Ga naar de inhoud
Refugie der 11000 Maeghden (1748)

Inleiding

Deze hoeve, gebouwd door schepen Bernard Vandermolen vormde samen met “t Carolushuys” (1747), in mindere mate het “Arendsnest” (17e en 18e eeuw) en de “Paradijshoeve” (voor 1635), de inzet van de dorpstwist van 1749. De enkele allesbeheersende families wilden een gekasseide baan voor het zware biervervoer en besloten de Molenwegh [1], die langs hun eigendommen liep daarvoor uit te kiezen. Dit leidde tot een sterke oppositie en een heroïsch proces te Luik. Resultaat: ook de ‘s Heerenstraete [2] werd aangelegd, wat samen met de proceskosten leidde tot twee goede straten voor de prijs van drie!

Foto

Foto 89. HOEGAARDEN. Pastorijstraat nr. 47. .. Voormalig refugium der Maagden. Inrijpoort (1748).

Opschrift boven de ingangspoort 

Opschrift in het gehistorieerd St.-Ursula en de 11000 maagden – boven de segmentbooginrijpoort, die toegang verleent tot het binnenhof. Woonvleugel van bak- en zandsteen (plint, regelmatige hoekkettingen) voorzien van rechth. vensters, (voorheen kruisramen) en een fraai, van 1739 daterend korfboogdeurtje, waarmee het kroonlijst met rechte ovaalrond bovenlicht door volutes verbonden is.

Stallingen en overige dienstgebouwen eveneens uit XVIII, doch enigszins verbouwd .

HOEVE: DE REFUGIE VAN DE 11.000 MAGHDEN

In 1757 begon schepen en brouwer Bernard Vandermolen met de bouw, die in 1748 ingehuldigd werd. De hoeve reikte tot aan de hovingen van de vroegere pastorij (op de houtmarkt). Tijdens de besloten tijd werden hier missen gedaan en vonden brigands er een onderkomen.

In 1860 was het block eigendom van de familie Coenegras en kwam later terug in het bezit van de familie Vandermolen.

De hoeve heeft haar naam te danken aan de afbeelding in de grote witte steen boven de ingangspoort: Sinte Ursula die onder haar mantel maagden beschermt.

De legende zegt dat er in vroegere tijden in het pachthof 11.000 maagden zouden verbleven hebben, die in een orde samenleefden om aan het kwaad van de wereld te ontsnappen. Op zekere dag vielen er rovers binnen om de maagden te schaken en verborgen schatten te stelen. St.-Ursula verscheen en de rovers sloegen op de vlucht.

De bouwstijl van de hoeve is typisch Brabants

  • De gebouwen staan in een vierkant met in het midden het neerhof en de mesthoop.
  • Tegen de straatkant is de monumentale ingangspoort bekroond met het sierlijke duifhuisje of de hooizolder.
  • In de gevel boven de poort staat een zware witte steen met het schild of het teken van het huis.
  • Het ruime woonhuis staat recht tegenover de ingangspoort. In het midden staat de mooi omlijste deur met twee vensters langs beide kanten en vijf op de verdieping. Een schaliëndak met dakvansters bekroont het woonhuis.
  • In de gevel onder de dakgoot zijn veel kleine, vierkante luchtgaten voor de zoldering, die ook dienst deden bij herstellingswerken van dak of gevel.
  • Alles is omlijst met de witte steen van Gobertange, waaruit ook de onderbouw van het huis is gemetst.
  • Om het vierkante gebouw te sluiten, hebben we rechts en links van het woonhuis de grote schuur, de stallingen en ook het “paenhuys” (de brouwerij ), vermits alle boeren ook brouwers waren en alle brouwers ook boeren.

In de schaduw van deze hoeve stond links nog een annexe. [3]

Vroeger was dit de woonst van de hoofdknecht uit de Maagdenhoeve. Later werd het bewoond door de haatste belleman uit Hoegaarden, Servaes Sweerts, schoonvader van de koster Van Rickstal. Hij was de vertrouwensman van de Regentie en wist daardoor de belangrijke beslissingen, lang voor de bevolking er het vermoeden van had.

DE GESCHIEDENIS EN DE LEGENDE VAN SINT-URSULA 

Het is het inschrift van Clematius genaamd dat het basisgegeven voor de geschiedenis van de heilige Ursula vormt. Men vindt het op een steen uit de 4e of de 5e eeuw. ingemetst in de muur van de Sint-Ursulakerk in Keulen. Het zegt dat een zekere Clematius, verwittigd door goddelijke voortekenen en gesticht door het maartelaarschap van de heilige maagden, ter vervulling van een wens, hun basiliek heropbouwde.

Naam noch aantal van de maagden werden vermeld. Een spoor van de verering van de 11.000 maagden vindt men van de 8e eeuw af. In de 9e eeuw wordt erover gemeld in verschillende documenten zoals martelaarsboeken, kalenders, misformules en litanieën. Onder die maagden wordt eerst Pinosa, dochter van de koning van Bretagne vernoemd, dus nog voor Ursula wier naam vervolgens bovenaaan de lijst van de tien andere wordt vermeld.

De voorrang van Sint-Ursula wordt bevestigd: door een Passie “Fuit tempore pervetusto” omstreeks 975 geschreven in de abdij van Sint-Bertinus in Saint-Omer en opgedragen aan Sint-Géron, bisschop van Keulen.

Toen in 1106 werken werden uitgevoerd aan de vestingsmuren van de stad Keulen, nabij de Sint-Ursulakerk, ontdekte men een Romeinse begraafplaats. Onmiddellijk verspreidde zich het gerucht dat het hier ging om het gebeente van de 11.000 maagden. Men begon op de plaats <<ager Ursulanus» de gebeenten uit te delven en ze werden tot ver over de grenzen verspreid (in Duitsland. Zwitserland. Oostenrijk. België, Frankrijk, Spanje). Het is op dat ogenblik dat de legende ontstaan is ze kreeg steeds meer vorm en werd meer en meer verspreid naargelang de namen die tijdens de opgravingen op de grafstenen werden gevonden.

Aldus ontstonden de namen van Etharius van wie men de verloofde van Ursula heeft gemaakt en van haar reisgezellen van paus Cyriacus (die nooit heeft bestaan) en van alle aartsbisschoppen, kardinalen en bisschoppen van Raven na. Milaan, Lucca en Bazel, allen onbekend bij de historici.

Al deze ontdekkingen kunnen geïnterpreteerd en uitgelegd worden dank zij het visioen van de gelukzalige Elizabeth van Schonau, een kluizenaarster die in 1123 was geboren. Op het einde van de 12e eeuw is de legendevorming voltooid. In 1305 werd de feestdag van 11.000 maagden door de artsbisschop van Keulen vastgelegd op de 21e oktober.

De legende

Ursula was de dochter van de koning van Bretagne. Ze werd ten huwelijk gevraagd door de enige zoon van de koning van Engeland die een heiden was. Ursula stelde als voorwaarde voor haar huwelijk een termijn van drie jaar tijdens welke zij in gezelschap van 11.000 maagdien een bedevaart naar Rome zou ondernemen, terwijl haar aanbidder zich zou laten inwijden in het christelijk geloof en zich zou laten dopen. Er werden schepen uitgerust en de reis verliep via Keulen en Bazel. In Rome werden de pelgrims cnthaald door paus Cyriacus die, bekeerd. besloot hen te vergezellen.

Bij hun terugkeer vielen zij in handen van de Hunnen die, zonder dat de maagden hiervan op de hoogte waren. de stad Keulen belegerden en door wie zij allen werden vermoord. De Hunnerhoofdman. bekoord door de schoonheid van Ursula wilde haar sparen maar zij weigerde.

De legende heeft twee epilogen. In de eerste worden de Hunnen, door Gods hand gestraft, door paniek aangegrepen en op de vlucht gedreven de belegerden die de stad verlieten, vinden de lichamen van de martelaressen. herkennen de maagden en begraven ze vorstelijk. Vervolgens liet een zekere Clematius een basiliek te hurner ere optrekken. In de tweede onderging de maagd Corcula die zich in het schip verborgen had, slechts daags nadien de marteldood. Ze werd echter niet als martelares erkend tot ze verschoen aan een kluizenaarster met de naam Helentrude aan wie zij het onrecht dat haar was aangedaan bekend maakte.

Sindsdien wordt haar feestdag op 22 oktober gevierd, hetzij dus de dag na die van de 11.000 maagden.

Sint-Ursula is de patroonheilige van de Ursulinen, de wezen en de lakenwevers, dit laatste wegens haar beschermende mantel. Ze wordt doorgaans gekroond en in hermelijn gekleed, uitgebeeld. Onder haar attributen vindt men pijl en boog, even als de martelaarspalm. Haar wijd geopende mantel vormt een schuilplaats voor haar gezellinen. Ze wordt aangeroepen tegen hoofdpijn, evenals door mensen in levensgevaar. Sint-Ursula werd vooral in Keulen, maar ook in Brugge vereerd. Benevens het schrijn in het Sint-Janshospitaal, vindt men in het klooster der Zwarte Zusters te Brugge twee geschilderde panelen, waarschijnlijk de luiken van een retabel die in acht taferelen de geschiedenis van Sint-Ursula verhalen. Ze zijn het werk van een anonieme meester en ze dateren waarschijnlijk uit het laatste kwart van de 15e eeuw, iets ouder nochtans dan de schilderijen op het schrijn. Wij moeten hier nog een zeer belangrijke cyclus van het leven van Sint-Ursula vermelden. namelijk die welke op het einde van de 15e eeuw in Venetië door Carpaccio werd geschilderd. Beide laatste werken vertellen de geschiedenis. van Ursula van haar huwelijksaanzoek af. Het ene wordt beëindigd met de verering van haar relikwieën in een kerk, het andere met het tafereel van haar marteldood.

Bronnen en citaten[+]

© Vzw Hoegaards Erfgoed 

Print Friendly, PDF & Email