Ga naar de inhoud

Hoegaardse wijngaarden

Referenties

  • Bijdrage tot de geschiedenis van het aloude Hertogdom Brabant door P.J.Goetschalcx [1]
  • Cartularium der Begaarden van Overlaar. [2]
  • Hagelandse Gedenkschriften door F. De Ridder. [3]
  • Histoire des Communes Belges door A.Wauters. [4]
  • Archief van het Cabbeekklooster Tienen [5]
  • Archief van Sint Germanus Tienen. [6]
  • Algemeen Rijksarchief Brussel. [7]
  • Geschiedenis van Hoegaarden door J.Vander Velpen. [8]
  • Familieschoon nr. 44 van 1963 [9]
  • Oost nr. 3 van 1970 [10]

Geschiedenis

Na de kruistochten geraakte de druiventeelt meer en meer in voege en schonken onze voorouders zich volledig aan de zoete en heerlijke wijn, want zij hadden de ervaring opgedaan dat de wijn aanleiding gaf tot verfijning, zang en liefde.

De oudst geschreven bronnen over de druiventeelt te Hoegaarden, dateren van in 1267 en vermelden de vermaarde wijngaarden van de Ridders van Aalst. Ook de Groeninckouter, gelegen boven Egypte, tussen Hoegaarden en Houtem, schijnt een bijzondere waarde te hebben gehad.

De meeste wijngaarden hadden een gemiddelde oppervlakte van 6 à 12 a. en waren door muren omringd, om de druiven tegen rukwinden en lange vingers te beschermen. Zij waren grotendeels gelegen op de Zuiderflank der golvende heuvels van het Schoor- of Nermdal, ook soms “Hoegaards bergland” genaamd. 

Anderen bevonden zich te Overlaar, Rommersom en Autgaarden, waar de warme zon de flanken bescheen. De witte wijn die in de streek vervaardigd werd, stond als een der beste landwijnen bekend en werd in vele huizen getapt, zodat de Hoegaardier reeds lang deze heerlijke drank kenden en in grote hoeveelheid gebruikten.

Legende

Een oude legende verhaalt dat de Koning der Zigeuners, die jaarlijks in het gehucht Egypte zijn tenten kwam opslaan,uit dankbetuiging aan de Hoegaardiers de geheimen der wijnbereiding heeft geleerd. Voor de gemeente schijnt het in elk geval een winstgevende zaak te zijn geweest, want er ging haast geen jaargeding voorbij, zonder dat een of andere verordening ten voordele der wijnboeren werd getroffen. Zo de gemeente de wijnhandel beschermde, dan waak te zij er tevens over dat er geen onrijpe vruchten werden geplukt, hetgeen aanleiding kon geven tot een minderwaardige frabricatie. En juist hierdoor geraakte de vermaardheid van de Hoegaardse wijn, zo snel in het ganse land bekend.

Dit laatste blijkt voldoende uit de rapporten der tolbeambten, die van de wijnboeren een hoge doorvoertaks eisten, om met hun volgeladen karren door het land te trekken. Ook gebeurde het dat deze beambten soms vaten in beslag namen en het dan met de Hoegaardiers aan de stok kregen. Zo legde Paulus HULSEN te Leuven de hand op verschillende wijnvaten en nam een zekere CRIECKE uit Mechelen, in 1551 te Wechter 147 vaten in beslag. Maar de wijnboeren beriepen zich op hun privilegiën, “oude geleyde” genaamd, door Keizer Karel toegestaan en alles kwam weer in orde.

Hoegaardse wijnboeren

Maar uit de rapporten vernemen we ook de namen van vele wijnboeren, met het aantal “stucks” door de beambten aangeslagen. (SGL Hoeg. reg.4288)

Het waren: 

  • Joannes VAN HERBERGHEN (17 st.)
  • H. TRITSMANS (40 st.)
  • Gooris TRITSMANS (12 st.)
  • Boudewijn TRITSMANS (5 st.)
  • Goosen VAN MOL, zoon van Jan (20 st.)
  • G. VAN MOL, zoon van Goesen (9 st.)
  • Renier VAN ORSMAEL (5 st.)
  • Lambrecht FONTENIERS (12 st.)
  • R. VANDEVELDE (20 st.)
  • W. PIERAERTS (3 st.)

Hieruit blijkt dat de TRITSMANS en VAN MOL’s tot zeer oude wijnboerenfamilies behoorden.

De hoge bloei van de Hoegaardse wijnhandel inde 15e en 16e eeuw, wordt eveneens aangetoond door de veelvuldige akten van koop, verkoop en nalatenschap van wijngaarden, die tot de duurste gronden werden gerekend. [11]

De Hoegaardiers wenden ook hun wijn tot listen aan. Zo ondere andere bij het bezoek van een hogere ambtenaar, wisten ze hem steeds voor hun zaak te winnen, door hem en zijn gevolg wijn aan te bieden. Het verteer van zulke mannen, wanneer zij in Hoegaarden verschenen, was de moeite waard.

Zo lezen wij in de dorpsrekeningen van 1498 tot 1527:
“betaelt by de innekomste vanden baellieu van Haspengau vertert geweest is mit synen volcke inne diverse plaetse, soe in de zwaene, int cloester, by philips sleegers, quirin van belongen, jan vandeveldt, jan berchmans, johan berwouts, aerdt van belongen .. 82 gulden”.

Dus veel kapellekens en groot verteer.

Maar niettegenstaande deze hoge bloei was de Hoegaardse wijnhandel in 1582 reeds tot 1/3 geslonken, ofschoon er toen nog een 100 tal wijngaarden in uitbating gehouden werden door 71 wijnboeren. (Cijnsboeken van 1582). In dezelfde registers staan 50 percelen vermeld als: “lant voertijts wijngaert”, hetgeen er op wijst dat op al die gerooide gronden, eertijds druiven werden geteeld. De invoer van Franse wijnsoorten uit het Zonnige Zuiden en de opkomende biernijverheid, waren oorzaak dat de Hoegaardse wijnteelt stilaan begon te slinken, om weldra de plaats te ruimen voor de dranken gemaakt van gersten, tarwe en hop. Zij kunnen er zich nochtans op roemen dat de witte wijn van Hoegaarden slechts diende te wijken voor de concurentie en niet voor de hoedanigheid.

Nopens de vele wijngaarden in het Hoegaardse gebergte en het bebouwen van de wijnstok in de oude vrijheid, verscheen in het tijdschrift “00ST” (als overdruk uit “Hagelandse Gedenkschriften “door F. De Ridder) een zeer merkwaardige bijdrage, die we hier graag ter aanvulling laten volgen en ons nog verscheidene andere wijngaarden en wijnboeren leren kennen.

De Tienenaar die voor ruim honderd jaar op een zomerse dag een wandeling maakte naar Hoegaarden, betrad bij het verlaten derstad, buiten de Hoegaardse poort, schier onmiddelijk de Luikse bodem en op deze het grondgebied der oude Vrijheid. Voor hem lag dan de brede rechte steenweg, beplant met prachtige olmen, wier dicht gebladerte een zoete schaduw over de weg wierp als om de hitte der zon te temperen.

Op enige stappen van de stad klimt de weg langzaam naar omhoog.  Links van de baan spoedt kronkelend en speels de Geet door bonte weiden en weelderige landouwen; rechts golft de heuvelenrij, bij onze voorvaderen de “Hoegaerdsche Berchen” genoemd. Over het kerkje van Overlaar heetten zij de “Kerckovelaersche Bergen”. Daar trok men in de XVIe eeuw een bereids vroeger die lichtrozige arduinen, welke men “Overlaersche fundamentsteenen” noemde en zo vaak benuttigde bij het bouwen van kerken en godshuizen te Tienen en in de omtrek.

De toppen der Hoegaardse heuvelen zijn als nauw samengegroeid en vormen alzo een uitgestrekt bergplein, waar bovenop, bijna in het midden “die Hoegaardsche appenditie” of gehucht Sint-Catharina-Houtem troont. Uit hoofde zijner hoge en droge ligging wordt het meestal in de oude documenten “Droech- of Droechouthem”, in 1″,in Latijnse oorkonden “Houthem siccum” genoemd.

In de valleien om die heuvelenrij henen liggen Kerkoverlaar, Opoverlaar, Hoegaarden, Mulken, Nerm, Aalst, Schore, Meldert, Hoksem en Oorbeek.

De glooiingen en de toppen der Hoegaardse bergen waren in de XVe en de XVIe eeuw op vele plaatsen bewassen met druivelaars. In een deling van 16 december 1481 tussen JAN KERSMAKERS met ELISABETH LOETERS, zijn huisvrouw, enerzijds en dezer kinderen uit een eerste huwelijk anderzijds komt alzo een rente voor op verscheidene wijngaarden te St-Catharina-Houtem.

Die rente toegezegd aan ELISABETH’s dochter, Catharina RASPEN, toen zij met MERTEN COEMANS de huwelijksboot instapte, bedroeg drie- en half mud hard koren en was aldus veronderpand: anderhalf mud “supra vineam PETRI DERHERBERGEN, sitam in Droechoutem”, een mud “supra vineam HENRICI FYTENS sitam propeDroechoutem”, vijf halsters “supra vineam WILHELMI JOES, sitam etiam ibidem”, een halster “supra vineam WILHELMI EVERAERTS sitam prope Droechoutem”. Na de dood harer moeder zou Catharina nog zulke mudden ontvangen waar een van stond “supra vineam GERARDI VANDEN BERGHE, sitam in Droechoutem” .Die enkele akte meldt dus vijf wijngaarden op het gehucht Sint- Catharina-Houtem.

Bereids kennen wij uit het, in de “Bijdragen..” meegedeelde, op Overlaar de wijngaarden van MICHEL DOUTINGS, van ARNOLD VAN BLOEMENDAELE en van WILLEM DOUTINGS, “gelegen achter Kerckoverlaer” naast die van WALTER VAN BOELOENGIEN, van RENIER VAN LEEUW en van ridder JAN VAN KERS BEKE, insgelijks te “Kerckoverlaer”.

Al deze wijngaarden staan in documenten van 1414 tot 1416.  Maar vroeger reeds, naar een brief van 7 december 1413, bezat WILLEM VAN THIELT van Tienen eveneens een wijn gaard “boven Kerckoverlaer opten Houthemschen wech”.

Later treffen wij er nog verscheidene andere aan, als die van HENDRIK VAN WETERBEKE, van de gebroeders GOZEWYN en ROBERT BERWOUTS en van MICHIEL LANTSHEEREN. De laatste nam op 10 october 1463, “een plexken lant, dat voertyts wijngaert was zegt de akte tussen Kerck overlaer ende Oirbeke”, palend aan zijn eigen wijngaard en aan die van zijn gemelde broeder in onderpand. HENDRIK VAN WETERBEKE, poorter van Tienen, gaf in november 1451 zijn wijngaard uit de erfpachte aan HENDRIK VANDEN HOVEN gelijk hij gelegen was “in deOvelaerschen Berch” met “conditie ende voerwerde ondersproken, dat HENDRICKE VANDEN HOVE den wyngaert voers. voertan wale ende loffelye houden sal ende ghelyc dat men wyngart ghewoen ende sculdich is te houdene sonder aergheliste” . Kwam hij die voorwaarde niet na, dan mocht de eigenaar hem de wijngaard weer afnemen “met eender simpelder ghenachte sonder ander recht daer op te hay evene”. 

Boven Kerkoverlaar, nabij “den wech die van Thienen naer Droechoutem gaet ende wech die van Godshoven naer Oerbeke te Lowenwaert gaat ” lag een wijngaard die voorkomt in een brief van 21 juni 1509, waarbij ELISABETH VAN SANTFOERT, priorin van Cabbeek, enige roeden land onder den bewinde van Hoegaarden verpandde aan de Begaarden van Overlaar.

Aan deze laatsten verkochten, de 14 februari 1520 (n.s;), voor de schepenbank van Kerkoverlaar “heren VRANC, bruedere,priesters ende gardian des cloesters en de godshuys van den mynd erbruederen der ordenen van St. Franciscus, bynnen der stat van Thienen belegen, ende broeder WOUTER VAN THIELT… een half boender soe wyngaert soe lant oft daeromtrent, alsoe dat in twee plecken belegen is,deen bij dander boven Kercovelaer”.

Nog traden de Begarden de 12 maart van het volgend jaar in het bezit van “een plecke, aenhoudende dertich roy en wyngerts luttel min ofte meer, alsoe die plecke geleghen is in de Kerckovelaersche bergen bij den Campernoel”

Omtrent dezelfde plaats hadden de Minderbroeders van Tienen een stuk land liggen dat korte tijd voor 1523 nog met wijnstokken schijnt beplant geweest.Trouwens de 27 november van gezegd jaar gaf JÄN VLEMINCKX “inden naeme en als ghemechticht der heeren vander Duytscher Ordenen, genaemt Pitzenborch bynnen Mechelen ghelegen, by faute van pachte ende betalinghe metten uutersten rechte, nae onder costumen shoefs van Kerckovelaer” een plek land uit “boven Kerckovelaer gheleghen by die plaetse daer der mynd erbruederen wyngaert plach te liggen”.

Dat de wijngaarden naar de kant van Op- en Kerkoverlaar in de heuvelenrij eens talrijk moeten zijn geweest blijkt,nog beter uit een schepenbrief van 18 october 1543. Daarin wordt verhaald “hoe dat LENART ZIERICK die olde,voor meyer ende schepenen van Hugarden ende voor meyer ende schepenen der banc van Kerck- ovelaer afgeghaen is ende verteghen heeft, ” zijn tocht op zekere landen ten voordele “des convents van Marienhuys binnen den bewinde van Ovelaer”. Naast de wijngaard van HENDRIK VANDERBELD staan in die akte “die Ovelaersche wyngaerden”, uitdrukking die,naar ons inzien, doet denken aan een ganse groep druivelaars.

Tot die groep behoorde gewis ook de wijngaard welke voorkomt in een brief van 27 maart 1521 (n.s.). 

Heer WOUTER VAN BELONGIEN, priester, kocht toen “tot profijt van allen synen brodderen ende susters, wettiche kinder WOUTER VAN BELONGIEN uuten lichaam CATHARINA COOMANS “een mudde koorn “erffelycx Hougarts recht ende Thiensche mate allen jaeren te Sint Andriesmissen, apostels te betalen ende bynnen der prochien van Hougarden, waer dat die selve gerven ende kinder believen sal, te leveren. “De rente werd vervolgens vastgezet op “een half dachmaal ende dertich royen soe lant, soe wyngaert, geleghen inde Spuelbondelle”.

De hier bedoelde delling ontleende haar naam aan een bron, “de Spuelborn” of ook de “Spunborn” geheten, tussen Hoegaarden en Sint Catharina Houtem. Het land, waar de wijngaard in lag, was noordwaarts begrensd door “die Wyngaerdstraete”, welke eertijds,over de “Overlaersche Bergen” door de wijnvelden heenschietend, de weg van Hoegaarden naar Houtem met die van Overlaar naar Hoksem verbond.

Als groep worden ook de “Varenbergsche wyngaerden” voorgesteld. De Varenberg, die van de Hoegaardse heuvelen deeluitmaakte, dient gezocht tussen “Droechoutem ende Hoxem”.“Die strate van Ovelaer te Hoxhemwert leyende”, zegt een akte van 18 april 1516,liep erdoor.
De glooiing van de heuvel zakt langzaam af naar Oorbeek en naar Tienen in de richting van “Avendoren” bijna tot tegen “den wegh ende straete leyende van het Molengat naar Oirbeeck”.

Het “Molengat” lag buiten de grote vestingsmuur van Tienen, aan “die Groengrachte naar Oirbeke”, daar waar de Medene uit de stad sprong, om verder allengs de naam van Molenbeek aan te nemen en de Kleinbeek te voeden. In de vallei,door deze twee waterlopen besproeid tussen “Avendoren”, Oorbeek en Kumtich, liggen de “Grijpen”, die malse weiden, in wier midden eens een adellijk slot stond met wouwers, beemden, landerijen en wijngaarden.

Tegenover de “Grijpen buiten tmoelengat” klimt dus zachtjes de “Varenberg” naar “Droechoutem” op. De 15 october 1418 nam GEERAARD KISTEN “clerc ende secretaris der stadt van Thienen” daar in erfpacht een onlangs aangelegde wijngaard. Althans in de akte heet het: “viventseventich roeden ende drie vierdel van eender roeden lants,nu met wyngarde beset, gelegen opten Varenbergh, buyten tmoelengat, tussen den wyngert ende VRANCK OLIVIERS lant,uut biden siden”.

Ettelijken jaren later ging die wijngaard aan de priorij van Cabbeek, waar hij tussen de goederen van het klooster staat aangetekend met de naam van “den groten wyngaert”. Aan hetzelfde sticht hoorde ook een wijngaard toe, die ze gemeenlijk noemden “Onsen wyngaert te Gripen”.

Een akte van 21 augustus 1461 zegt dat “dir wyngaert met siere toebehoerten, gelegen was buyten tmolengat opten Varenberch”. Op gezeid jaar was hij het eigendom van GEERAARD VAN DEN ELSENPUTTE, die hem te erfpachte uitgaf aan ANIELIS VAN NIEVELE voor vijfhonderd sisters “haerts corns” Nabij de straks genoemde wijngaard van GEERAARD KISTEN lag “prope molengat extra muros oppidi Thenensis “een half dagmaal met druivelaars beplant, toebehorend aan JAN HOLLAND, die het verkocht aan JAN GOESWIJNS.

Deze laatste schonk op 31 maart 1504 (n.s.) de wijngaard aan het klooster van Cabbeek. Van de “Varenbergse wijngaerden” maakte ook de wijngaard deel uit welke CATHARINA LENAERTS de 3 april 1511 opdroeg aan het meergemelde St. Agnetendal of Cabbeekklooster van Tienen.
Trouwens,de akte beschrijft aldus zijn ligging: “Vinea una iuxta moelengat opidi Thenensis, in loco dicto Varenberch, continens septuaginta virgatas et tertiam partem virgate, inter suos limites et palos veros ibidem sita”.

Doch werpen wij thans een oogopslag op het zuidelijk gedeelte der oude Vrijheid. Haar grondgebied is daar schier op de grens doorgesneden van de vallei der Schoor. Deze beek, die van Sluizen komt, een tijd Hoegaarden van Meldert scheidt en te Opoverlaar in de Gete valt, om zoomt de ganse zuidelijke voet der heuvelenrij. Op en bij de boord van de waterloop zitten of zaten eertijds de “Hoegaertsche dependitien”: Mulken, Nederhem, Aalst en Schore.

Te Mulken waren de met druivelaars beplante landen in groot getal. Tijdens de XVe eeuw, zoals we weten uit het in de “Bijdragen enz. “meegedeelde, lagen op de “Mulckerbergh” de wijngaarden van HENDRIK TIELENS, JANS SOENE; van JAN VAN DEN SAFFEL, van SANDER en PETER FIERENS “in den Mulckerbergh, bij ‘t diefpedeken” had men ook het half dagmaal “wingarts”, dat WILLEM VAN MOLLE de 17 februari 1510 (o.s.) aan de Begarden van Overlaar in onderpand gaf van een rente van een mudde tarwe.Het “diefpedeken” ver- bond in de XVe eeuw de “strate, die van ‘s heerenstraet van Hoegaerde naar Nederhem, te Mulckenwert leydt” en verderop “van Mulcken naer Houthem gaet” met de weg “ley en de van Nederhem te Dtoechoutemwert”. In zijn gebuurte trof men toen de wijngaarden aan van WILLEM SWILDEN, vanHENDRIK VAN LEUVEN, vanWILLEM LATHOUWERS en van de gebroeders ABSOLON en WILLEM JONCKBOUDERS.Vervolgens, beneden “in de Mulcerdelle” had men die van HENDRIK ENGELS, van WILLEM BOGAERTS, van PETER GOEDTS, van JAN BERTHEN en van WILLEM BOLLEN. Eindelijk, “achter Mulcken aen die Vreebornestraet” lagen die van HENDRIK VAN HAECHT en van het klooster van Maagdendaal te Oplinte

Onder Nederhem, het huidige Nerm, trof men “bij dat straetken gaende te Nederhem achter WOUTER FRDERIX hof,” omstreeks 1428,de wijngaarden van HENDRIK SCOUWIERS en van HENDRIK ROLOFS.Daar stonden tevens, ter plaatse genoemd “in ‘t Lanc Wijngaert” de druivelaars van PETER DE CLEERSNYDERE en die van HENDRIK GOYENS, welke laatste, ten jare 1511, als onderpand gezet werden ener rente ten voordele der Begarden van Overlaar.

Tegenover Aalst ligt,volgens het kadastrale plan der Vrijheid, op de huidige dag nog,de “Kaeyberg”. De helling van deze heuvel spreidt zich uit naar Schore en was in de XVe eeuw eveneens met wijngaarden bedekt. Trouwens, documenten van die tijd leren dat, onder meer FRANK FREDERIK er een land, met druivelaars beplant, bezat. In de gebuurte van dat land lagen de wijngaarden van JAN VAN PAMELE en van HENDRIK BOX, welke paalden aan een half dagmaal wijngaard, waarop het begijnhof van Tienen een rente had uit de making van ELISABETH VAN BAKE.Hogerop, ter plaatse ” ‘t Doppelt”, thans “Oppervelt”, deels op Meldert, deels op Hoegaarden, waren insgelijks wijngaarden. Wij kennen er o.a. de wijngaard van HENDŘIK VAN ETSCHE,die reeds voorkomt in 1362.

Vermelden wij nu terloops nog een paar wijngaarden aan de andere zijde der Vrijheid. In de “Bijdragen enz.” deden wij reeds de wijngaard van JAN PANHUYS gelegen “op schinsel bosch” kennen.

In september 1338 gaf broeder JAN DE WITTE der Begarden van Overlaar,met zijn moeder IDA GIELIS en dezer “geleverde momboer”, JAN REYNKENS, te erfpacht aan RENIER VAN NERIM “een verdel wyngerts, alsoe dat belegen is binnen die parochie can zittert op Sinselbosch”. Een akte van 13 januari 1316 (n.s.) spreekt vervolgens van anderhalf mudde koorn, door JAN VAN VILLEER, ten voordele der Overlaarse Begarden vastgezet “op een pleck wyngerts ende lant, tsamen omtrent drie dachmaelen ge- leghen achter den berch te Lymmen”. Enige jaren vroeger te weten op 23 april 1509, waren bereids voor meier en schepenen van Hoegaarden ook nog veertig roeden “soe lant soe wyngert, belegen int Cleyn Lummerdale” geschonken. Eindelijk “in de Groeninge Berge” tussen Lummen en Wommersom, bezaten ten jare 1521 de gebroeders WILLEM, JAN en ANTOON NYS eveneens “veertich roeden wyngerts”.

Maar de wijngaarden tussen Hoegaarden, Lummen, Zittert, Outgaarden en Wommersom behoren niet tot het “Hoegaersch – Overlaersch Geberchte” zij dienen derhalve dus hier niet besproken te worden.
Overgenomen uit “”Hagelandse Gedenkschriften”,1909 nr3   [12]

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed 

Print Friendly, PDF & Email