdien draagt het klooster terug de naam van Mariadal.

Afbeelding: De Sint-Rochuskerk en het voormalige Bogaardenklooster ca. 1850.

De Congregatie der Zusters had als stichter een vroom priester uit het aartsbisdom Mechelen, E. H. Delfosse, die trouwens overleed in Mariadal op 17 april 1848. Medestichtster was de eerste overste, moeder Julienne, in de wereld juffrouw Albertine De Hainaut uit Eigenbrakel, die in Mariadal overleed op 17 juli 1852. Van Mgr. Sterckx, aartsbisschop van Mechelen, kreeg de Congregatie de naam van Zusters van de Vereniging met het H. Hart, wanneer hij op 12 september 1835 zijn bisschoppelijk zegel vestigde op de regel van de religieuzen en hij de eerste plechtige gelofteaflegging kwam bijwonen in de voormalige Bogaardenkerk.

Uit een bedanking der toenmalige Zusters aan E. H. Delfosse blijkt dat bij de aankoop de Sint-Rochuskerk in een deerniswekkende toestand verkeerde en dat hij ze heeft laten herstellen.

Het buitenaanzicht van de Sint Rochuskerk

Het gebouw een typische zaalkerk is 26 meter lang, bij 18 breed. Het houten gewelf reikt tot 16 meter en de nok van het dak bereikt 20,5 m. De torenspits heeft een hoogte van 30 m. De kerk is een bakstenen gebouw waarvan de plint, de hoekkettingen, de venster- en deuromlijstingen alsmede de versieringen in steen van Gobertange zijn.

De voorgevel is vrij eenvoudig, maar nu is hij ten dele bedekt door de nieuwe constructies van 1922 in neo-renaissancestijl. Hij loopt uit op een fronton met twee zijlingse voluten. Bovenaan zijn er twee oculi, het ene boven het andere, om de zolders licht te bezorgen.

Een witstenen cartouche die zich voorheen boven het ingangsportaal bevond, draagt volgend opschrift: « 1767 / Pavete ad sanctuarium meum / Ego Dominus / Levit cap 26» (Betreedt met vrees mijn heiligdom, Ik ben de Heer). Bij de bouw van de huidige normaalschool in 1922 verdween het fronton van het portaal en de cartouche werd toen verplaatst naar de linkerkant van de gevel. De sierlijke barokke omlijsting van de ingangspoort tot de kerk is in witte gegroefde zandsteen. Het kleine houten beeld van St. Rochus, dat uit de XVIII eeuw dagtekent en dat vroeger in een nis stond boven de vermelde ingangspoort, bevindt zich thans in het klooster. “

Het steile dak is bedekt met schaliën. Er zijn vijf dakvensters. Een kruis in smeedijzer bekroont de apsis. De zeskante klokketoren wordt bekroond door een spits met drie verdikkingen, de ene boven de andere, en deze spits wordt op haar beurt beëindigd door een smeedijzeren kruis met koperen haan die bij de herstelling, in 1920, naar beneden werd gehaald en verguld. Hij bevatte een perkament dat de naam van de gieter en de datum vermeldde waarop hij boven op de toren werd geplaatst. De klok draagt als randtekst: Joannes Le Fever me fecit 1674. Vermoedelijk is het een klok die voortkomt van de oude kerk.

Het binnenaanzicht

Het houten gewelf dat in 1895 werd vernieuwd en in 1956 werd verstevigd, wordt gedragen door bogen die het in vier vakken verdelen boven de beuk en in drie boven het koor en de apsis. Het is merkwaardig versierd met rococo-panelen en ornamenten in stuc. In 1956 werd de kerk herschilderd in ivoortint. Het lijstwerk, de bogen en de vensteropeningen kregen omlijstingen in een helderder kleur. Een gewelfsleutel stelt de H. Geest voor onder de gedaante van een duif. Middenin de grote bogen staat telkens een. andere cartouche versierd met een gevleugeld engelhoofd. Bladerwerk stijgt als vlammen op bij de aanzet van de bogen.

Het koor is betrekkelijk groot ten opzichte van de beuk. Toegang ernaar bezorgt een trap in zwart marmer met golvende belijning. De prachtige bevloering is in witte marmerblokken die geregeld versneden worden door banden zwart marmer. De bevloering van de kerk is in graniet waarvan de heldergrijze blokken afwisselen met de donkergrijze.

De oorspronkelijke glasramen zijn verdwenen. De huidige zijn het werk van het huis P. Janssens van Antwerpen. Ze werden er geplaatst in de jaren 1900 tot 1903. Deze van links stellen voor in medaillon:

  1. De Verschijning van het H. Hart aan de H. Margareta Maria Alacoque.
  2. De aartsengel Michaël.
  3. St. Ignatius van Loyola en St. Franciscus Xaverius.
  4. St. Aloysius van Gonzaga. Deze laatste glasramen stellen de bijpatronen van de zusters congregatie voor.
  5. St. Rochus, schutsheilige van de kerk.

De gebrandschilderde ramen rechts stellen voor:

  1. De boodschap van de Engel.
  2. Christus die aan de H. Franciscus van Assisi de aflaat van Portiuncula verleent. Dit raam herinnert eraan dat de kerk die voorheen toebehoorde aan de Bogaarden – Franciscaanse derdeordelingen van deze aflaat geniet.
  3. St. Jan en Philippus.
  4. Het rozenwonder van de H. Elisabeth van Hongarije.
  5. St. Cecilia, St. Joannes de Evangelist, St. Jacobus en St. Paulus.

Al deze ramen werden hersteld in 1956 door het huis Coeme van Sint-Truiden. De arabesken der grisailles die het veld vulden, werden vervangen door effen glas van allerlei gele schakeringen. Door deze wijziging heeft de kerk veel aan licht bijgewonnen.

De eiken meubilering vormt één rijk geheel. De namen van vier der verdienstelijke schrijnwerkers zijn tot ons gekomen : A. J. Gillis uit Tienen vervaardigde het hoofdaltaar met zijn versiering, de bekroning ervan en de schijndeuren in het koor. Delbasse voorzag deze schijndeuren van slingers en maakte drie beelden die de Bogaarden uit de kerk hebben weggenomen, nl. de H. Lodewijk, koning van Frankrijk; St. Elisabeth van Hongarije en het kruisbeeld van de predikstoel. H. Bette was een derde houtsnijder, we vinden zijn merk terug op het vierde rechterpaneel in het koor: « H. Bette esculpteur 1793 ». Hij heeft dus de lambrizering gemaakt. Toen in 1956 de communiebank werd uiteengenomen ontdekte men rechts binnenin de bank, de volgende tekst: « Inv. et fecit R. P. Rillart 1772 ». Zij allen beoefenden een kunst die sierlijk is en rijk aan ornamenten.

Hoofd en zijaltaren

Aanzicht op het koor. Het hoofdaltaar, vervaardigd door A. J. Gilis (1783) vertoont links een medaillon met de voorstelling van de H. Franciscus van Assisi, patroon der Bogaarden; rechts: medaillon met de H. Hubertus.

Het hoofdaltaar, vervaardigd door A. J. Gilis, beeldhouwer te Tienen, volgens een contract aangegaan in 1783, heeft de vorm van een graftombe en is versierd met een pelikaan in een medaillon met slingers. Dit alles is met bladgoud verguld evenals de vier ornamenten in de hoeken. De gebeeldhouwde voorzijde van het tabernakel stelt voor David die uit de handen van de hogepriester Achimelec het brood ontvangt dat aan de hongerige soldaten moet worden uitgereikt. Naast het tabernakel stijgen tarwehalmen op waarlangs een wijnstokrank met overvloedige vruchten opklimt. Twee putti schijnen de tarwehalmen te doen plooien. Oorspronkelijk droeg een der putti het boek gesloten met zeven zegels en de andere, een kruis.

Een groots retabel dat de zoldering bereikt, bedekt heel de achterzijde van de apsis. Twee korinthische zuilen en twee pilasters rusten op een hoofdgestel. Midden in het fronton, omgeven door vergulde stralen, bemerkt men de groep: God de Vader, omringd door wolken en door engelen. Hij strekt de armen uit en buigt het hoofd naar het altaar. Daarboven hangt een weelderig baldakijn met een duif, omgeven door een stralenkrans.

Aan weerszijden van het retabel, met een knoop bevestigd, hangen medaillons in half verheven beeldhouwwerk: rechts, de H. Hubertus, patroon van het bisdom Luik waarvan Hoegaarden deel uitmaakte en wiens relikwieën biezonder vereerd werden in deze kerk; links, de H. Franciscus van Assisi, patroon van de Bogaarden, oprichters van het kerkgebouw. Tussen de twee pilasters en boven het hoofdaltaar bemerkt men een prachtige schilderij op doek welke een Piëta voorstelt. Het betreft een goede kopij naar een meesterwerk van Ant. Van Dijck, thans in het museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Het schilderij werd herdoekt in 1918, dank zij de vrijgevigheid van Mgr Cleynhens, pastoor-deken van O.-L.-Vrouw te Antwerpen, buitengewoon biechtvader van de communiteit van 1896 tot 1921.

De beide zijaltaren herinneren in hun algemene vorm aan het hoofdaltaar en zijn retabel maar ze zijn van eenvoudiger opvatting. Boven het ene altaar bemerkt men de duif en boven het andere altaar, de driehoek, zinnebeeld van de H. Drievuldigheid. De deur van een der tabernakels draagt in een verguld relief een omstraald kruis, die van het andere altaar, een omstraalde kelk. De tafels van deze zijaltaren dragen een centraal motief een medaillon waarin riet en olijftakken zijn vermengd.

De communiebank

De rococo-leuning die het koor van de beuk scheidde diende ook tot communiebank. Negen pilasters omvatten acht panelen versierd met acanthusbladeren en een schelp met een motief ontleend aan de geschiedenis van de Israëlieten in de woestijn.

Van rechts naar links zien we :

  1. Het zoenofferaltaar.
  2. Mozes slaat op de rots.
  3. De tafel met de toonbroden.
  4. De ark van het verbond.
  5. De zevenarmige kandelaar.
  6. Het reukofferaltaar.
  7. Het manna in de woestijn.
  8. Het lam dat rust op het boek van de Apocalyps.

Om te voldoen aan de eisen van de nieuwe liturgie werden de beide middenste vakken zonder de minste beschadiging uit de communiebank eenvoudig gelicht en voor het oorspronkelijk hoofdaltaar geplaatst. Ze kregen een aangepast blad en vormen aldus het naar het volk toegekeerde altaar.

De lambrizering, de biechstoelen en de predikstoel.

Afbeelding: Detail uit de eikenhouten Lod. XVI-lambrizering: een trofee met liturgische attributen.

Over heel hun lengte zijn de muren bedekt met een prachtige eiken lambrizering, in Lod. XVI-stijl, van 3,40 m. hoogte, die slechts wordt onderbroken voor de biechtstoelen, de deuren en het portaal. Aan weerszijden van het hoofdaltaar is, zoals vermeld, een schijndeur; voor de rest bestaat de versiering uit zes grote panelen die afwisselen met acht kleinere waarvan ze gescheiden worden door een pilaster met een console vanwaar een mooie bloemslinger neerhangt. Op de grote panelen mengen zich, hangend aan linten en knopen, de meest verscheiden ornamenten in de toentertijd zo geliefkoosde vorm van trofeën, in half verheven beeldhouwwerk de tiara, de stola, het wierookvat, de bel, de aalmoezenbeugel, alles aangenaam vermengd met bloemen. Verder zijn er de kardinaalshoed, de toorts, het gewijde boek, muziekinstrumenten en kwasten. Verder nog het kruis van Jerusalem, de mijter, het kruis, kandelaars. Een paneel is versierd met een cenotaaf, een zwaard en een wijwaterkwispel, wijl een ander paneel verfraaid is met een monstrans, een processievaandel en een pelgrimshoed. De kleine panelen dragen slechts een motief dat aan een knoop hangt. In het onderdeel heeft men van 1905 tot 1914 de staties van een kruisweg ingewerkt die het werk zijn van de Antwerpse schilder Ernest Wante. De eerste en laatste statie werden geschonken door Mgr Cleynhens die de kruisweg wijdde in mei 1914. Een cartouche onder iedere statie vermeldt de naam van de schenkers.

Een tweevleugelige deur met telkens drie panelen geeft toe gang tot het kloosterpand, terwijl daartegenover weer een schijndeur staat die het einde uitmaakt van het beschot, aah de linkerzijde. Achteraan is de lambrizering verdeeld in drie panelen met slingers. Daar staat het wijwatervat in zwart marmer, gebeeldhouwd in de vorm van een schelp.

De biechtstoel die zich links bevindt, is bekroond door een beeld van O.-L.-Vrouw onder een weelderig baldakijn. Aan de andere zijde bevindt zich, boven de biechtstoel, een predikstoel. Zij maken deel uit van de primitieve meubilering in typische rococostijl. Op het klankbord van de predikstoel bemerkt men, gedragen door twee putti’s, een medaillon waarop de H. Barbara voorkomt. Onder de kroonlijst bemerkt men lambrekijnen en een paar << gordijnen » elk vastgehouden door een engeltje. In het midden der kuip, een medaillon waarop de betekenis van de Goede Herder en op de omgevende pilasters, de zinnebeelden van de Evangelisten. De beide biechtstoelen zijn nagenoeg overeenstemmend. Typisch zijn nog enkele details die hun beeldhouwwerk levert. Aldus bemerkt men enerzijds een oog, en aan de overzijde een oor. Wijl een hunner deuren een weegschaal draagt, komt op de andere een doorboord hart voor.

Het doksaal en het orgel

Twee ionische zuilen en twee gelijksoortige pilasters van grijs en witgeaderd marmer ondersteunen het doksaal.

Het orgel werd gebouwd door A. Rochet, meesterfactor, volgens de bepalingen van het contract getekend door de paters F. Van Polfliet, prior, en H. Coenegras, procurator, in 1788.
De orgelkast werd vervaardigd door Nicolas Bonnet, meester-schrijnwerker te Nijvel en dagtekent van 1790. Dit orgel, in goede staat van bewaring, is een uitmuntend instrument waarvan de weerklank nu nog gewaardeerd wordt. 

Het oude koorgestoelte van de kerk waarin destijds de Bogaarden hun getijden baden, in voor- classisistische stijl, werd overgebracht naar het doksaal waar het als muurbeschot werd aangewend. In 1938 werd een tweede tribune aangelegd achteraan en boven het oude doksaal. 

Afbeelding: Het doksaal met het orgel. 

De beelden

Men vermoedt dat de oorspronkelijke houten beelden van de zijaltaren deze waren van de H. Lodewijk, koning van Frankrijk en van de H. Elisabeth, koningin van Hongarije, die als Franciscaanse derdeordelingen biezonder in ere waren bij de Bogaarden. Inderdaad volgens de archiefbronnen nam Delbasse het op zich om in 1793 te leveren : beelden in hout van de H. Rochus en van de twee voornoemde heiligen. Het is niet duidelijk wat er met deze beelden is gebeurd. 

Pater H. Coenegras heeft wel degelijk aan E. H. Decour, pastoor van St-Jans-Geest, in 1811 en 1812 houten beelden van de H. Hubertus en van de H. Rochus verkocht maar deze passen niet bij de stijl van de zijaltaren. Ze schijnen trouwens van omstreeks 1725 te zijn. Beelden, eveneens in hout, van de H. Antonius en van de H. Rochus, thans in het klooster bewaard, te klein om bij de zijaltaren te passen, hadden voorheen hun plaats in nissen. van het koor, die nu gedicht zijn.

De sacristie

Aanleunend tegen de koorapsis, treft men de sacristie die de verlenging vormt van het kloosterpand. Ze is in twee vertrekken onderverdeeld en haar grote kast, eveneens in eikenhout, vertoont de kenmerken van de overgang van de Lod. XV- naar de Lod. XVI- stijl. Men bewondert er enkele merkwaardige kunstwerken, nl. het gestoelte van de prior der Bogaarden, afkomstig uit de kerk. Een schilderij op hout (XVII” eeuw), toegeschreven aan Ph. de Champaigne, stelt de Verschijning van Christus aan de H. Ignatius van Loyola voor. De andere schilderijen verbeelden O.-L.-Vrouw met de krieken (hout, XVII” eeuw), Maria met het Kind (hout, begin XVIII” eeuw, Byzantijnse invloed) en de Val van Christus na de geseling (hout, begin XVIII eeuw).

Verder een bezienswaardig Lod. XVI vaasvormig lavabo in roodkoper (hoogte 54 cm.).

Onder het merkwaardige zilverwerk citeren we een grote ciborie (hoogte 41 cm.) in renaissance-stijl, waarvan het deksel bekroond is door een pelikaan; onder de zeslobbige voet komt volgende tekst voor: «Fr. Paulus Proveneers, Fr. Livinus Pesseniers me fieri curaverunt A° 1625 ». Een ciborie (h. 39 cm) in Lod. XVI-stijl. Een Lod. XIV-kelk (h. 26,5 cm). Een zonnemonstrans in Lod. XV-stijl (h. 76 cm) met het wapen der Karmelietenorde ver- sierd. Een wierookvat (Lod. XV) met schipje in Lod. XVI-trant. Een stel ampullen met hun schaal in Lod. XVI-stijl en nog een stel ampullen in Empire-stijl.

HET KLOOSTERPAND

Het stemmige kloosterpand vertoont evenals de aangrenzende kerk de typische kenmerken van de Lod. XV-stijl. Dit pand heeft drie vleugels, in hoefijzervorm aangelegd. Twee hiervan maken deel uit van de gelijkvloerse verdieping, opgetrokken in 1763 (cartouche op de buitenmuur); de derde vleugel loopt langsheen het kerkgebouw.

In het kloosterpand hangen twee grote schilderijen op doek, afkomstig van de Bogaarden: de H. Franciscus van Assisi in extase en de H. Paulus eremiet door een engel in de woestijn gevoed. Er is verder ook nog een Piëta die het centraal laboratorium van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel, in een nota van 28-1-1948 als volgt karakteriseerde : « kan dagtekenen van het einde van de gotiek of begin XVI eeuw, Zuidelijke Nederlanden, invloed van de Brabantse werkhuizen, houtsnijder onbekend ».

De oude glasramen werden erg beschadigd bij het ontploffen van een munitietrein te Grimde in 1918, een tweede maal bij een bombardement op het vliegplein van Gutsenhoven op 10 mei 1940, een derde maal bij een bombardement van de stad Tienen op 15 augustus 1914, een vierde maal toen de Duitsers de brug over de Gete lieten springen bij hun aftocht in 1944. Eenentwintig op de vierentwintig glasramen zijn aldus nieuw. Ze bestaan uit geometrisch uitgesneden in lood gevatte ruitjes op negen verschillende wijzen onderling verbonden.

Twaalf prachtige eikendeuren in Lod. XV-stijl, onder Luikse invloed, waarvan verschillende nog voorzien zijn van hun gelijktijdig fijn versierd koperen handvatsel, verbinden het pand met de vertrekken van het oude Bogaardenklooster.

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed

Print Friendly, PDF & Email