Ga naar de inhoud

Meldert en Hoksem

Twee woonkernen van vroeg-middeleeuwse oorsprong doorgelicht

Het bekendmaken van gefundeerde werkhypothesen is voor het wetenschappelijk onderzoek even onontbeerlijk als het publiceren van vaststaand feitenmateriaal.

Op zondag 27 juni bracht de kring een bezoek aan Meldert en Hoksem. Dank zij de samenwerking tussen de gidsen Frans Doperé, Jacques Halflants en Thierry Lauwereys konden de belangrijkste gebouwen van deze twee Hoegaardse deelgemeenten in detail worden bekeken en bestudeerd. 

Voor sommige leden was het niet de eerste maal dat ze bepaalde van deze gebouwen bezochten en enkele daarvan waren ook reeds, tenminste gedeeltelijk, in vroegere jaargangen gepubliceerd. Deze nieuwe confrontatie hield wel verrassingen in aangezien sommige gebouwen inmiddels prachtig gerestaureerd waren of recent onderzoek belangwekkende gegevens aan het licht had gebracht. 

We hebben deze bijdrage dan ook opgesteld met de nadruk op deze nieuwe bevindingen. We hebben tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal werkhypothesen voor te stellen over het ontstaan van deze dorpskernen.

A. De oorsprong van de Hoegaardse gehuchten.

Het grondgebied van Hoegaarden omvat, behalve de dorpskom of Cuype, de gehuchten Aalst, Hoksem, Houtem, Nerm, Overlaar, Rommersom en het verdwenen gehucht Schoor. Sedert de gemeentefusie van 1977 is Groot-Overlaar naar Tienen overgeheveld terwijl de dorpen Meldert en Outgaarden bij Hoegaarden werden gevoegd.

Het is opvallend hoe deze verschillende gehuchten en dorpen zich nog steeds als kleine onafhankelijke woonkernen voordoen. Onderzoek naar de ouderdom van het wegennet in relatie tot de omliggende landbouwpercelen heeft aan het licht gebracht dat de wegen in de omgeving van de woonkernen over het algemeen ouder zijn of even oud als de aanpalende percelen terwijl ze verderop tussen de woonkernen de percelen doorsnijden en dus als jonger moeten beschouwd worden [1].

Het wegennet te Hoegaarden. Volle lijn: wegen ouder dan de aanpalende percelen; stippellijn: wegen jonger dan de aanpalende percelen; grijze arcering: vroeg-middeleeuwse of middeleeuwse circulatiezones, gekenmerkt door overwegend oudere wegen.

Dat wijst er onder andere op dat Meldert en Hoksem oorspronkelijk noch onderling, noch met Hoegaarden verbonden waren, maar eerder als op zichzelf aangewezen entiteiten moeten beschouwd worden (cfr afbeelding)..

Daaruit kan men ook afleiden dat de wegen vertrekkend vanuit de onderscheiden dorpskernen ontstaan zijn en in het begin alleen maar gebruikt werden om de omliggende velden te bereiken, maar niet, of praktisch niet, om zich naar de naburige gehuchten te begeven.

Het toponymisch onderzoek van deze woonkernen laat toe te suggereren dat ze waarschijnlijk gegroeid zijn uit afzonderlijke vroeg-middeleeuwse woonkernen [2].

B. Meldert

De naam Meldert is afkomstig van Meldharation, een nederzettings-naam van oud-Germaanse oorsprong, zelf gebaseerd op de verdwenen waternaam Meldhara. Er bestaan meerdere redenen om aan te nemen dat Meldert een Merovingische oorsprong heeft. 

Het is bekend dat Sint-Bavo afkomstig is uit een belangrijke Haspengouwse familie [3]

Nadat hij zich onder invloed van Sint-Amandus tot het geestelijk leven had bekeerd en zijn goederen had weggeschonken is hij in de latere Sint- Baafsabdij te Gent ingetreden. Mogelijk is deze laatste toen in het bezit gekomen van Bavo’s (?) goederen Calmund (Chaumont-Gistoux) en Meldrada (Meldert), en als men zich mag steunen op de naam, ook Beauvechain of Bevekom. 

Mogelijk was ook het gehucht Babelom te Meldert een belangrijk deel van deze goederen. Algemeen wordt aangenomen dat Bavo kort na 650 overleden is. Ook de legende van Sint-Ermelindis, huidige patroonheilige van de kerk, legt een verband met de persoon van Bavo. Hij zou gepoogd hebben om Ermelindis in de kerk van Beauvechain te belagen toen ze daar vanuit Lovenjoel was aangekomen. Ermelindis zou daarna te Meldert zijn gestorven in het jaar 600 [4]

Hoe de echte verbanden tussen Bavo en Ermelindis waren is niet duidelijk. Ons lijkt het niet onwaarschijnlijk dat er in de 6de eeuw een voorname familie zou verbleven hebben te Beauvechain en/of in het gehucht Babelom en dat een lid van deze familie door haar bijzonder gedrag na verloop van tijd door het volk zou zijn gecanoniseerd. In het licht van die hypothese zou de oorsprong van de bewoning te Meldert mogelijk in Babelom moeten worden gezocht en kan men praktisch zeker een Merovingisch grafveld verwachten rond de kapel van Sint-Ermelindis [5]

Het patroon van oude wegen tussen Babelom en Meldert spreekt deze onderlinge relatie niet tegen hoewel deze werkhypothese vanzelfsprekend nog grondig zal moeten worden geverifieerd en bijgewerkt. Ze lijkt ons echter voldoende interessant om ze hier reeds weer te geven; in elk geval schept ze een theoretisch kader waarbinnen een eventueel archeologisch onderzoek naar een Merovingische bewoningskern met bijbehorend grafveld te Meldert zou kunnen worden doorgevoerd.

1. De Carolushove te Babelom

De huidige naam van de hoeve is recent; in 1614 werd ze t’ hof te Hoochberghe genoemd. Ze is gesitueerd op een hoogte op de rand van de Molenbeekvallei. Volgens de hogervermelde werkhypothese zou de oorsprong van deze hoeve mogelijk kunnen teruggaan op een Merovingische woonkern. In de 15de eeuw bezat de familie Pinnock er een belangrijke heerlijkheid. In 1505 verkocht Philippe Pinnock zijn goed aan Jan Van den Poele, afgevaardigde van Nicolas Ruster, voorheen provoost van het Sint-Pieterskapittel te Leuven, nadien bisschop van Atrecht. Het college van Atrecht, in 1508 door Ruster opgericht ten behoeve van de arme scolieren in de theologie en het canoniek recht, kwam aldus in het bezit van deze hoeve.  [6]

De meeste gebouwen dateren uit het midden van de 18de eeuw. De poort met duiventil geeft uit op de met witte kalkzandsteen geplaveide binnenkoer. Het woonhuis staat recht tegenover de poort. De stallen vormen de linkervleugel; rechts staat de grote langsschuur, die in 1875 werd opgetrokken. De charme van het site wordt in grote mate mede bepaald door vier oude lindebomen die het poortgebouw overschaduwen.

Het 18de-eeuwse woonhuis is opgetrokken in baksteen op een hoge sokkel in witte kalkzandsteen (Afb. 2). De hoekkettingen, de steigergaten en de omramingen zijn, of waren, in dezelfde steensoort uitgevoerd. Boven de overwelfde kelder ligt een verhoogd gelijkvloers en één verdieping.

De voorgevel was oorspronkelijk verdeeld in zeven gelijke traveeën. Het gelijkvloers was verlicht door hoge rechthoekige vensters, waarschijnlijk kloosterkozijnen. Op de verdieping hadden de kleinere ven- sters bredere beneden- en bovendorpels, deze laatste afgedekt met een druiplijst. Al deze vensters hadden rabatten voor luiken. De kelderruimten worden verlicht door lage rechthoekige keldergaten met bakstenen ontlastingsboog. De deur stond in de middenste travee.

Tijdens een verbouwing omstreeks 1900, waarbij de ganse gevel werd bepleisterd, heeft men de meeste 18de-eeuwse muuropeningen vergroot en vier vensters dichtgemetseld. De nieuwe vensters en de deur hebben boven- en benedendorpels in grijze kalksteen; de stijlen in witte kalk- zandsteen die men vandaag ziet werden pas aangebracht tijdens de res- tauratie van ca. 1978 [7] , waarbij men de op de hoeve nog aanwezige stenen van de uitgebroken 18de-eeuwse vensters opnieuw heeft gebruikt in de stijlen van de vergrote omramingen.

Meldert (Hoegaarden) Carolushoeve woonhuis voorgevel

De gemouleerde houten kornis met klossen dateert eveneens van omstreeks 1900 en vervangt of verstopt de dakoverkraging op voluutvormige houten modillons, versierd met diamantkoppen. Deze zijn nog steeds zichtbaar aan de achterzijde.

De achtergevel is verdeeld in zes ongelijke traveeën, met op het gelijkvloers een excentrisch opgestelde deur en vijf rechthoekige vensters in kalkzandsteen met rabatten voor luiken; er zijn negen keldergaten die beantwoorden aan evenveel traveeën in de kelder. Al deze elementen behoren tot de oorspronkelijke 18de-eeuwse bouw; op de verdieping zijn de vensters omstreeks 1900 vergroot, juist zoals in de voorgevel. Twee vierkante schouwen priemen doorheen de afwolvingen van het dak.

De kelder is toegankelijk via een korfboogdeur in de oostelijke zijgevel en is verdeeld in drieëntwintig traveeën, gescheiden door bakstenen korfbogen, waartussen telkens een troggewelf, opgebouwd uit ruitvormig geplaatste bakstenen. Deze traveeën zijn gegroepeerd in door muren gescheiden opslagruimten of ze vormen de centrale gang vanaf de deur. De kelder is eveneens toegankelijk vanuit de gang van de woning via een draaitrap.

Binnen is het gelijkvloers door de gang in twee verdeeld met zowel links als rechts twee grote kamers achter elkaar. Aan de voorzijde is de gang zeer breed en herbergt een monumentale houten trap. Voorbij de trap heeft de gang, eerder uitzonderlijk, een S-vormig verloop. In het achterste deel van de woning is hij nauwelijks zo breed als de achterdeur. Ter hoogte van de knik in de gang vertrekken trappen naar de kel- der en de zolder. De meeste deuren hebben rechthoekige panelen doch in de rechter voorkamer zijn de muurkasten aan weerszijden van de schouw in provinciaalse Régence-stijl.

Boven de korfboogvormige toegangspoort in bak- en kalkzandsteen bevindt zich een duiventil die afgedekt is met een mansardedak met peervormige bekroning en smeedijzeren windwijzer. Aan de straatzijde is het gebouw gedateerd ANNO 1760 terwijl de toegang tot de duiventil aan de neerhofzijde bestaat uit een steen met zeven vlieggaten onder een rondboog (Afb. 3).

De puntgevel van de stalvleugel aan de straatzijde is afgewerkt met muurvlechtingen, schouderstukken en een topstuk. Elke stal is afzonderlijk toegankelijk door een korfboogdeur in kalkzandsteen en, enkel aan de neerhofzijde, verlicht door kleine rechthoekige venstertjes. De stalgevel is bovenaan versierd met een overhoekse muizetandfries en voorzien van steigergaten in kalkzandsteen. De bakstenen troggewelven tussen de balken zijn op dezelfde wijze geconstrueerd als die van de kelder van het woonhuis. Het in 1935 vernieuwde dak is afgedekt met leien schalies met afgeknotte hoeken en vorstpannen met kam in geglazuurd rood aardewerk.

Afbeelding 3.

Meldert, Carolushoeve: koerzijde van de poort met duiventil, 1760 (Foto P. Reekmans).

Carolushoevepoort met duiventil, 1760 (Foto P. Reekmans).
De Sint Ermelindiskapel
Sint Ermelindis Kapel en Kerk (Meldert @ Hoegaarden ) ©beeldbank.onroerenderfgoed

Onder het Ermelindismausoleum in het midden van deze kapel bevindt zich een gemetselde grafkelder met aan de westzijde een halfrond hoofdeinde, afgedekt met grote dekstenen in witte kalkzandsteen [8]. In deze grafkelder ziet men het grondwater van de moerassige Molenbeekvallei, dat men uit het graf put voor het bekomen van genezingen. Deze grafkelder kan niet worden verklaard alleen in functie van het erboven gebouwde mausoleum en/of van de plaatselijke devotie: daarvoor zou immers een veel kleinere put volstaan. 

Daarom zijn we van mening dat het hier gaat om het graf van een belangrijk persoon uit de vroege middeleeuwen. Een verband met het bestaan van een Merovingische nederzetting te Meldert en met de persoon van Ermelindis achten we daarom niet uitgesloten.  

De oudste vermelding van de kapel dateert uit de 13de eeuw [9]. In de 14de eeuw wordt ze o.a. vermeld als Camer van Sente Ermelen. Het huidige gebouw werd in 1629 opgericht op initiatief van Jacobus d’Oyenbrugghe, heer van Meldert, omdat, volgens één van zijn brieven aan de aartsbisschop van Mechelen, les murailles sont entièrement pouries et caduques en dat de kapel dus volledig moest heropgebouwd worden du fon en comble, mesme les fondements.

Sint Ermelindis Kapel (Meldert @ Hoegaarden ) ©beeldbank.onroerenderfgoed.be

Het huidige gebouw is een zaalkapel met hexagonale apsis, opgetrokken in baksteen op een sokkel in herbruikt materiaal. De hoekkettingen, de speklagen, de kornis op kraagstenen, alle openingen en gemoulureerde delen zijn in witte kalkzandsteen. Deze laatgotische kapel werd in 1691 verfraaid met een barokke dakkapel, die nu gedemonteerd wacht op het reeds meer dan veertig jaar aanslepende restauratiedossier. Naar verluid zullen de werken echter nog dit jaar aanvangen. Waarschijnlijk werden alle andere sierelementen van de voorgevel (nissen, fronton met obelisk en IHS-monogram met drie nagels rond het H. Hart) op hetzelfde ogenblik aangebracht (Afb. 4). Mogelijk kunnen deze decoratieve elementen in verband worden gebracht met het predikingswerk van de Jezuiëten: hun aanwezigheid te Meldert is in elk geval gedocumenteerd voor 1627 en 1629.

Niet alleen het gebouw maar ook het meubilair werd volledig bekostigd door Jacobus d’Oyenbrugghe: het Ermelindismausoleum met een voorstelling in witte steen van de overleden Ermelindis, omringd door drie engelen (1649); het portiekaltaar met twee reliëfs, waarvan het eerste Ermelindis voorstelt in de kerk van Beauvechain met haar belagers op de achtergrond en het tweede haar weergeeft in de bossen van het eiland Meldert (1650); tenslotte vier reliëfs met voorstellingen uit het leven van Ermelindis, van haar verheerlijking en van genezingen die op haar voorspraak werden bekomen (ca. 1650) (Afb. 5). Dit meubilair is vervaardigd in zwarte kalksteen, rood marmer en witte steen voor de reliëfs. Overal komen inscripties en wapenschilden voor van de schenkers, Jacobus d’Oyenbrugghe en zijn echtgenote Anna de Berlo. In het vooruitzicht van de restauratiewerken heeft men op de muren rond de reliëfs en rond het altaar belangrijke resten blootgelegd van muurschilderingen die baldakijnvormige draperingen voorstellen.

Sint Ermelindis Kapel Voorzijde (Meldert @ Hoegaarden ) ©beeldbank.onroerenderfgoed
3. De Sint Ermelindiskerk.
Sint Ermelindis Kapel en Kerk (Meldert @ Hoegaarden ) ©beeldbank.onroerenderfgoed

Het is niet duidelijk of de kerk van Meldert een moederkerk was dan wel een halve kerk: in 1559 spreekt men van een halve kerk terwijl latere documenten uit de tweede helft van de 16de eeuw en de 17de eeuw haar de titel van moederkerk toekennen [10].

Het is echter belangrijk om dit gegeven nauwkeurig te onderzoeken omdat de titel van moederkerk kan wijzen op een ontstaan vóór het begin van de 9de eeuw [11]. We weten dat bisschop Reginard (1025-38) de tienden van de kerk van Meldert heeft toegewezen aan het kapittel van Sint-Bartholomeus te Liège, nadat hij ze zich in 1030 had toegeëigend, samen met andere goederen van de Gentse Sint-Baafsabdij [12]

Ook dit feit wijst weer naar de figuur van Bavo. Deze gegevens moeten worden gezien in de context van het mogelijk bestaan van een Merovingische nederzetting en van een mogelijke stichting van de eerste parochiekerk door één van de leden van die familie: heeft Bavo daarin een rol gespeeld en is de Sint-Baafsabdij te Gent via hem in het bezit gekomen van de Meldertse kerk? Na haar overdracht aan het Luikse kapittel werd ze toegewijd aan Sint-Bartholomeus.

Afbeelding 5.
Meldert, reliëf met de voorstelling van de opgraving van het gebeente van Sint-Ermelindis door Pepijn (te paard); op de achtergrond de bouw van de kapel, ca. 1650 (Foto M. Meurrens).

De Romaanse toren klimt op tot het einde van de 12de eeuw  (13).Hij behoort tot het type laat-Romaanse toren geflankeerd door de naar het westen verlengde zijbeuken (Afbeelding 6)

Daarvan bestaan er twee concen- traties, één in het Leuvense (Bierbeek, Hoksem, Jandrain, Kumtich, Leu- ven (Sint-Jacob en Sint-Kwinten), Meldert, Neerheylissem) en één in de Condroz ten zuiden van Andenne (14). Van de bogen die het torengelijkvloers in verbinding stelden met deze zijbeuken is alleen de zuidelijke boog met imposten zichtbaar gebleven. Hij is zeer klein in vergelijking met die van de andere vermelde kerken. Dat wordt verklaard door de aanwezigheid van twee traptorens, die toegang verschaften tot een tribune (15) op de eerste verdieping en tot de tweede verdieping. De deur van de nog gedeeltelijk bestaande zuidelijke traptoren bewaart belangrijke delen van een 13de-eeuwse deur met resten van ijzerbeslag. Er waren oorspronkelijk acht galmgaten met deelzuiltje in ijzerzandsteen met teer- lingkapiteel. Tengevolge van een gedeeltelijke instorting van de westge- vel van de toren zijn de westelijke galmgaten en één aan de zuidzijde in de tweede helft van de 16de eeuw gotisch omgebouwd

 (Afbeelding  7); ook de twee oostelijke werden toen op dezelfde wijze aangepast. De noord- en zuidmuur van de toren zijn ter hoogte van de tribuneverdieping versierd met een boogfries op lisenen; bovendien wijst een overgebleven boogaanzet erop dat deze versiering oorspronkelijk doorliep op de gootmuren

(13) DOPERÉ, F., Meldert, De Romaanse toren van de Sint-Ermelindiskerk, in Jaar- boek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, XIX, 1979, p. 75-94.

(14) GENICOT, L.-F., Les églises mosanes du XIe siècle, Livre I, Architecture et Société (Université de Louvain, Recueil de travaux d’histoire et de philologie, 4e série, fascicule 48), Leuven, 1972, p. 233-38. Genicot verklaart het bestaan van deze twee concentraties door de gemeenschappelijke afstamming van de kerken van Kumtich (Leuvense concentratie) en Sclayn (concentratie in de Condroz) van de abdij van Korne- limünster.

(15) De betekenis van een tribune in een dorpskerk is niet altijd duidelijk. Voor Meldert blijft deze vraag vooralsnog onbeantwoord aangezien geen gegevens bewaard bleven over de omstandigheden of drijfveren bij de bouw van de Romaanse kerk. Het is niet uitgesloten dat de betekenis eerder symbolisch was en dat men dit element in de landelijke architectuur gewoon had overgenomen van grotere of oudere bouwwerken (GENICOT, L.-F., Les églises romanes du pays mosan, témoignage sur un passé, Celles, 1970, p. 55- 63; GENICOT, L.-F., op. cit., p.275-77).

De Romaanse toren klimt op tot het einde van de 12de eeuw 13).Hij behoort tot het type laat-Romaanse toren geflankeerd door de naar het westen verlengde zijbeuken (Afb. 6). Daarvan bestaan er twee concen- traties, één in het Leuvense (Bierbeek, Hoksem, Jandrain, Kumtich, Leu- ven (Sint-Jacob en Sint-Kwinten), Meldert, Neerheylissem) en één in de Condroz ten zuiden van Andenne14). Van de bogen die het torengelijkvloers in verbinding stelden met deze zijbeuken is alleen de zuidelijke boog met imposten zichtbaar gebleven. Hij is zeer klein in vergelijking met die van de andere vermelde kerken. Dat wordt verklaard door de aanwezigheid van twee traptorens, die toegang verschaften tot een tri- bune15) op de eerste verdieping en tot de tweede verdieping. De deur van de nog gedeeltelijk bestaande zuidelijke traptoren bewaart belangrijke delen van een 13de-eeuwse deur met resten van ijzerbeslag. Er waren oorspronkelijk acht galmgaten met deelzuiltje in ijzerzandsteen met teer- lingkapiteel. Tengevolge van een gedeeltelijke instorting van de westge- vel van de toren zijn de westelijke galmgaten en één aan de zuidzijde in de tweede helft van de 16de eeuw gotisch omgebouwd

 (Afbeelding  7); ook de twee oostelijke werden toen op dezelfde wijze aangepast. De noord- en zuidmuur van de toren zijn ter hoogte van de tribuneverdieping versierd met een boogfries op lisenen; bovendien wijst een overgebleven boogaanzet erop dat deze versiering oorspronkelijk doorliep op de gootmuren

(13) DOPERÉ, F., Meldert, De Romaanse toren van de Sint-Ermelindiskerk, in Jaar- boek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, XIX, 1979, p. 75-94.


(14) GENICOT, L.-F., Les églises mosanes du XIe siècle, Livre I, Architecture et Société (Université de Louvain, Recueil de travaux d’histoire et de philologie, 4e série, fascicule 48), Leuven, 1972, p. 233-38. Genicot verklaart het bestaan van deze twee concentraties door de gemeenschappelijke afstamming van de kerken van Kumtich (Leuvense concentratie) en Sclayn (concentratie in de Condroz) van de abdij van Korne- limünster.


(15) De betekenis van een tribune in een dorpskerk is niet altijd duidelijk. Voor Meldert blijft deze vraag vooralsnog onbeantwoord aangezien geen gegevens bewaard bleven over de omstandigheden of drijfveren bij de bouw van de Romaanse kerk. Het is niet uitgesloten dat de betekenis eerder symbolisch was en dat men dit element in de landelijke architectuur gewoon had overgenomen van grotere of oudere bouwwerken (GENICOT, L.-F., Les églises romanes du pays mosan, témoignage sur un passé, Celles, 1970, p. 55- 63; GENICOT, L.-F., op. cit., p.275-77).

– 225 ·
Afbeelding. 6. Meldert, Sint-Ermelindiskerk: noordzijde toren met Romaanse galmgaten en 16de-eeuwse steunbeer, aangebracht na de afbraak van de Romaanse traptoren (Foto P. Reekmans).

van het inmiddels afgebroken Romaanse schip. Uit een verbouwingsontwerp van 1778 en uit een tekening in het Typographie boeck van de abdij van ‘t Park blijkt dat deze kerk een overwelfd laat-Romaans tran- sept had: de pilasters van de vieringpijlers hadden een rechthoekige sectie en er waren hoekschalken (Afb. 8-9)16). Uit de afstand tussen de toren en deze kruisbeuk kunnen we afleiden dat de Romaanse middenbeuk drie traveeën had. Over de vorm van het Romaanse koor is niets bekend (Afb. 10).

(16) DOPERÉ, F., De St.-Ermelindiskerk, in Meldert…, op.cit., p. 220-264; Arch. Park- abdij, TA.

Afb. 7. Meldert, Sint-Ermelindiskerk: toren vanuit het zuidwesten met de in de 16de eeuw gereconstrueerde delen (Foto M. Meurrens).

-227-


Afb. 8. Meldert, Sint-Ermelindiskerk: niet-uitgevoerd verbouwingsontwerp van 1778. In het zwart de delen die zouden bewaard blijven (Brussel, ARA., KA., 28480; copyright Brussel ARA.).

– 228-
KERCREVAN
melderl
Afb. 9. Meldert, voorstelling van de kerk in het Typographie boeck van Libert de Pape, 1665 (Arch. Parkabdij, TA; foto M. Meurrens).
verhuisde het naar de kerk van Meldert. In de portiek wordt de tenhe- mélopneming van Maria voorgesteld in hoogreliëf en bovenaan de H. Drievuldigheid. In de nissen boven de twee zijdeuren staan beelden van Sint-Augustinus en van de H. Agnes, die verwijzen naar de oorspronkelijke opdrachtgevers uit Tienen.
Het rechter portiekaltaar dateert waarschijnlijk grotendeels uit de 18de eeuw. De kluis waarin het neogotische schrijn van Sint-Ermelindis wordt bewaard is er vermoedelijk omstreeks 1849 aan toegevoegd18), Het oorspronkelijke schrijn werd reeds in 1236 geplunderd en de relikwieën toen in een nieuw schrijn overgebracht. Dit 13de-eeuwse schrijn bevindt zich nu in de kathedraal van Amiens en bevat de relikwieën van de H.Firmin (Afb. 12). Het werd in 1849 verkocht toen men de relik- wieën van Sint-Ermelindis had overgebracht in het huidige neogotische schrijn, vervaardigd door F.H. Van Beveren-Moons, zilversmid te
(18) DOPERÉ, F. en de LANDSHEERE, R., Jaergetijde Boek, in Meldert…, op. cit., p. 260-64.

229
annn
Afb. 10. Meldert, Sint-Ermelindiskerk: reconstructie ca. 1200 (Tekening H. Doperé, 1983).
Mechelen (Afb. 13)19). Het linker portiekaltaar werd in 1848 gecopieerd op het rechter en is toegewijd aan O.L.Vrouw20).
Het orgel werd gebouwd door Charles Rifflart en dateert van 1821. Het staat op een doksaal uit 1785 en vervangt een ouder instrument. Waarschijnlijk is het huidige tweemanualig orgel het grootste instru- ment dat Rifflart ooit heeft gebouwd en totnogtoe ook het oudst bekende (Afb. 14)21).
Uit de oude kerk zijn twee biechtstoelen in Régence-stijl (eerste helft 18de eeuw) bewaard gebleven; na de vergroting van de kerk hebben de gebroeders Goyers uit Leuven in 1857 twee nieuwe biechtstoelen gemaakt22). Overigens getuigt het ensemble van het 19de-eeuwse
19) DOPERÉ, F., Zekerheden en vragen omtrent de identificatie van het 13de-eeuwse Sint-Ermelindisschrijn van Meldert, in Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, XXIX, 1989, p. 47-69; HOLSBEEK, D., Reliekschrijn, in Meldert…, op. cit.,
p. 290-94.

(20) Ze voetnota 18.
21) PRAET, W., Het orgel, in Meldert…, op. cit., p. 279-85.
22) Zie voetnota 18.

230-
Afb. 11. Meldert, hoofdal- taar door Michiel Van der Voort de Oude, 1722-24 (Foto M. Meurrens).
meubilair van een hoogstaande kwaliteit (preekstoel, kruisweg van 1873 door F. Malfait).
De kerk bewaart een niet-homogene calvariegroep uit de eerste helft van de 16de eeuw23), die oorspronkelijk waarschijnlijk aan de ingang van het oude koor op de trabes ocalis, de triomfbalk, stond opgesteld. Tot in 1984 hing deze calvarie buiten; toen werd hij uit veiligheidsoverwegingen voorlopig in het koor geplaatst.
Het mausoleum in zwarte kalksteen van Jacobus d’Oyenbrugghe de Duras en van zijn echtgenote Anna de Berlo bevindt zich nog steeds op
23) HOLSBEEK, D., Calvarie, in Meldert…, op. cit., p. 287-90.

231
Afb. 12. Het 13de-eeuwse schrijn van Sint-Ermelindis (Foto M. Meurrens).
zijn oorspronkelijke plaats, nl. in de middenbeuk op de plaats van de voormalige viering van de gesloopte Romaanse kerk, vlak voor de kooringang (24). Vermoedelijk heeft het mausoleum van Lybrecht van Meldert (†1484) ook op dezelfde plaats gestaan en is het Jacobus d’Oyenbrugghe die, na de dood van zijn echtgenote in 1639, de bovenste plaat van dat mausoleum met de voorstelling in reliëf van Lybrecht van Meldert tegen de muur van het torengelijkvloers heeft laten opstellen.
(24) DOPERÉ, F., Akkoord voor de verbouwing van de kerk, in Meldert…, op. cit., p. 257-58; MULIER, K., Grafmonument van Jacobus d’Oyenbrugghe (1604-†1651) en zijn echtgenote Anna de Berlo (†1639), in Meldert…, op. cit., p. 121-24; Id., Grafmonument van Lybrecht (IX) van Meldert (1425-†1484), in Meldert…, op. cit., p. 115-19.

232-
FREDE
Afb. 13. Meldert, schrijn van Sint-Ermelindis door F.H. Van Beveren-Moons, 1849 (Foto E. Saelmaekers).
De oudste klok dateert van 1783 en werd gegoten door J. en N. Simon en C. de Forest. Op de flank loopt een wijnrankfries, onderbroken door Franse lelies; daaronder bevindt zich het hiernavolgende opschrift in drie banden; waar de tekst van de ene band op de andere overgaat duidt een handje op merkwaardige wijze het vervolg aan:
+ PHILIPPINA NOMINOR. PATRINIS MIHI EST ILL(USTRISSIMU)S. D(OMINUS). JOANNES JOSEPHUS PHILIPPUS COMES VAN DER NOOT ET DE DURAS. BARO DE MELDERT/ MATRINA ILL(USTRIS- SIMU)S. DOM(ICE)LLA ANNA THERESIA PHILIPPINA COMITISSA DYVE. ME FIERI CURAVIT D(OMINUS). BARO. D.J.F. COLPAERT PASTOR ET COMUNITAS FECIT J. ET N. SIMON AC C. DE FOREST. MENSE XBRIS 1783.
Eronder staat een Madonna met Kind en een Crucifix op een trapvormige heuvel, opgebouwd met dezelfde fries als hoger. De tweede klok, Ermelindis, werd in 1950 gegoten door Michiels Jr. uit Tournai.

 

233
Afb. 14. Meldert, orgel door Charles Rifflart, 1821 (Foto M. Meurrens).

4. DE PASTORIJ
De pastorij is opgetrokken in baksteen op een hoge sokkel in witte kalkzandsteen (Afb. 15). De venster- en deuromramingen en de steig- ergaten zijn uit dezelfde steensoort gehouwen. Het gebouw bestaat uit twee bouwlagen van elk vijf traveeën boven een overwelfde kelder. In de voor- en de achtergevel zijn de deur en de vensteropeningen seg- mentboogvormig afgedekt en voorzien van rabatten voor luiken. De deur in de middenste travee geeft uit op de gang die het interieur op klassieke wijze in twee delen verdeelt. Het gebouw is afgedekt met een wolfdak; de schouwen steken boven de zijgevels uit. Op de nok staat een dakruiter met een klok, waarvan het opschrift de gieter aan- geeft: SERGEYS-VANAERSCHODT LOUVAIN. De pastorij is geda-

– 234-
Afb. 15. Meldert, pastorij, 1779.
teerd op de pijlers in witte kalkzandsteen van het smeedijzeren hek: ANNO 1779. Aan de oostzijde werd in de 19de eeuw een vleugel bijgebouwd.
De binnendecoratie is gekenmerkt door Lodewijk XV- en Lodewijk XVI-elementen. De meeste eiken deuren hebben rechthoekige panelen, de deur tussen de twee linker vertrekken is echter in provinciaalse Régence-stijl. Op de plafonds is lijstwerk in stuc aangebracht; de schouwmantels zijn versierd met eenvoudige rocaille-motieven. In het rechter salon aan de achterzijde heeft men een tiental jaren geleden op de schouwmantel een naïeve muurschildering ontdekt die de gekruisigde Christus voorstelt tussen bomen vóór de stad Jerusalem als achtergrond. De wanden van dit salon zijn opgesmukt met schilde- ringen op doek, bevestigd in een houten raamwerk: neoclassicisti- sche bloemenvazen op consoles staan er in een geschilderde lijst met o.a. rocaille-motieven; aan die lijst hangen bloemenslingers waar- tussen ook vogels en vlinders zijn afgebeeld. De schilderingen zijn uitgevoerd in schitterende kleuren tegen een effen grijze achtergrond.

235 

― 

  1. DE DONJON VAN DE HEREN VAN MELDERT25

De eerste vermelding van de heren van Meldert dateert van 1279. In 1293 verbleef ridder Iwein van Meldert op een hof waar hij, vol- gens een overeenkomst met hertog Jan I, tussen 1294 en 1296 een kapel oprichtte: capellania, in mansione ipsius nostri militis, per eundem jam extructa apud Meldert. Jan en zijn broer Raoul van Meldert stonden in 1341 een huis, dat afhing van de hertog van Brabant en gelegen was te Meldert, af aan ridder Gautier vander Quaderbruggen. Pas in 1408 verschijnt de term versterkte woning in de documenten: de goederen die hadden toebehoord aan deze laatste werden verworven door een zekere Hendrik van Wencsele. Zij om- vatten een fortallicium dictum blochuys met grachten en een toegangs- weg

Hieruit blijkt dus dat men op het ogenblik van het ontstaan van een nieuw leen niet onmiddellijk begon met de bouw van een donjon: de leenman zal over het algemeen eerst een tijd boeren om het nodige kapi- taal te vergaren vooraleer hij er kon aan denken om een dergelijk koste- lijk stenen bouwwerk op te trekken26). Daarom ook reflecteren de grootte en de kwaliteit van deze gebouwen meestal de relatieve politieke en/of monetaire macht van de bouwheren

Lybrecht van Meldert ontving in 1392 van hertogin Johanna van Brabant de hoge, de midden en de lage rechtspraak over Meldert en Budingen. Hij is de eerste van Meldert die expliciet wordt vermeld in verband met de donjon: in 1433 had de verdeling plaats van zijn 

25) DOPERÉ, F., Meldert (Brabant), De gotische donjon van de heren van Meldert, Architecturaal onderzoek, in Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, XXI, 1981, p. 243-62; Id., Meldert (Brabant), De donjon van de heren van Meldert, Archeologisch onderzoek, in Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, XXIII, 1983, p. 139-97; Meldert, op. cit.; DOPERÉ, F., De donjon van de heren van Meldert, in Het Brabants kasteel, 3/4, 1984, p. 3-16; DOPERÉ, F. en UBREGTS, W., De donjon in Vlaanderen, Architectuur en wooncultuur (Acta Archaeologica LovaniensiaMonographiae, 3), BrusselLeuven, 1991

  1. p. 199

26) Het meest illustratieve voorbeeld in Brabant van deze evolutie is het kasteel Horst te SintPietersRode (DOPERÉ, F. en UBREGTS, W., op. cit., p. 230-33). We hebben dit fenomeen eveneens beschreven voor Limburg (DOPERÉ, F. en UBREGTS, W., Torenburchten in Limburg: militair en/of residentieel?, in Archeologie in Limburg, 55, 1993, p. 1-7)

– 236
Afb. 16. Meldert, donjon, tweede helft 14de eeuw (Foto M. Meurrens).
goederen tussen zijn zoon Lybrecht van Meldert (1425-†1484) en diens zuster Margareta. Lybrecht ontving alle goederen te Meldert met de donjon: cesserunt praedicto Liberto omnia bona in Meldert cum forta- litio. Deze Lybrecht was afwisselend burgemeester, schepen en raadslid van Leuven. Tussen 1456 en 1463 was hij raadslid van Brabant onder Philips de Goede.
Van de donjon van Meldert zijn slechts de kelder en het erboven liggende ontvangstniveau bewaard (Afb. 16). De kelder is overkluisd met een tongewelf en is toegankelijk door een val, gesitueerd vlak achter de deur; de huidige stenen trap is waarschijnlijk de verstening van de oorspronkelijke houten. De kelder is verlicht door één licht- spleet. Een deur met rondboogtimpaan verschaft toegang tot het

– 237
ontvangstniveau. Vooraleer men vanop de verhoogde begane grond bij deze deur aankwam was men buiten de donjon reeds over een ophaal- brug, door een deur en over een kort houten platform gelopen. Als elementen van de bewoning vindt men op het ontvangstniveau de verbrande resten van een schouw, aan weerszijden geflankeerd door een venster met een zitbankje, voorzien van duimen en grendelgaten voor binnenluiken. Het kruisribgewelf benadrukte vooral het repre- sentatief karakter van het interieur. Een systematisch onderzoek naar de aanwezigheid van deze gewelven in donjons heeft immers aan- getoond dat ze steeds voorkomen in de vertrekken waar een vreemde bezoeker het eerst terechtkwam: in de meeste gevallen op de eerste verdieping maar soms ook op het gelijkvloers als de deur daar op uit- mondde27). De wenteltrap is ter hoogte van de kelder vol en bediende dus alleen de hoger gelegen residentiële en nachtelijke niveaus. Wegens het ontbreken van een latrine kunnen we het nog bewaarde bewoonbare niveau niet als zuiver residentieel beschouwen. Daaruit dienen we dan ook te besluiten dat aan deze donjonruïne twee verdie- pingen en een zolder ontbreken. De uitkragende latrine moet men op het residentieel niveau situeren, dus juist boven het nog bewaarde ontvangstniveau.
Gezien de kleine binnenafmetingen (4,55 x 4,60 m), het eerder bekrompen karakter van de bewoningselementen en vermits men bovendien weet dat Lybrecht van Meldert beschikte over woningen te Brussel aan de voet van het paleis van de Bourgondische hertogen28) en te Leuven

(29) kan men terecht aannemen dat hij slechts nu en dan in de donjon van Meldert zal verbleven hebben. Deze laatste zal dus vooral als sta- tussymbool van de heerlijkheid hebben gefungeerd.
De op historische en architecturale gronden voorgestelde datering in de tweede helft van de 14de eeuw wordt bevestigd door een re-


(27) DOPERÉ, F. en UBREGTS, W., De donjon in Vlaanderen…, op.cit., p. 87.
(28) Het hotel Meldert werd in 1356 opgetrokken; het werd later het hotel Ravenstein, de enige adellijke woning die nu nog gedeeltelijk vlakbij het Koningsplein bestaat (SMO- LART-MEYNART, A., Van de oorsprong tot Karel V, in Het paleis van Brussel, Acht eeuwen kunst en geschiedenis, Brussel, 1991,
p. 85-86).
(29) Het Hôtel de Meldert lag op de hoek van de Sint-Antoniusberg en de Naamsestraat. De tweede echtgenote van Lybrecht, Katherina Pynnock, heeft haar woning overgemaakt aan het klein college van de Heilige Geest (VERSTRAETE, B. en CRETEN, L., De heren van Meldert, Historiek, in Meldert…, op. cit., p. 40-44).

238-
Afb. 17. Hoksem, kerk Sint- Jan-Evangelist.
cent doorgevoerd onderzoek van de behouwing van de kalkzandsteen: dit wijst erop dat de bouw uiterlijk vóór ca. 1425 moet worden gesitu- eerd.
6. DE WATERMOLEN VAN MELDERT (30)
In het document van 1408 waarin de donjon voor het eerst wordt vermeld vindt men ook de oudste vermelding van de watermolen terug: hij was in het bezit van Gautier vander Quaderbruggen. In 1426 was

(30) DOPERÉ, F., 650 jaar industriële archeologie…, De watermolens te Hoegaarden, Een technisch-historische benadering, in Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, XXXI, 1991,
p. 3-86.

239-

Lybrecht van Meldert er de eigenaar van. Zowel Lybrecht, vader, als zijn zoon hadden de watermolen in erfpacht van de hertog. Lybrecht, zoon, had hem echter laten vervallen en weigerde derhalve de verschul- digde cijns aan de hertog te betalen. Deze verplichtte hem echter de molen te laten herstellen en te onderhouden en bovendien ook de cijns te betalen. In 1724 huurde Philippe Chaltain van Philippe François Vander Noot de grote vijver en het terrein waar eens de molen had gestaan. Hij moest de molen wederopbouwen en de vijver uitdiepen en vermits hij al die werken op eigen kosten had uitgevoerd vond hij dat de heer van Meldert geen eigendomsrechten meer op de molen kon laten gelden.
Vanaf 1860 hadden de molengebouwen hun huidige schikking. De molen-molenaarswoning en de schuur-stallingen liggen evenwijdig met elkaar aan weerszijden van een binnenkoer. De gebouwen zijn opgetrok- ken in baksteen. De omramingen van de rechthoekige vensters met rabat, de deur, de halfronde vensters in de zijgevels van de molen en de hoekkettingen zijn in witte kalkzandsteen. Boven de deur bevindt zich het wapenschild van de familie d’Oyenbrugghe, die de heerlijkheid Meldert heeft bezeten van de 16de tot de 18de eeuw. De schuur en de stallingen zijn omgebouwd tot woning. Origineel zijn nog de grote rond- bogige poort van de schuur, twee korfboogvormige staldeurtjes en de halfronde vensters. Het molenmechanisme is verdwenen. De aandrijving bestond uit een eiken bovenslagrad; er waren twee maalkoppels, een buil en een haverpletter. In 1901 werd een benzinemotor in gebruik genomen en in 1922-23 installeerde men een gaz-pauvre-motor. Nadat de molenboom in 1925 was gebroken bracht men in 19
27 alle maalactiviteiten over naar de molen bij de kerk.

C. HOKSEM
Dit gehucht heeft een Germaanse naam, samengesteld uit een eigen- naam, waarschijnlijk Hoc of Hoga en haima, heem of woning. Hoksem betekent dus woning van Hoc. We achten het niet uitgesloten dat één van de voorouders van Jan van Hoksem er een eerste kapel zou hebben gebouwd. In 1344 immers, en in een gewijzigde vorm in 1347, maakte Jan van Hoksem bij testament zijn familiegoederen over aan een nieuw op te richten kapittel van acht kannuniken, waardoor hij de Romaanse

 

^
240-
kapel tot collegiale kerk verhief(31). Daarom lijkt het waarschijnlijk dat de nog bestaande kapittelgebouwen (kapittelhuis en watermolen) staan op dit voormalige goed van de van Hoksems en dat de nabij gelegen pri- mitieve kapel hun eigenkerk was.


1. DE KERK VAN SINT-JAN-EVANGELIST(32)
a. De Romaanse kapel
Van de oorspronkelijke Romaanse kapel blijft alleen de westtoren over. Hij bestaat uit vier bouwlagen (Afb. 17). Het gelijkvloers gaf oor- spronkelijk niet alleen uit op de middenbeuk maar ook op de zijbeuken die, zoals o.a. te Meldert, doorliepen tot gelijk met de westmuur van de toren (Afb. 18). De geringe hoogte van deze drie bogen wijst erop dat de vloer van de kerk sinds haar oprichting op het einde van de 12de eeuw sterk is opgehoogd, o.a. tengevolge van de alluviatie van de Molenbeek. Het gelijkvloers en de eerste verdieping van de toren zijn opgetrokken in kwartsiet van Overlaar, de tweede verdieping en ook de eenvoudige rondbogige galmgaten zijn in kalkzandsteen. De onregelmatige over- gang tussen de twee bouwmaterialen stelt een probleem en wijst moge- lijk op twee bouwcampagnes. Later heeft men de toren voorzien van een nieuwe spits, bekroond met een haan en een hen: deze eigenaardigheid is het gevolg van het rechthoekige grondplan van de toren waardoor de spits een korte nok vertoont.
De resultaten van de opgravingen uitgevoerd tijdens de restauratie van 1967-69 o.l.v. Prof. Dr. R. Lemaire, gecombineerd met muurwerkarcheologie, laten toe een reconstructie van de Romaanse kapel voor te stellen, zij het met nog enkele onzekerheden voor bepaalde details (Afb. 19).

(31) VANDER VELPEN, J., Rondom de stichting van de collegiale kerk van Hoksem, in Eigen Schoon en de Brabander, XXXVI(5-6), 1953, p. 154-64; Id., Geschiedenis van Hoegaarden, Hoegaarden, 1981, p. 49-50.
(32) Voor oudere artikels gewijd aan de bouwhistoriek van deze kerk verwijzen we naar: VAN GRAMBEREN, A., L’ancienne collégiale de Hoxem, in Bulletin des métiers d’art, 1, 1901-02, p. 370-75; DOPERÉ, F. en J., Bijdrage tot de kennis van de Romaanse kerken uit onze streken, in Alpaïdis, 7(22), 1971, p.16-19; HALFLANTS, J., Aantekenin- gen bij de excursie van 24 mei 1970, in Mededelingen van de Geschied- en Oudheid- kundige Kring voor Leuven en omgeving, X, 1970, p. 244-50; LEMAIRE, R.M. (o.l.v.), Bouwen door de eeuwen heen, Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen, Architec- tuur, deel 1, Provincie Brabant, Arrondissement Leuven, Liège, 1971, p. 161; Archief

241

Afb. 18. Hoksem, kerk Sint-Jan-Evangelist: gelijkvloers toren naar het noordwesten, einde 12de eeuw. De dichtgemetselde rondboog rechts gaf uit op de noordelijke zijbeuk; de oculus dateert van de restauratie van 1967-69 (Foto P. Reekmans).
De Romaanse middenbeuk bevond zich precies op de plaats van de huidige. Uit de plaats van de fundering van de zuidelijke pijler kan men concluderen dat deze beuk twee traveeën omvatte van ongelijke afme- tingen. De breedte van de zijbeuken kan men afleiden uit het bewaarde muurpand in de oostmuur van de noordelijke transeptarm. Men ziet er duidelijk de dichtgemetselde rondboog van de noordelijke zijapsis. Toch moet men waarschijnlijk aannemen dat deze zijbeuken twee fazen heb- ben gekend: de opgegraven funderingen van de zuidelijke zijbeuk (Afb. 19, a) zijn niet compatibel met de breedte van de hoger vermelde rondboog, noch met die van de rondboog rond de huidige ingang van de kerk. De oorspronkelijke hoogte van het dak van de zijbeuken kan men afleiden uit de plaats van de weggehakte druiplijst boven de dichtgemet- selde bogen van de toren.
K.U.Leuven, Coll. R.L., 995/2/8 en 9. We bereiden een monografie voor over de historiek van het kapittel en de kerk, evenals een inventaris van het kunstpatrimonium; C. Van- thillo zal de kunsthistorische analyse van het beeldenpatrimonium verzorgen; W. Praet zal het orgel aan een technisch onderzoek onderwerpen; J. Sergeys voert het campanolo- gisch onderzoek van de drie klokken uit. Al deze bijdragen zullen worden gepubliceerd in een boek gewijd aan de geschiedenis en het kunstpatrimonium van Hoksem.

Afb. 19. Hoksem, kerk Sint-Jan-Evangelist: plan met reconstructie Romaanse kapel. 1: opgegraven funderingen; 2: einde 12de eeuw; 3: ca. 1350; 4: tweede helft 14de eeuw of begin 15de eeuw; 5: 16de of 17de eeuw; 6: opvullingen na de afbraak van de westelijke delen van de zijbeuken.

243
De ongelijke afmetingen van de traveeën vragen om een bijkomende verklaring. De oostelijke traveeën van de zijbeuken van de kerk te Wierde leiden een afzonderlijk bestaan als zijkoor met halfronde apsis33); te Neerheylissem zijn de oostelijke traveeën van de zijbeuken uitgebouwd tot grotere vierkante traveeën die ook een halfronde apsis voorafgaan. We menen dat een gelijkaardig systeem ook voor de Ro- maanse kapel te Hoksem kan gepostuleerd worden: de korte, vierkante oostelijke traveeën in de zijbeuken kunnen dan worden geïnterpreteerd als kleine zijkoren met apsis.
De opgravingen hebben ook de funderingen van het rechthoekige hoofdkoor met halfronde apsis en een rechthoekig altaar aan het licht gebracht.
b. De 14de eeuw

De Romaanse middenbeuk werd afgebroken en vervangen door een gotische met vier bovenlichten, waarschijnlijk iets eerder dan de oprich- ting van het gotisch koor. Tegelijkertijd heeft men ook het dak van de zijbeuken verhoogd; dat kan men afleiden uit de hoogte van de wegge- hakte druiplijst onder de dichtgemetselde gotische bovenlichten. De dak- helling boven de boog van de noordelijke zijapsis beantwoordt eveneens aan deze nieuwe bedaking. Daarom lijkt het niet onmogelijk dat de op het plan gereconstrueerde zijbeuken met zijkoren pas tijdens deze bouw- campagne zouden tot stand gekomen zijn.
Tengevolge van de oprichting van het kapittel mag men aannemen dat het huidige koor te Hoksem omstreeks 1350 werd gebouwd (Afb. 20). Dit grote rechthoekige koor in kalkzandsteen is overkluisd met een spits houten tongewelf. Het hoog gotisch raam in de oostmuur is geflankeerd door twee ondiepe nissen (de consoles en baldakijnen zijn recent). Links bevindt zich het armarium onder een spitsbogig timpaan, versierd met een kruis in relief. In de zuidmuur zijn er drie kleinere ramen, waarvan het nog originele maaswerk is opgebouwd uit twee driepasbogen waar- boven drie driepassen; de deur naar het kerkhof onder het middenste raam heeft een rondbogig timpaan zoals de 14de-eeuwse donjon te Mel- dert. Men heeft in dezelfde muur ook een spitsboogvormige lavabonis,
(33) GENICOT, L.F., La tour seigneuriale et l’église romane de Wierde, in Annales de la Société Archéologique de Namur, 54, 1967, p. 109-158.

·244-
Afb. 20. Hoksem, koor, ca. 1350.
versierd met een driepasboog, uitgespaard. In de noordmuur is er slechts één raam omwille van de aanwezigheid van de sacristie, die tegelijkertijd met het koor werd gebouwd: de afgeschuinde plint aan de buiten- zijde loopt zonder onderbreking door over beide bouwsels. De schouderstukken van de puntgevels van het koor waren reeds van in het begin versierd met pinakels doch de huidige zijn copiën in Euvillesteen34). Door zijn algemene structuur, het houten gewelf, het maaswerk van het grote raam en de kruisvormige lichtspleet van de zolder vertoont het koor van Hoksem een duidelijke verwantschap met het oostelijk deel van de kerk van het Groot-Begijnhof te Leuven, waarvan de bouw in

(34) Archief Gemeentehuis Hoegaarden, doos 861.3.

245

1305 werd aangevat en tijdelijk werd onderbroken in de loop van de 14de eeuw35).
De westmuur van het koor met de triomfboog is niet verbonden met de zijmuren van het koor. Bovendien zijn de pilasters van de triomfboog constructief verbonden met die van de grote spitsbogen tussen de mid- denbeuk en de transeptarmen. Dit wijst erop dat deze drie bogen gelijktijdig, doch na de bouw van het koor tot stand gekomen zijn. Toch is het niet bewezen dat men hier werkelijk van een afzonderlijke bouwcam- pagne mag spreken. Wellicht is de verbouwing van de middenbeuk tot viering eerder op te vatten als een onderdeel van één enkel bouwcon- cept, waarvan de realisatie begonnen was met de oprichting van het koor en waarvan de uitvoering in een aantal fazen is gerealiseerd. Mogelijk heeft de werf van de kerk van O.L. Vrouw-ten-Poel te Tienen inspirerend gewerkt op het nieuwe plan te Hoksem, waarin nu ook een echt schip ontbreekt: te Tienen was Jacob van Gobbertingen sedert 1383-84 begon- nen aan de onderbouw van de westelijke vieringtoren en in 1391-92 werkte men er aan één van de grote vieringpijlers36). De twee transept- armen te Hoksem blijken niet tegelijkertijd te zijn opgericht. Op grond van de behouwing van de kalkzandsteen kan men besluiten dat de zuidelijke transeptarm zeker vóór ca. 1425 werd opgericht, waarschijnlijk op het ogenblik dat men de triomfboog en de twee grote spitsbogen optrok. Dit zou ook verklaren waarom de oostmuur van de zuidelijke Romaanse zijbeuk niet bewaard bleef. Bij deze verbouwing bleven de bovenlichten van de gotische middenbeuk bewaard; wel gaan ze daar- door gedeeltelijk schuil achter het dak van het transept. De originele tracering van het transeptraam bestaat uit drie lancetten versierd met driepasbogen.
De opgravingen hebben ook aangetoond dat de ingang van het koor was afgesloten door een stenen doksaal met drie bogen; vóór de linker boog stond een altaar opgesteld (Afb. 21).

(35) BERGMANS, A. en DE MAEGD, C., in samenwerking met OLYSLAGER, W.A. en VANDE GAER, D., De Sint-Jan-de-Doperkerk van het Groot Begijnhof in Leuven, in M & L, Monumenten en Landschappen, 4(4), 1985, p. 6-28.

(36) DOPERÉ, F., La collégiale Saint-Germain à Tienen (Belgique), in Actes du VIIIe Colloque International de Glyptographie d’Hoepertingen EUREGIO, Braine-le-Château, 1992, p.143-215.

 

246-

Afb. 21. Hoksem, funderingen koordoksaal en altaar (Foto M. Verbeke).
c. Het noordelijk transept
De behouwing van de kalkzandsteen van de noordelijke transeptarm wijst op een datering vanaf het laatste kwart van de 15de eeuw of later; het maaswerk van het venster is vernieuwd. Deze late datering heeft voor gevolg dat we moeten aannemen dat de noordelijke Romaanse of gotisch verbouwde zijbeuk een tijd lang samen met de tot viering omge- bouwde middenbeuk heeft bestaan. Dit kan alleen als men aanneemt dat deze zijbeuk toen een kleine puntgevel had ter hoogte van de spitsboog van de middenbeuk: boven deze spitsboog bevindt zich inderdaad een balkgat voor de nokbalk van deze puntgevel.
d. Latere verbouwingen
Dichtgemetselde bogen in de westmuren van beide transeptarmen wij- zen erop dat de westelijke uiteinden van de zijbeuken nog een tijd lang samen met de transeptarmen hebben bestaan. Na hun afbraak heeft men de toren van twee steunberen in kwartsiet voorzien.
Tijdens de jongste restauratie werd de orientatie van de kerk gewij- zigd: het altaar verhuisde naar de voormalige middenbeuk zodat het nu

-247

zowel vanuit het koor als vanuit beide transeptarmen zichtbaar is. Toen heeft men ook de ganse kerk ontpleisterd. Bij die gelegenheid kwamen op de oostwand van de toren schaarse resten aan het licht van een muur- schildering die waarschijnlijk het Laatste Oordeel voorstelde. Deze res- ten en het ruwe parement van het volle muurwerk wijzen erop dat deze kerk in de middeleeuwen bepleisterd en beschilderd was.
e. Beelden en meubilair
Tot de belangrijkste kunstwerken van deze kerk rekenen we een reeks gepolychromeerde houten beelden: een Sint-Jan-Evangelist, afkomstig van één van de bronnen bij de kerk (Brabant, ca. 1400) (Afb. 22)37), een tweede Sint-Jan-Evangelist (begin 16de eeuw) (Afb. 23), een Madonna en Kind op de maansikkel (Brabant, begin 16de eeuw) (Afb. 24)38), een Sint-Lambertus (16de eeuw) en twee cherubijnen (17de eeuw) in de nis- sen van het koor.
Onder de toren ligt de grafzerk van kannunik Florentius Cauwerhuis. Zeer uitzonderlijk is deze plaat in kalkzandsteen. Een kelk in reliëf en een wapenschild in een vierpas op elke hoek zijn de enige versieringen. Het randschrift in gotische minuskels, dat plaatselijk is weggesleten, luidt als volgt:
+ hic. iacet. d(omi)n(u)s / florentius. cauwerhuis. quodam . d(eca- nus?). collegii. qui . obiit ./ a(n)no. d(omi)ni . m°(c?)ccccxil. mensis . martii. die. terti(…)° . requiescat. in. pace. amen
Het originele middendeel van de sterk verbouwde biechtstoel dateert uit de eerste helft van de 17de eeuw. Het 19de-eeuws kabinetsorgel werd gebouwd door P.A. Van Dinter uit Maaseik.
Tenslotte dient te worden vermeld dat in de toren drie klokken hangen waarvan twee een belangrijke historische waarde hebben39). De oudste

(37) CEULEMANS, C. en GEUKENS, B., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen, Provincie Brabant, Kanton Tienen, Brussel, 1980, p. 43; Kerke- lijke kunst in het Hageland (tentoonstellingscat.), Tienen, 1976, p. 20.

(38) CRAB, J. en BOLS, M., Madonna en Kind, in Het laatgotisch beeldsnijcentrum Leuven (tentoonstellingscat.), Leuven, 1979, p. 301.

(39) van DOORSLAER, G., Les Waghevens, fondeurs de cloches, in Annales de l’Académie Royale d’Archéologie de Belgique, tome LX, 5e série, tome X, 4e livraison, 1908, p. 504; SERGEYS, J., Klokken, in Hoxem (brochure uitgegeven naar aanleiding van de Monumentendag op 13 september 1992), Hoegaarden, 1992.

248
Afb. 22. Hoksem, Sint-Jan- Evangelist, Brabant, ca. 1400 (Copyright Brussel ACL.).
klok, gegoten in 1472, wordt toegeschreven aan Henricus Waghevens uit Mechelen. Op de bovenrand van de flank draagt ze in één band het volgende opschrift in gotische minuskels:
jan es myen name, myn gheluet sy gode bequame, alsovere als men my horen sal vyle god bevaren over al, ghemaect int jaer m cccc lxxii40).
De tweede klok werd in 1683 gegoten door P. Melliaert uit Antwerpen. Ze vertoont een afbeelding van O.L.Vrouw en een wapenschild en draagt het volgende opschrift:

(40) Deze tekst heeft geen leestekens; wij hebben de komma’s toegevoegd om de leesbaarheid te verhogen.

249
Afb. 23. Hoksem, Sint-Jan- Evangelist, begin 16de eeuw (Copyright Brussel ACL.).
HEER GERARDVS FOLLARTS CANONICVS VICEDECANVS HOXE- MIENSIS ANNO 16831 HEER JACOBVS DE LARMOYER CANO- NIC(V)S IBIDEM HENRICVS CVELEERS CVSTOS PASCAHSIVS MELLIAERT ME FVDIT
De derde klok, oorspronkelijk gegoten door J. Tordeur in 1675, werd in 1959 hergoten door Michiels Jr. uit Tournai, dezelfde gieter die ook de nieuwe klok te Meldert heeft gegoten. Deze klok draagt de inscriptie van de oude klok:
MARIA VOCOR ME FIERI CVRAVIT DECANVS ET CAP(ITV)LVM HOXEMIEN(SIS) CVM COMITATE R(EVERENDVS). D(OMI)N(V)S ARN(O)LD(V)S DVLLARTI DECANVS D G° NAV XPORI FALLA L°

– 252 –
de 18de eeuw. Omdat de gevel ernstig verzakt was diende hij bij de res- tauratie volledig te worden gedemonteerd en wederopgebouwd. De zijpuntgevels zijn in baksteen en voorzien van muurvlechtingen en schouderstukken. Het bovenlicht van de voordeur is versierd met gekleurd glas, waarvan het ijzeren raamwerk twee vierpassen vormt. Dergelijk ijzeren neogotisch raamwerk komt ook voor op de Grote Markt te Tie- nen in de Tinnen Schotel.
Traditioneel loopt de gang van de voordeur tot achteraan; ook de ver- nieuwde houten trap staat in diezelfde gang. De vier vertrekken op het gelijkvloers zijn symmetrisch opgesteld aan weerszijden van de gang. Achteraan rechts bevindt zich een opkamer boven een overwelfde kel- der. De deuren met rechthoekige panelen en de muurkasten in provinci- aalse Lodewijk XV-stijl werden naar de originele modellen gecopieerd. Op de eerste verdieping strekt zich een grote zaal over de ganse opper- vlakte van het huis uit. Dit is ook het geval in de Cruysblockhoeve en in de hoeve Arendsnest te Hoegaarden.
De lemen schuur, die enkele jaren geleden was ingestort, werd tijdens de restauratie wederopgericht. Daarvoor heeft men de originele gebinten opnieuw kunnen aanwenden. Toen heeft men ook de waterput blootge- legd. In het bakstenen bakhuis is de binnenbekleding van de oven uitge- voerd in vuurvaste tufsteen van Lincent.

3. DE WATERMOLEN (41)
In de 17de eeuw, doch waarschijnlijk reeds vroeger, bezat het kapittel van Hoksem een watermolen. Op het einde van de 18de eeuw had de molen één waterwiel en twee maalstoelen en was er tevens een brouwe- rij aan verbonden. In 1824 was er een water graen molen, een water vol molen en een water oker molen. Alle activiteiten werden stilgelegd bij de dood van de laatste molenaar in 1981.
De huidige molengebouwen staan opgesteld rond een binnenkoer op de rechteroever van de Molenbeek. Langs de beek staat nog één gevel van het 17de-eeuwse molengebouw in witte kalkzandsteen met twee kleine vensters. In de weide naast de molen ontwaart men duidelijk de

(41) Zie voetnota 30.

– 253
90m lange dijk die het water van de opgestuwde beek moest vasthouden om het houten bovenslagrad te laten draaien. Verder staat naast de beek ook de verbouwde molenaarswoning: aan de kant van de binnenkoer ziet men nog de deur en twee dichtgemetselde rechthoekige vensters, oorspronkelijk voorzien van luiken.
In 1928 werd de molen grondig omgebouwd om te worden aangedreven door een turbine. Deze dreef twee maalkoppels, een haverpletter, een graanreiniger, een slijpsteen en een cirkelzaag aan. De molen kon echter ook door een dieselmotor worden aangedreven. Waarschijnlijk werden toen ook alle andere gebouwen, waaronder het woonhuis, gron- dig verbouwd of nieuw opgetrokken.
Dr. Sc. Frans Doperé Driemolenstraat, 8, 3300 TIENEN

-vervangt o

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed  

Print Friendly, PDF & Email