Ga naar de inhoud

Nog over Palmzondag te Hoegaarden

Inleiding

Een enige plaats op Nederlandscnen bodem waar nog heden op Palmzondag de geschilderde eikenhouten palmezel, die in Noord-Nederland zijn bestaan slechts tot in de 17de eeuw vermocht te rondgedragen, is het Zuidbrabantsche Hoegaarden. (Dr C .Catharina Van de Graft.)
Deze is echter niet de eenige reden waarom wij hier aandacht vragen voor onze processie.
Op Palmzondag, 12 Maant, van *t jaar 1631 zijn de Apostelen voor de eerste maal door de straten der gemeente getrokken.
Op Palmzondag, 29 Maart, van dit jaar, 1931, zal dat dus juist 300 jaar geleden zijn.
Deze beide feiten loonen wel de moeite, ons dunkens, hier een woordje meer over te zeggen.

Een driehonderdjarig bestaan.

« In den naem ons Heeren. Amen. Int jaer ons Heeren als men schreef duysent ses hondert een en dertich, den twaelfsten Martii, binnen deser Vrijheidt van Hoegaerden, werdt ingestelt een broederschap ter memorie van die twelff Apostelen Christi ende ter eere Codts ende tot stichtinghe van meerdere devotie. »

Alzoo luidt het begin van het boek, het fameuze boek, dat feitelijk het eenig bewijs en overblijfsel is, dat feitelijk het eeni bewijs en overblijfsel is, de éénige getuige van drie eeuwen bestaan.

« Catalogus der Aflijvighen ‘Anno 1632 » staat op ’t voorblad geschreven. Het formaait is omtrent 25 cm. x 30 cm. en de dikte omtrent 2 vinger. ®
Het boek bevat de statuten alsme de de lotgevallen en al de namen van de Apostelen, die in dit lange tijdsverloop elkander zijn opgevolgd.
Er is enkel geschreven tekst in te vinden.

Het zeventiend’eeuwsch geschrift is moeilijk om ontcijferen. Van op ’t einde der achttiende eeuw wordt het beter leesbaar.

Volgens de regels van het Genootschap moest het boek steeds berusten in het huis van den mombaer-vader, ’t is te zeggen het oudste lid (de Apostel Petrus).
Dat het niet bizonder verzorgd werd blijkt wel uit het volgende. De mombaer moest het bewaren in zijn huis. Was hij « geletterd » zoo vulde hij aan, kon hij lezen noch schrijven, zoo moest hij maar iemand zien te vinden, die « van goede wille was ».

Alzoo komt het dat er soms in jaren geen woord werd toegevoegd. (Uitgezonderd de naamlijst der leden, met jaartal van aannemen, uittreden of afsterven).

Integendeel staan er prachtige bladzijden in. Zoo onder andere deze waar Norbert Nijs « die droevige tijden van die revolutie » : 1793-1810 beschrijft.
De mombaar schreef over het koude jaar 1837, dat dien eigensten nacht zijn <<patatten >> bevroren en dit terwijl ze gedekt waren achter een dikken leemen muur.
Dezwaluwen , voegt hij toe, vlogen dien zelfden dag over Boogaarden’s vijver [1] met ijskegels aan hun staart

Het boek was verre van brandvrij noch branvrij bewaard . Maar geen enkel huis , waar het in die drie eeuwen berustte, is ooit een brandramp overkomen.
Bij den jongsten mombaar lag het gewoon weg in de lade van de keukentafel. Dat het door zoo’n behandeling erg gehavend zijn driehonderdste levensjaar doormaakt, hoeft geen betoog. ®

Een uittocht der processie.

Half tien. De dikke klok bromt met bronzen stemme. De kinderen komen met hunne palmen (een stok met er bovenop gebonden net als een ruiker, een handvol buksgroen), reeds naar de kerk toe.
Uit alle straten komen ze aanzetten: alleen, getwee, in luidruchtige groepen, de kleinen vergezeld van moeder, vader, tante, oom, of een ander welwillend familielid. 

De Apostelen zijn bijeengekomen in hun lokaal (enkele schreden verwijderd van de kerk). Hier verkleeden zij zich. Zij trekken hun blauwe, groene of bruine lakensche rokken (die thans waardevol zijn) aan. Zij leggen over hun schouder, schuin over de borst een roode sjerp met gouden franje afgeboord en waarop hun Apostelnaam staat vermeld. Op hun hoofd maken zij hun metalen aureool vast. (Dat kost hun telkens een bosje haren). Vroeger gingen zij daarbij blootsvoets maar sinds den strengen Palmzondag van 1837 hebben ze hun schoeisel behouden. 

Daama nemen zij in handen « de wapenen », die zij dragen in de processie [2]

De vier discipelen hebben alleen een sjerp over hun zwart pak.  Als allen gereed zijn, tillen de discipelen het palmezelken op hun schouders en begeeft de stoet zich naar de kerk.

Deze is reeds flink bezet door een ongeduldige kinderschaar. 

De stoet der Apostelen trekt naar het koor. Hier grijpt de palmwijding plaats. Dan begint plots de groote klok te luiden. Plechtig galmen de trillende klanken over de daken en zinderen door de stille kerk.

Dan komt de uitgang. Buiten de kerk wordt de stoet gevormd. Voorop, tusschen misdienaars, de subdiaken met het kruis, dan de geestelijkheid volgens haar rang, daarna komt de palmezel.

De berrie is omwonden met palm. Kristusbeeld, glimlachend en zwartgelokt, heeft ook een palmtak in de hand. Nu volgen op twee njen de Apostelen. Zij houden hun attributen en een palmtakje in de hand, de armen over de borst gekruist of soms met de vrije hand hun zakkende zware kleeren ophoudend.

Achteraan loopt Petrus de mombaer-vader. Hiema komen al de kinderen met hun ontelbare palmbosjes. Steeds vullen achterblijvers en telaatkomers de kwetterende rijen aan.

*t Is de feestdag der kinderen. De straat hoort hun toe dien dag. ’t Is het feest der jeugd. Deze viert hoogtij. De blije tonen der klok verminderen hun geweld en sterven langzaam uit.

De processie gaat door vier straten. Langs den doortocht staan hier en daar gemoedelijk toekijkende personen. Steeds komen nieuwe kleuters bij. Andere gaan rechtstreeks naar de kerk om een goede plaats te vinden voor het
bijwonen der noogmis. Ook vele volwassenen begeven zich naar de kerk om de plechtige mis bij te wonen.

Zoo komt de processie weer in *t zicht der kerk. Opnieuw oegint de klok te luiden. De processie wil binnen treden. De deur is toe.
Dan zingt de geestelijkheid een dialoog tot het overwinnende kruis de deuren doet opengaan. De Apostelen nemen plaats in het koor.

In ’t miaden staat op een voetstuk, de palmezel met het aangezicht van het Kristusbeeld naar het volk gekeerd. De Hoogmis begint. De kerk die zooeven nog ledige plaatsen vertoonde, is thans overvol. Het is als een zee van wiegend groen, want al de kinderen houden onvermoeibaar, hoog opgesitoken, hun buxus-takkebos. De doordringende geur van het hout vervult gansch de kerk.

Onder den zang van de Passie trekken de Apostelen zich terug in de sakristie, — dit om voor te stellen, dat Kristus, gedurende zijn lijden, door hen allen verlaten werd. Na hun wederkomst gaan zij ten offer en communiceeren ze. Het geduld van vele kleinen raakt ten einde. Vele « pallemaaien » zakken. Andere beginnen sterk rechts of links te neigen. 

Eindelijk ! De Hoogmis is afgeloopen. De ezel en het Kristusbeeld blijven tot in den namiddag in het koor staan. Dan worden ze weder voor een jaar weggeborgen.  
De Apostelen trekken naar hun lokaal waar zij hun kleederen afleggen. Dezc worden in een grooten koffer in de pastorij bewaard. De Apostelen nutten koffie met koeken. ’s Namiddags wonen zij het lof bij (echter niet meer verkleed). 

Bij het uiitgaan der Hoogmis is ’t een ruw dringen en duwen der bengels. Het komt er immers op aan de eerste hier aan ‘n bel te trekken of daar op *n deur te kloppen. Ze weten waar er gekocht wordt en ook waar men vriendelijk wordt afgescheept of met barsche woorden wordt verjaagd.

Ze spreken van « hun klanten » en van « goede posten ». ’t Wordt alzoo een draven tot op den middag. Vooral de familie wordt niet vergeten. Ooms en tantes worden het beste afzetgebied.

Sommigen trekken er ’s namiddags nog eens op uit en bij al het vergaarde geld heeft …de kramer kans.

Dat deze bijdrage onze V.T.B.-ërs moge aanzetten, dit, jaar op Palmzondag Hoegaarden talrijk met een bezoek te vereeren.

Hoegaarden  ©A. Adams.

Het artikel in pdf-formaat

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed 

Print Friendly, PDF & Email